Moeder, wanneer ga je nu eens dood

De zorg voor je ouders op je nemen, is makkelijker gezegd dan gedaan, ondervindt Martina Rosenberg.

'Martina! Het spijt me ontzettend dat jij dit moet opknappen. Waren we allemaal maar dood', roept een wanhopige vader tegen zijn dochter, wanneer zijn vrouw tegenstribbelend naar de dagopvang wordt afgevoerd. Deze dochter, de Duitse journaliste Martina Rosenberg, kan hem niet tegenspreken: 'Wat moet ik daarop zeggen? Dat het wel meevalt? Of dat ik heel graag wil dat ze nog jaren leven?'

In negen jaar tijd heeft ze haar moeder door de ziekte Alzheimer zien veranderen van een lieve, zorgzame vrouw in een boze dwingeland zonder verstand. Van haar belangstellende, humoristische vader is na die negen jaar en een beroerte niet veel meer over dan een man die of zwaar depressief is of hatelijk; een man die zijn vrouw dan weer tegen haar zin uit bed sleurt, dan weer in haar rolstoel het huis uit de vrieskou in duwt: 'Hij pakt de muts en trekt hem zover over haar hoofd dat haar hele gezicht bedekt is. Daarna draait hij zich om en beent weg.'

Martina Rosenberg probeert als mantelzorger de boel bij elkaar te houden maar zinkt steeds dieper weg in een moeras van onvervulbare wensen en strijdige eisen. Het is een zorgsituatie waarin ze zonder duidelijk afspraken is beland, met als enige uitgangspunt dat de ouders elkaar ooit bezworen hebben de ander nooit in een tehuis te laten opbergen. Maar is dat een zaak van alleen de ouders?

Volwassen kinderen en hun bejaarde ouders hebben er baat bij, stelt Rosenberg, als ze tijdig klare taal met elkaar spreken over de zorg voor die ouders op termijn. Doen ze dat niet - en ze doen dat om uiteenlopende redenen zelden - dan lopen ze het risico dat hun leven een onlegbare puzzel wordt van oplopende zorg voor de hulpbehoevende ouders, zorg voor de eigen kinderen en de eisen van baan en huishouden.

In Moeder, wanneer ga je nu eens dood beschrijft ze hoe deze puzzel haar gezondheid ondermijnt en haar op het punt brengt dat ze serieus aan haar man vraagt: 'Kan ik me niet via de rechter van mijn ouders ontdoen?' Toch begon het ooit idyllisch. Toen Rosenberg met haar man en dochtertje van een langdurig verblijf in Griekenland terugkeerde naar Duitsland, leek het een goed idee het leegstaande bovenhuis van haar ouders te betrekken. Voor het dochtertje was het fijn dagelijks contact met haar grootouders te hebben. Voor de ouder wordende ouders waren de aanspraak en hulp een zegen. Kortom: de droom van iedere politicus die een participatiesamenleving propageert.

Zou het geholpen hebben als Rosenberg in dat beginstadium de klare taal gesproken had die ze anderen zo aanbeveelt? Waarschijnlijk niet, want in wezen lijkt het allemaal prima geregeld: zodra het nodig is, komt er thuiszorg en zelfs extra inwonende hulp.

Dat de situatie toch ontspoort, komt door de veranderingen die noch te voorzien noch in afgebakende zorgtaken te vangen zijn. Zoals de frustraties van twee oude mensen als ze elkaar niet meer begrijpen, de boosheid om de inbreuk op hun privacy, de nachtelijke huilbuien, de onbegrepen angsten. Hoewel Rosenberg de negen jaar zorg tamelijk ongenuanceerd beschrijft - trappen worden nooit afgelopen maar steevast afgerend, deuren niet gesloten maar dichtgeslagen - is haar boek een terechte waarschuwing tegen politiek optimisme over onderlinge zorg: er mag genoeg goede wil zijn, er is simpelweg vaak te weinig armslag om die zorg te leveren.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden