Literatuur Moederschap

Moederschap verdient topliteratuur: verken hierin alle uithoeken

Moederschap is in de literatuur geen groots thema en dat is raar. Het Boekenweekthema komt dus als geroepen. Aleid Truijens gidst ons door de uitgaven die dit heeft opgeleverd.  

Beeld Typex

‘Over vrouwen zoals ik hoor je, vreemd genoeg, niet zo veel’, schrijft Liesbeth Smit in de ‘open brief aan alle moeders’ waarmee haar boek Echte vrouwen krijgen een kind begint. Zij beschrijft een wereld waarin vrouwen zonder kinderen onzichtbaar zijn. Het stikt van de moeders, in de familie, in de vriendinnenkring, op het werk. Vrouwen die elkaar op één punt woordeloos begrijpen: als het gaat over ‘die van mij’. Vrouwen die, bewust of ongewild, geen kinderen hebben, die ‘een alternatieve route’ lopen, zijn óók talrijk. Smit doet hun recht in dit interessante boek.

Ik was er even stil van. Smit heeft een punt: moeders zijn de norm. De moedermagazines en ‘mommyblogs’ schreeuwen je overal tegemoet. Ontelbaar zijn de ervaringsverhalen over de schoolpleinmaffia, het balanstrutje, de helikoptermoeder, de glutenvrije zeurpiet en de loedermoeder. Zuchten en steunen over dubbele belasting en slaapgebrek, maar altijd met een vette knipoog: wat een schatjes hebben we toch.

Misschien slaat heersend moederschap één generatie over. Voor mijn moeder was moederschap de norm en vanzelfsprekend het hoofdberoep – kinderloze vrouwen waren beklagenswaardige stumperds óf kenaus. Toen ik eind jaren tachtig kinderen kreeg, was moederen iets wat je er stilzwijgend bij deed. Je moest er niet te veel over praten, want dan dachten ze op het werk dat je niet ambitieus was, of incapabel. Ook uit feministische hoek kregen moeders weinig steun: wie zo stom was om te baren moest het zelf maar weten.

Liesbeth Smit: Echte vrouwen krijgen een kind – De stille revolutie van de niet-moeder; 3 sterren; Nijgh & Van Ditmar; 208 pagina’s; € 20.

Eén ding is niet veranderd: moederschap is in de literatuur – de echte, niet die van de damesbladen – geen groots thema. Dat is raar. Als er iets is dat het leven van miljarden mensen ingrijpend verandert, is dat het krijgen van een kind. In één klap je vrije leven inruilen voor een levenslange verantwoordelijkheid, nooit meer zorgeloos zijn. En tegelijk: de ontwapenende aanwezigheid van kinderen; een grote, niet opzegbare liefde.

Het is een machtig thema, van hetzelfde gewicht als de dood, het verraad, het verlangen, enzovoort, lijkt mij. Maar ik heb er vergeefs naar gezocht, indertijd. De beste schrijfsters in de Nederlandse literatuur schrijven er zelden over. Hella Haasse bijvoorbeeld schreef alleen omfloerst en geabstraheerd over moederschap, alsof het anders te banaal was. Ik herinner me mooie verhalen over het kraambed, van Vonne van der Meer en Ethel Portnoy. Manon Uphoff, Maria Stahlie en Renate Dorrestein schreven romans die spelen in een gezin, die kerncentrale van liefde die soms ook zomaar tot ontploffing komt. Over overleden kinderen is indrukwekkend geschreven door vrouwen en mannen: Anna Enquist, Esther Jansma, Vasalis, P.F. Thomése en A.F.Th. van der Heijden.

Het is goed dat dit boekenweekthema is gekozen, al is de formulering ‘De moeder de vrouw’ ongelukkig: je denkt al gauw aan de stereotiepe moeke, ‘moeder de vrouw’. Nee, niet alle vrouwen zijn moeder, en nee, moeder zijn is géén beroep. Vader evenmin.

Óver moeders zijn bibliotheken volgeschreven. Niet zo vaak door vrouwen. Ester Naomi Perquin schreef een mooi boekenweekgedicht over de moeder, met de sterke regels ‘Je mag van haar niet dood,/ niet eens geschud, geschaafd’ en ‘Zo vaak val je tegen, zo vaak val je mee’. Het perspectief is dat van het kind, niet van de moeder. Ook in het prachtige gedicht van Vasalis over haar oude moeder is de dochter aan het woord: ‘Had ik je maar als kind gekend,/ die nu mijn kind en moeder bent.’

Veel zonen raken niet uitgeschreven over hun almachtige, alomtegenwoordige moeder. Zij is zijn eerste liefde, zijn geliefde haatobject, onuitputtelijke bron van troost en ideaalbeeld, want niemand heeft later nog zo onvoorwaardelijk van hem gehouden. Of niet natuurlijk. Dan is ze een verzakende heks en is dát het thema.

Pas laat besefte ik dat mijn beeld over moederschap was gevormd door schrijvende zonen. Door Willem Elsschot met ‘Pakt die beide handen beet,/ dient het wijf dat moeder heet’. Door Gerard Reve, over zijn dode moeder, die eindelijk uitgerust en gelukkig is: ‘Ze had kralen om die goed pasten bij haar jurk.’ Ik identificeerde me met de zonen, niet met de slovende moeders. Ik leefde mee met de volwassen ik-figuren van F.B. Hotz, die vol zelfhaat hun moeder gehoorzamen. Met kleine Portnoy van Philip Roth, die denkt dat alle vrouwen vermommingen van zijn moeder zijn.

Tijdens deze Boekenweek verschijnen interessante boeken van zonen. Dat van Marcel van Roosmalen, een keuze uit zijn columns, met moeder en zoon op het omslag, is een klassieker in het genre. De hoogbejaarde moeder, die nog steeds woont in zijn ouderlijk huis, is weduwe, en afhankelijker van haar kinderen dan ze wil toegeven. Ze pareert iedere kritiek met de onweerlegbare bewering dat haar man zaliger dit ‘zo gewild zou hebben’.

Bijna elke zin die Van Roosmalen schrijft is raak. Elke droge zin is een mengeling van irritatie, opstandigheid en berusting, en ook kregelig mededogen: ‘Mijn moeder is paniek. Paniek over verloren sleutels, brieven van de NUON, afspraken met artsen en wijkverpleegkundigen, telefoongesprekken met instanties. Iedere avond zet ze voor de zekerheid het modem uit om ’s morgens te constateren dat de televisie weer stuk is. (…) Mijn moeder is schaamte voor alles wat ik schrijf. (…) Boos weggaan op een verjaardag omdat iemand in de krant had gelezen dat haar mixer stuk was.’

Marcel van Roosmalen: Het zijn de kleine dingen die het doen; 4 sterren; Meulenhoff; 192 pagina’s; € 18,99.

Meedogenloos is de zoon niet. Hij is trots op zijn moeders onverstoorbaarheid en ergert zich aan zijn eigen ergernis. Uiteindelijk is hij een brave zoon. Als zijn moeder, op Moederdag, door de telefoon roept dat ze zich beslist niet alleen voelt, denkt hij: ‘Een lief kind was na dit gesprek meteen in de auto gesprongen.’

Moederskinderen van Jan Fontijn is een boek ‘over moeders en zonen’. De mooiste stukken gaan over de zoon die hijzelf was. Zijn moeder stierf jong aan een gruwelijke ziekte. De 17-jarige zoon was woedend, omdat ‘de liefste vrouw die ik kende dood was’. Een passage in de autobiografie van Stendhal, die als 7-jarige zijn moeder verloor, riep bij Fontijn, zestig jaar na de dood van zijn moeder, een hevig verdriet op: ‘Hoe vaak had ik als kind bij haar op schoot gezeten, de huid van haar hals geroken, mijn vingers over haar oorbellen laten gaan.’

Fontijn gaat op zoek naar de moederband bij andere schrijvende zonen: Jan Hanlo, Maurice Gilliams, Frederik van Eeden, Nietzsche, Freud, Proust en anderen. Jammer genoeg behandelt hij deze schrijvers in afzonderlijke, ietwat schoolse hoofdstukjes en niet op een organische manier verweven met zijn eigen verhaal.

Jan Fontijn: Moederskinderen – Over moeders en zonen; 3 sterren; Prometheus; 280 pagina’s; € 19,99.

De essaybundel Wolf opent met een inleiding van Maartje Laterveer, getiteld ‘Wat maakt de vrouw?’, een variant op ‘Was will das Weib?’ waarin zij zich buigt over echte en vermeende verschillen tussen man en vrouwen – een oervraag. ‘Wat mij betreft richt de feministische strijd zich niet tegen mannen, maar tegen ongelijkheid’, concludeert ze. Een keurig standpunt.

De essays van Marja Pruis en van Basje Boer zijn het spannendst. Boer roert een heikel onderwerp aan in de gelijkheidsideologie: wat het betekent om een vrouw te zijn in bed. Is niet juist het verschil opwindend? Passen meisjes zich aan jongensdromen aan? Verwarren we niet vaak begeren en begeerlijkheid? Vragen die ertoe doen. Pruis schrijft terecht: ‘De oude seksuele moraal is niet zomaar vervangen door een nieuwe, voor zover de een z’n moraal al die van een ander zou kunnen zijn. Mannen voelen zich bedreigd in hun manlijkheid, vrouwen in hun vrouwelijkheid, of juist nog vastgepind op verwachtingen en vooroordelen.’

Maartje Laterveer (samenstelling): Wolf – Dertien essays over de vrouw; 3 sterren; Atlas Contact; 208 pagina’s; € 17,50.

Ik, moeder is een bundel met dertien bijdragen over het moederschap. Tien keer (autobiografische) fictie, essays van Joke Hermsen en Neske Beks en gedichten van Anna Enquist. De schrijfsters hebben gemeen dat ze moeder zijn. Niet alle bijdragen zijn van de hoogste kwaliteit, maar ze zijn allemaal lezenswaardig. Drie verhalen springen eruit.

‘Elf’ van Sanneke van Hassel is een intiem, onsentimenteel verhaal over de band tussen moeder en zoon. De zoon wil niet meer voorgelezen worden, want hij zit in groep acht. Hij vindt zijn kleine broertje ‘echt een kutbroer’. Deze moeder had nooit over haar zonen willen schrijven, want ze was ook nog iemand buiten hen. Iemand in ‘een zelfgebouwde hut’. Nu doet ze het toch. Ze schrijft over het eeuwige schipperen: kinderen zijn een bedreiging voor haar werk –  ‘Nooit genoeg uren om te schrijven’ – maar ook haar veilige veste.

‘Niet panikeren! Ik geraak hier uit!’ Dat heeft Saskia, ik-figuur in ‘Koning en koninginnen’ van Saskia De Coster, vaak gedacht in de eerste periode met haar zoon Saul, die niet zij heeft gebaard maar haar vriendin. Het is ook een gedachte die Saul negen maanden lang in de baarmoeder kan hebben gehad. Zonder zwangerschap gaat het moeder worden abrupt. Als de vrouwen hun huis binnenstappen, met baby, beseft Saskia dat ‘dit het moment is waarop ze een andere rol uit haar hoed moet toveren’.

‘Zomer’ van Marjolijn van Heemstra roept de onrust en de ongedurigheid van de moeder van jonge kinderen bijna fysiek op. De ik-figuur richt haar frustratie over haar slapeloosheid op een fel schijnende lantaarn die gedoofd moet worden. Ze gooit het lievelingsdier van haar zoon, een lelijke plastic tijger – ‘je talisman, je eerste woord: tij-fer’ – weg en vist hem de volgende ochtend schuldig uit de vuilnisbak. Ze kent zichzelf niet terug: ‘In de dierenwereld zijn het moeders die krabben, bijten, doden om hun kinderen te beschermen. Als iets je agressief maakt is het wel moederschap.’ Wat had ik dit vroeger graag gelezen!

Annemarie de Gee en Eva Kelder (samenstelling): Ik, moeder – Verhalen; 4 sterren; Meulenhoff; 208 pagina’s; € 19.99.

Zulke verhalen maken hongerig naar nog meer verhalen en romans waarin alle uithoeken van het moederschap, ook de akelige, gênante en ongewenste, worden verkend. Moederschap verdient topliteratuur.

- Beeld -
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden