‘Molière is voor mij een dodendans’

Interview: Regisseur Luc Perceval..

Hein Janssen

Luk Perceval vertrekt na vier jaar uit Berlijn, en het is niet geworden wat hij had verwacht. Zijn Molière, een succes in Salzburg, trekt in de hoofdstad nauwelijks publiek. ‘Ik verzand hier in een woestijn.’

Luk Perceval is somber. Somber omdat er dit weekend maar zo weinig mensen naar zijn voorstelling Molière zijn komen kijken. Somber omdat het sowieso, vindt hij, niet goed gaat met het theater in Berlijn, de stad waar hij nu drie jaar werkt. En vooral somber omdat een paar dagen eerder een van zijn theatervrienden is overleden. Zelfmoord.

Het leven is wreed en ongewis – en juist daarom moet er theater worden gemaakt. Om antwoorden te vinden op al die wreedheden. En dat antwoord is volgens Perceval de liefde – niet de zoete, romantische, weelderige liefde, maar een ongenaakbare liefde die de mens pas na veel lijden en afzien zal ervaren. Zoals titelfiguur Molière aan het eind van zijn voorstelling alleen nog maar kan stamelen: ‘Liefde is* liefde is* liefde is*’ Die twee woorden, meer niet, en dan tergend lang herhaald, als een soort mantra.

Perceval: ‘Ik kan en wil het begrip liefde verder ook niet definiëren. Het is voor mij de essentie van het leven, en waarom we naar het theater gaan. Eigenlijk zijn wij allemaal verworden tot een existentiële eenzaamheid. Juist daarom zijn wij via religie, via kunst en theater op zoek naar samenkomst, naar intimiteit, aanraking. Dat alles zijn we verleerd, maar die behoefte is er wel degelijk.’

Zenboeddhisme, daar gelooft Perceval in. Meditatie, yoga – elke dag nog met de acteurs, ter voorbereiding op de vaak zware fysieke repetities. Die zachte, wat zwevende kant staat in schril contrast met zijn voorstellingen. Zoals Molière, de productie van de Berlijnse Schaubühne am Lehniner Platz die binnenkort te zien is in het Holland Festival. Keihard, rigide, niets ontziend, meedogenloos theater, dat het uiterste van de toeschouwer vergt, maar dat tegelijk hevig fascineert.

Molière – hierin hebben Perceval en zijn team vier ‘komedies’ van de Franse toneelschrijver Molière (pseudoniem van Jean-Baptiste Poquelin, 1622-1673) bewerkt, verknipt, herschikt en uitgebeend tot een toneelhappening, met de zoektocht naar de liefde als rode draad. Volgens hetzelfde procédé waarmee hij met Tom Lanoye in 1997 Ten Oorlog! maakte, waarin Shakespeares koningsdrama’s in een enerverende, elf uur durende marathon werden samengevoegd. Onder de titel Slachten! betekende deze voorstelling in 1999 zijn doorbraak in Duitsland. Vanaf dat moment werd hij daar regelmatig als gastregisseur gevraagd. In 2005 verliet hij Het Toneelhuis in Antwerpen om vaste huisregisseur van de Schaubühne am Lehniner Platz te worden. Het Nederlandse en Vlaamse theater was een opmerkelijke theatermaker kwijt.

De Mensenhater, Tartuffe, Don Juan en De Vrek, dat zijn de vier komedies die in Molière zijn samengebracht. Die stukken gewoon spelen, daar had Perceval helemaal geen zin in. ‘Want laten we eerlijk zijn: oppervlakkig beschouwd zijn het allemaal eenvoudige verhaaltjes, die niet veel verder gaan dan wat cafégrappen: man bedriegt vrouw, broer is verliefd op zus, maar weet niet dat het zus is. Dat soort onzin. Veel interessanter is de thematiek die daaronder ligt, onder die grappen zit iets extreem tragisch. Molière heeft zichzelf in al zijn hoofdpersonages opgedeeld, en zichzelf in zijn stukken tot onderwerp van spot gemaakt. Hij is een beetje de vrek, een beetje Tartuffe, en zeker ook Don Juan en vooral de mensenhater. Een mens die niet alleen de wereld, maar ook zichzelf haat en daarmee is hij voor mij ook een product van onze cultuur.

‘Ja, De Mensenhater is helemaal van deze tijd – zo vervult van zelfhaat, en daardoor geen vrede kunnen vinden met zichzelf en ook niet met de wereld. Wij zijn geboren in een cultuur die zegt: jullie zijn eigenlijk niet goed genoeg en je moet heel hard je best doen om überhaupt een glimp van de hemel op te vangen. Wij lopen allemaal behoorlijk ontevreden over onszelf op deze wereld rond.’

Ziedaar de sombere kijk van Luk Perceval op Molières Mensenhater, en op deze tijd in het algemeen. Over de aartsverleider Don Juan is hij zo mogelijk nog negatiever: ‘Die is zo cynisch geworden, en zo ontgoocheld in de liefde, dat hij zich simpelweg dood vogelt. Alleen de dood kan hem bevrijden, en hij hoopt dan ook dat hij zo snel mogelijk een vreselijke ziekte oploopt.’

In Molière laat Perceval acteur Thomas Thieme het centrale personage spelen dat de vier stukken met elkaar verbindt. Hij is de mensenhater, die wordt uitgestoten, zich dood zuipt, zich dood neukt, en eindigt als een oude demente man, die hoopt zo snel mogelijk dood te gaan. En juist die man heeft zijn hele leven geprobeerd een vraag te beantwoorden: wat is liefde? En juist dat vindt Perceval zo fascinerend aan Molière.

‘Liefde is* ja, liefde. Daarin liggen vraag en antwoord besloten. Liefde is alles, ook de kramp, ook het onvermogen, ook de woede, ook het zoeken naar liefde is liefde. En als er dan een catastrofe passeert, zoals ik dat deze week heb ervaren toen mijn goede vriend ineens dood was, voel je je zo onmachtig over hoe we met elkaar omgaan. Theater kan in het beste geval een poging doen om dit bewustzijn, deze deemoed tegenover de fataliteit van het leven, te ontwikkelen. Dat is Molière voor mij – een soort van ritueel, een dodendans, die misschien wel tot bevrijding leidt.’

De oerversie van Molière duurde meer dan vijf uur en ging vorig jaar tijdens de Salzburger Festspiele in première. Inmiddels heeft Perceval de lengte teruggebracht tot ruim 3 uur. Om het Berlijnse publiek te behagen, want dat houdt niet van lange voorstellingen. ‘Wonderbaarlijk en obsederend eerbetoon aan theater’, berichtte de Volkskrant na de première in Salzburg. Maar er waren ook andere geluiden: de criticus van de Frankfurter Allgemeine Zeitung schreef: ‘Bij Molière gaat het om een hele wereld en niet om de onderlijfproblemen van een sneeuwpop.’

Die sneeuwpop slaat op het feit dat het gedurende de gehele voorstelling op het podium onophoudelijk sneeuwt. Perceval: ‘Ik zocht naar een vorm die de kracht heeft van vuur. Vuur heeft diezelfde contradictie die het theater ook moet hebben – het is attractief, maar ook gevaarlijk. Theater zou de kracht moeten hebben van een bordeel: je wilt naar binnen, maar tegelijk heb je er angst voor omdat je niet precies weet wat er gebeurt. Dat heeft vuur ook, het is meditatief en hypnotiserend tegelijk. Maar hoe krijg je zoiets op toneel?

‘Ja, en toen kwamen we op sneeuw uit. Sneeuw staat voor een koude wereld waarin je geïsoleerd bent, maar het heeft ook iets warms. Als je erin wegduikt, krijgt het op een rare manier ook iets behaaglijks. Het is, zou je kunnen zeggen, gestold verlangen, water dat gekristalliseerd is. En water is het symbool van verlangen. Dat het de hele voorstelling door zou sneeuwen, dat stond bij voorbaat vast.’

Berlijn – op een mooie lenteavond komt slechts een handjevol mensen naar Molière, de voorstelling die in Salzburg voor uitverkochte zalen speelde, maar in Percevals thuisbasis niet echt wil aanslaan. Volgens de regisseur is het theater in Berlijn de wanhoop nabij.

‘Het theaterbezoek is weliswaar met 7 procent gestegen, maar dat komt voornamelijk door het publiek tussen 50 en 75 jaar dat naar het klassieke repertoiretoneel gaat. Bastions als het Deutsches Theater en het Berliner Ensemble doen het prima, maar daar zitten alleen blauwspoelingen in de zaal. Oom Wanja van Jurgen Gosch en de Dreigroschenoper van Robert Wilson zijn altijd uitverkocht. Maar de groepen die zich meer op het experiment en op een jonger publiek richten, hebben het erg moeilijk.

‘De mensen hier moeten hard werken, zijn ’s avonds te moe om naar theater te gaan. Ze laten liever een pizzakoerier komen of een sushileverancier, kijken intussen via internet naar gehuurde video’s. Het sociale en culturele leven staat hier enorm onder druk. Er is zoveel angst voor werkloosheid, voor crisis, voor buitenlanders, alles wat neigt naar experiment wordt vijandig bejegend. Er wordt zelfs weer gepleit voor pruikentoneel. Toneel voor onderwijzers en ambtenaren, die het prettig vinden dat in de pauze keurig hun glaasje sekt klaarstaat.’

Het publiek dat ondanks dit alles vanavond toch op Molière is afgekomen, ziet een waanzinnige voorstelling – bijna in letterlijke zin. Je geeft je eraan over, of niet. Doe je dat wel, dan raak je in een trance, niet in de laatste plaats door het voortdurend in de sneeuw kijken. Tot aan dat huiveringwekkende slot waarin de schaamteloze acteur Thomas Thieme, die een bijna mensonterende creatie van Molière maakt, minutenlang zijn angstaanjagende doodskreet slaakt: Liebe ist... Liebe ist... Liebe ist... Liebe ist...

Percevals voorstellingen zijn altijd al tamelijk extreem geweest. In zijn versie van King Lear liep de oude koning rond in een incontinentieluier, zijn Macbeth liep schuimbekkend over het podium, zijn Oom Wanja werd dronken in een Antwerps café. En in Turista, zijn afscheidsvoorstelling van het Toneelhuis, liet hij 24 spelers doodgemoedereerd een uur lang op een lange rij staan. Molière is zo mogelijk nog radicaler dan deze vier bij elkaar.

Luk Perceval vertrekt in september 2009 naar het Thalia Theater in Hamburg waar hij artistiek leider wordt en verantwoordelijk voor de programmering. Hij heeft dan vier jaar bij de Schaubühne in Berlijn gewerkt, en het is niet geworden wat hij ervan verwacht had. Het publiek loopt terug, een beloofde verbouwing van de theaterzaal blijft uit, intendant Thomas Ostermeier die als een jonge wilde hond werd binnengehaald, moet steeds commerciëler programmeren.

‘Ik verzand hier in een woestijn. Het theater is volledig ontworteld, er is geen stad in de wereld waar zoveel theaters zijn met zoveel mogelijkheden, maar waar die stad niet komt. Ik kon hier nog wel blijven tot 2012, maar Ostermeier en ik zijn een totaal andere koers gaan varen. Wij appreciëren elkaars opvattingen, maar komen niet samen. Daarom ga ik mijn heil elders zoeken.’

Zoals hij in 2005 ook deed, toen hij Antwerpen verliet. Spijt heeft hij daarvan niet gehad, hoe ontheemd hij zich af en toe ook heeft gevoeld – weg van de intimiteit van het Antwerpse acteurs- en caféleven. ‘Maar na dertig jaar moest ik misschien ook wel gaan. Vlaanderen is zo klein, dan is het enige alternatief naar het buitenland. Brel, Simenon, iedereen is weggetrokken uit Vlaanderen, dat is het enige dat je daar kunt doen – vertrekken, weg!’

Johan Simons, Ivo Van Hove, Alize Zandwijk, Theu Boermans, allemaal Nederlandse theatermakers die regelmatig als gastregisseur in Duitsland en Oostenrijk werken – Simons wordt in 2010 zelfs intendant van de Münchner Kammerspiele, een van de grootste Duitse gezelschappen.

Perceval: ‘Er is hier een grote behoefte aan regisseurs die het theater bevrijden van zijn valse ernst. In Nederland en Vlaanderen is dat in de jaren tachtig al gebeurd. Wij hebben tijd gekregen om te groeien, te experimenteren, een eigen theatertaal te ontwikkelen. Hier is het repertoire van Schiller en Goethe heilig, en dan komen die rock ’n’ rollers uit Holland die doodleuk zeggen dat je theater ook in een kippenhok kunt maken. Dat vinden ze hier toll. De hiërarchie is hier ook veel sterker – als je van de regieopleiding komt moet je als assistent van de assistent eerst drie jaar koffie zetten en sigaretten kopen. De relatie regisseur-acteur is behoorlijk autoritair. Toen Thomas Thieme als gast bij het Toneelhuis speelde, zei hij tegen mij: ‘jij hebt geen gezelschap, jij hebt een bende zigeuners’. Nederlandse en Vlaamse regisseurs beschouwen acteurs niet als zetstukken, maar werken echt met ze.’

Nu Molière naar Amsterdam komt, verwacht Perceval eindelijk weer een echt geïnteresseerd publiek, een publiek ‘dat meer is ingesteld op een bijzondere ervaring dan op een glad gestreken avond’. Dat publiek zal straks in elk geval acteurs aan het werk zien die zich volledig aan hun regisseur hebben overgeleverd. Zij spelen personages die allemaal achter hun verlangens, achter geld en seks aanjagen. Ze zijn allemaal slecht, en uitgeblust, en dat duidt op een uiterst pessimistisch mensbeeld.

Perceval: ‘Zo lees ik Molière, zo lees ik zijn stukken. Ik heb hem niet bewust zwarter of slechter gemaakt dan hij voor mij is. Dit is mijn beeld van Molière.’

Molière door de Schaubühne am Lehniner Platz, regie Luk Perceval. Op 7 en 8 juni in Stadsschouwburg Amsterdam.

LUK PERCEVAL

1957

Geboren in Lommel, België

1979

Afgestudeerd aan het Koninklijk Conservatorium in Antwerpen

1980

1985 acteur bij Koninklijke Nederlandse Schouwburg (KNS) in Antwerpen

1984

Oprichting Blauwe Maandag Compagnie (BMCie)

1985

1995 Veel succes met voorstellingen als Othello, De Meeuw, Wilde Lea en All for Love

1997

Maakt met Tom Lanoye Ten Oorlog!, een 12-uur durende toneelmarathon naar de koningsdrama’s van Shakespeare

1998

Artistiek leider Het Toneelhuis, ontstaan uit fusie tussen BMCie en KNS

1999

Schlachten! (de Duitse versie van Ten Oorlog!) wordt doorbraak in Duitsland

2005

Afscheid Toneelhuis met Turista; benoemd tot huisregisseur bij Schaubuhne am Lehniner Platz in Berlijn

2007

Maakt omstreden voorstelling Molière in Salzburger Festspiele

2009

Vertrekt naar Hamburg als artistiek leider van Thalia Theater

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden