Moeizaam fietsen met de wind mee

Hans Wansink

De hoogleraren geschiedenis Henk te Velde en Piet de Rooy opereerden dan ook verstandig door in hun interviews met Kok niet te kiezen voor de methode van het kruisverhoor. In de conversaties die ze met Kok voerden over zijn loopbaan in de vakbeweging en in de politiek, bepaalden zij uiteraard de gespreksonderwerpen. Maar zij stelden zich dienstverlenend op: Kok vertelt in zijn eigen woorden z’n eigen verhaal.

Wim Kok ziet zichzelf als de timmermanszoon uit Bergambacht, die uit – wat hij zelf noemt – ‘valse schaamte’ weigert zich als vakbondsvoorzitter door een chauffeur te laten rondrijden. Kok: ‘Ja, achteraf kan ik mezelf wel voor m’n kop slaan: je pleegt natuurlijk roofbouw op jezelf, op je omgeving en op je organisatie. Want het betekende dat ik dus zo'n vijfentwintig uur per week achter het stuur van de Opel Kadett doorbracht.’

Of het nu gaat over zijn glanzende carrière als vakbondsonderhandelaar of als kabinetsformateur, tevreden achteroverleunen is er niet bij. Kok: ‘Eigenlijk heb ik nooit het gevoel gehad dat het echt in mijn vingers zat. Dat ligt ook aan mijn karakter. Ik weet over het algemeen beter wat ik niet dan wat ik wel in m’n vingers heb. Er zijn wel opmerkingen gemaakt over het feit dat ik kritisch was op anderen, maar ik kan iedereen de geruststelling geven dat dat nog maar een flauw aftreksel is van de mate waarin ik kritisch ben op mezelf. Ik weet altijd wat eraan mankeert. Maar ik vind het heel erg uitdagend om iets voor elkaar te krijgen. Niet om het voor elkaar krijgen als zodanig, maar om iets tot stand te brengen waarin mensen zich kunnen vinden.’

Koks gebrek aan kapsones heeft enorm bijgedragen aan zijn populariteit bij zijn achterban en ver daarbuiten. Maar de lezer van de aan zichzelf twijfelendepolderjongen in de politiek krijgt onvermijdelijk het gevoel dat de verteller zich kleiner voordoet dan hij is. Met Drees en Lubbers behoort Kok tot de grote drie staatslieden die hun stempel hebben gedrukt op naoorlogs Nederland. Net als hen groeide Kok uit tot een nationale figuur die in alle lagen van de bevolking een ongeëvenaard vertrouwen genoot.

Dat vertrouwen heeft Kok opgebouwd in dertig jaar werken voor de publieke zaak. Dat hem al heel jong de leiding van de vakcentrale NVV werd toevertrouwd, duidt erop dat we helemaal niet met een ‘gewone jongen’ te maken hebben, maar met een man die van nature indruk op zijn omgeving wist te maken. Kok is altijd een persoonlijkheid geweest die zijn eigen weg ging (in zijn verhaal komen opvallend weinig medespelers voor) en voor het bereiken van zijn doel bereid was zijn nek uit te steken.

Zo onthult hij dat hij al in 1979 al een concept-akkoord had gesloten met werkgeversvoorzitter Chris van Veen om de prijscompensatie af te ruilen tegen werk. Hij kreeg er geen steun voor in de Federatieraad, de vergadering van vakbondsvoorzitters. Het beroemde Akkoord van Wassenaar zou nog ruim twee jaar op zich laten wachten. Kok: ‘Eén van de lessen die ik wel geleerd heb in m’n vakbondsleven en later in m’n politieke leven, is dat de samenleving vaak een te lange tijd nodig heeft om met de noodzaak van aanpassingen vertrouwd te raken voordat mensen plotseling beïnvloedbaar zijn op: dit kan zo niet langer.’

Het bevorderen van werkgelegenheid is al die jaren het hoofdmotief van Koks inspanningen geweest. Zijn recept was: loonmatiging, een flexibele arbeidsmarkt, goede relaties tussen sociale partners, bestrijding van de inflatie en gezonde overheidsfinanciën. In de jaren tachtig, toen hij de fusie tussen NVV en NKV tussen de bedrijven door tot een goed einde bracht, liep hij daarmee royaal voor de troepen van vakbeweging en Partij van de Arbeid uit.

In 1991 knalde de PvdA zo ongeveer uit elkaar toen Kok – inmiddels vice-premier onder Lubbers – onverhoeds aankondigde dat harde ingrepen in de duur en hoogte van de WAO onvermijdelijk waren. Het leverde een vertrouwensbreuk met de kiezers op, die in 1994 in een verlies van twaalf zetels resulteerde. Kok beseft als geen ander dat dit gemakkelijk het einde van zijn politieke carrière had kunnen betekenen. Hij onthult dat het een wonder was dat het kabinet de eindstreep haalde, waarbij CDA-fractievoorzitter Bert de Vries op beslissende momenten Lubbers en Kok, die niet meer on speaking terms waren, samen in de boot wist te houden.

De verkiezingsuitslag van 1994, met twintig zetels verlies voor het CDA, bood de PvdA en Kok een onverwachte herkansing. Aan de succesformule van Paars (halvering van de werkloosheid, begrotingsevenwicht en terugdringen van de staatsschuld, gecombineerd met koopkrachtverbetering in Paars II) maakt Kok opmerkelijk weinig woorden vuil.

Langer staat hij stil bij het voor hem persoonlijk traumatische Srebrenica en bij de vraag hoe het in 2002 voor de PvdA en het kabinet zo mis kon lopen. Kok heeft daar, ‘ook na twee jaar bedenktijd’, geen echte verklaring voor. Wel voelde hij een ‘sluipende erosie in het vertrouwen in de politiek’ en erkent hij ‘dat we te lang hebben uitgestraald dat de problemen met minderheden overwegend terug te voeren waren op sociaal-economische en in veel mindere mate op sociaal-culturele factoren’.

Kok worstelt nog steeds met de vraag of hij er goed aan heeft gedaan op 29 augutus 2001 zijn vertrek uit de politiek aan te kondigen. Hij zegt: ‘als 11september twee weken eerder was geweest, dan zou ik de aankondiging dat ik wegging waarschijnlijk niet meer hebben gedaan. Niet omdat ik het niet zou hebben aangedurfd de Partij van de Arbeid aan andere handen toe te vertrouwen, maar omdat ik dan niet de verantwoordelijkheid zou hebben durven nemen Nederland zo achter te laten, als het ware in de steek te laten.’

Na het lange gesprek met Kok volgen twee beschouwingen van Te Velde en De Rooy. Te Velde typeert de gang van Kok door de Nederlandse politiek treffend als ‘moeizaam fietsen met de wind mee’. Hij wijst erop dat Kok in de eerste plaats een bestuurder was en op de allerlaatste plaats een partijganger. Voor zijn maatschappelijke inbedding had Kok de PvdA niet nodig, voor haar politieke relevantie had de PvdA Kok des temeer nodig.

Piet de Rooy verbaast zich over de razendsnelle omslag in de waardering voor Paars: van Hollands mirakel tot puinhoop. Naast bekende verklaringen (zoals de ontzuiling) signaleert De Rooy in de jaren negentig de opkomst van een ‘vervalvertoog’: een aaneenschakeling van beschouwingen waarin door een spraakmakende elite het failliet van de Nederlandse politieke democratie wordt verkondigd. Volgens De Rooy had dit vertoog weinig van doen met bestaande problemen. Maar het gesomber schiep wel een ideaal klimaat voor de populistische kritiek van Fortuyn, een man die wat De Rooy betreft door andere wetenschappers volkomen ten onrechte op z’n woord werd geloofd. Voor Te Velde en De Rooy is Kok de verantwoordelijkheid in eigen persoon, terwijl Fortuyn precies het tegendeel was: ‘de man die met behulp van een doosje lucifers op zoek ging naar een lek in de gasleiding’. Wim Kok kon zich geen betere gesprekspartners wensen.

Piet de Rooy en Henk te Velde: Met Kok over veranderend Nederland. Wereldbibliotheek; 240 pagina’s; ¿ 14,50. ISBN 90 284 2104 1

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden