Misselijk van angst

Reportagefotograaf Jeroen Kramer is in Room 103 beangstigend eerlijk over zijn beroep. Zozeer zelfs, dat je je kunt afvragen of hij nog wel fotojournalist kan blijven....

‘Doe maar gewoon alsof ik er niet ben!’ zei ik tegen het kind dat van de honger aan het sterven was en dat ik probeerde te fotograferen. (...) Ik gaf hem nog een uur of drie, hoogstens vier. De lichtinval en de stand van de zon zouden fotografisch gezien interessanter zijn geweest indien hij nog vijf uur zou blijven leven, maar dat risico durfde ik niet te nemen. Ik wou hem stervend portretteren. Niet gestorven, want dat kan iedereen.’

In Problemski Hotel schetst de Vlaamse schrijver Dimitri Verhulst een niet al te fraai beeld van een reportagefotograaf. Zonder een spoor van compassie voor het lijden van anderen jaagt hij in de jaren tachtig in Somalië op dat ene moment waarop hij zal weten, zal voelen, dat hij ‘dé foto’ maakt. ‘Die foto die mijn grote doorbraak zou inluiden, waardoor ik mijn marktwaarde kon opdrijven, die het mij zou toestaan de grote baas van Reuters te vragen of hij mij eens terug kon bellen wanneer het mij beter paste.’

Over de persfotograaf, en dan voornamelijk degene die werkzaam is in buitenlandse, roerige gebieden, bestaan nogal uiteenlopende denkbeelden. ‘Clichés’ is een beter woord misschien. Het ene cliché is dat van de overdreven gewetenloze, vaak witte, westerse fotograaf, uit op eigen gewin over de ruggen van anderen. Het andere cliché is dat van de bijna heilig verklaarde fotograaf die met gevaar voor eigen leven de misstanden in de wereld vastlegt.

Beide beelden zijn hardnekkig. Sommigen zullen er ongetwijfeld aan beantwoorden, maar natuurlijk kan lang niet elke persfotograaf op die simpele manier worden gedefinieerd. Hoe is het nu écht wanneer je leven bestaat uit reizen, van de ene brandhaard naar de andere, en fotograferen, de ene ramp, ontploffing, oorlog na de andere?

Dat Jeroen Kramer (1967) een algemeen geldend antwoord op deze vraag heeft willen geven in zijn allereerste boek Room 103 is niet erg waarschijnlijk. Dit is Kramers eigen, persoonlijke beleving van dat wat hij zijn vak mag noemen sinds 2001, toen hij vanuit Frankrijk, waar hij Rechten en Franse Literatuur studeerde, naar Syrië verhuisde, om in de jaren daarna vanuit Damascus en later Beiroet, Libanon, verslag te doen van gebeurtenissen in het Midden-Oosten.

Maak er een zo eerlijk mogelijk boek van, had zijn eindredacteur, Wim Melis van Noorderlicht, waar Room 103 is verschenen, van tevoren gezegd. Anders werkt het niet. En dat advies heeft Jeroen Kramer ter harte genomen. Hij is zelfs zo beangstigend eerlijk geweest in dit eerste boek, zowel in tekst als in beeld, dat je je kunt afvragen of hij hierna nog een tweede kan uitbrengen – en zelfs: of hij überhaupt wel fotojournalist kan blijven. Niet omdat hij bij tijd en wijle een beetje twijfelt aan zijn beroepskeuze – want dat doet iedereen wel eens en vaak pakt die aarzeling alleen maar goed uit – maar omdat hij zijn bestaan als fotojournalist, en daarmee ook zichzelf, hartgrondig lijkt te haten.

Room 103, geen dikke pil, maar een bescheiden en simpel vormgegeven publicatie, heeft een dagboekachtig karakter. Foto’s van oorlog, liefde, vriendschap en het dagelijkse leven in de steden waar Kramer woont en werkt staan dwars door elkaar heen, zonder directe tekst en uitleg, en zijn steeds heel verschillend van stijl en sfeer. Het zijn ook – dat voel je – Kramers persoonlijke favorieten.

Een jongetje dat pamfletten verzamelt, waarin het Israëlische leger de Libanese bevolking waarschuwt voor bombardementen (een fris, monter beeld eigenlijk, dat niet strookt met de dreiging die het zou moeten uitstralen, omdat het lijkt of het jongetje tegen een blauwe hemel gevuld met feestconfetti staat) wordt gecombineerd met een zwart-wit foto van, waarschijnlijk, een vriend van de fotograaf, die uiterst nonchalant een neppistool vasthoudt op wat lijkt op een feestje. Een paar bladzijden verder plaatste Kramer een foto van een ernstig gewonde jongen naast het grofkorrelige beeld van jonge, halfnaakte Syrische mannen die ontspannen in een hamman.

Tussen die uiteenlopende beelden, die af en toe naar adem doen happen omdat ze zo ongegeneerd en bijna (zo lijkt het) zorgeloos zijn gecombineerd, staan teksten. Niet te veel, niet te weinig, niet te lang, niet te kort. Het zijn autobiografische teksten die tegelijkertijd onderhoudend, grappig en tragisch zijn. Jeroen Kramer vertelt, zonder al te veel details en vooral zonder politieke of godsdienstige oordelen, over vriendschappen, zoals met de Syrische Khaled, die een wijsvinger heeft die niet kan buigen, nauwelijks iets over zichzelf vertelt en desondanks een trouwe vriend is. Of over een man die de bijnaam The Brain had, in zijn huis werd doodgeschoten en levenloos op straat werd achtergelaten, waar Jeroen Kramer hem later, een sigaret rokend, observeerde.

‘Alles wat hij was, lag daar voor me, op de stoep: zijn eerste momenten, zijn moeder, zijn jeugd, zijn dromen, zijn falen en zijn overwinningen, zijn waarheid en zijn leugens. En ik staarde terug naar hem.’ Het is alsof de aanblik van de vermoorde man Kramer niet veel doet, hij trekt een muur op van sigarettenrook. Maar hij denkt, zo schrijft hij, nog vaak aan The Brain – en ook de foto’s in Room 103 wijzen erop dat de fotograaf geenszins gevoel- of gewetenloos is, omdat hij met evenveel overgave de liefde tussen twee mensen uit Damascus vastlegde als de kapot geschoten gebouwen van Libanon.

Of hij zijn camera ook heeft gericht op The Brain terwijl die daar dood op straat lag, wordt niet vermeld, en in het boek is nergens de foto te vinden die je als lezer in je hoofd van de aanblik hebt gemaakt. Over fotografie gaat het in die teksten überhaupt zijdelings, een beetje langs de neus weg, heel persoonlijk, en zeker zonder allerlei theoretische bespiegelingen. Misschien zou je verwachten dat Kramer het essay van Susan Sontag erbij had gehaald, Regarding the pain of others uit 2003, waarin de Amerikaanse filosofe probeert te analyseren waarom wij toch zo graag naar andermans lijden kijken, en hoe tegelijkertijd de overvloed aan gruwelijke beelden ons onverschillig maakt voor de smart van een ander.

Of dat hij op zijn minst iemand anders een inleiding had laten schrijven, over de manier waarop pers- en oorlogsfotografen, en de media in het algemeen, omgaan met fotografische ethiek, met wat ze wel en niet kunnen tonen. Over hoe goed het is dat zij doen wat ze doen: de wereld informeren over misstanden, en misverstanden corrigeren – om zichzelf enigszins een kader te geven, en wellicht een soort excuus voor wat hij zelf bijna als verachtelijk werk beschouwt. Maar dat heeft Jeroen Kramer niet gedaan, hij bleef dicht bij zichzelf. En gelukkig maar. Daar is Room 103 het boek niet naar. Bovendien is Kramer blijkbaar niet iemand die het zichzelf gemakkelijk maakt.

Niet dat die denkbeelden over de verbintenis tussen fotografie en dood, tussen fotografie en pijn, en over de moraal ervan, niet aanwezig zijn. Tussen de regels kom je ze tegen. Zo beschrijft Kramer hoe hij tijdens een vuurgevecht in de straten van Bagdad misselijk van angst richting het gevaar rent. Hij ziet een man in een auto, beschoten door de voorruit. Hij is gorgelend aan het doodgaan. Het moment dat Kramer hem fotografeert, beschrijft de fotograaf niet (spreekt dat voor zichzelf of was het te confronterend om te doen?), hij vertelt alleen hoe hij later de foto’s van de dode man opbergt in zijn computer in het mapje ‘niet sturen’.

‘Ik heb geen idee wie hij is en waarom hij is doodgeschoten, en daarom is de foto onbruikbaar’, schrijft hij. Hij bedoelt natuurlijk: onbruikbaar voor zijn opdrachtgevers, kranten, tijdschriften, websites, die harde feiten willen weten. Voor Room 103, dat persoonlijke relaas, was de foto echter wel geschikt. Kramer plaatste hem nadrukkelijk niet bij de tekst, maar veel eerder in het boek, naast een foto van een mannelijke Libanese stripper die zichzelf bekijkt in de spiegel van zijn kleedkamer.

Daarmee krijgt de dode man zijn identiteit niet terug, laat staan zijn leven. Zijn nieuwe functie is puur fotografisch geworden; in een nieuwe context vertelt hij over de manier waarop Jeroen Kramer een beeld probeert te geven van zowel de tegenstrijdigheden in het Midden-Oosten, als die in zijn eigen hoofd.

Room 103 eindigt met een tekst over zelfhaat, waarin Kramer vertelt hoe hij een e-mail aan zijn eindredacteur schrijft. ‘In de e-mail (. . .) benadrukte ik steeds opnieuw hoezeer ik mezelf haatte. Hoe weinig het me allemaal uitmaakte. Ik wees erop, meedogenloos, hoe het luisteren naar lijdensverhalen me verveelde. (. . .) Hoeveel voldoening ik ook uit mijn werk haal, ik eindig altijd met het gevoel dat ik profiteer van het lijden van anderen, wat weer tot meer zelfhaat leidt. En uiteindelijk haat ik alles aan mezelf, inclusief mijn foto’s en mijn naam.’

In Syrië, schrijft hij, kan men zijn eerste naam niet uitspreken. Daarom noemt men hem vaak bij zijn tweede: Robert. Dat bevalt hem, het is alsof hij daarmee een nieuwe identiteit krijgt. En eigenlijk nog beter was het tijdens zijn verblijf in Bagdad, tijdens de oorlog. Daar sprak het hotelpersoneel hem gewoon aan met ‘103’, het nummer van zijn hotelkamer – nu de titel van zijn eerste boek. Anoniemer dan dat wordt het niet.

Let wel. Room 103 is geen therapeutische sessie, noch een destructieve klaagzang die bol staat van de valse bescheidenheid. Kramer zal ongetwijfeld beseffen dat hij bij lange na niet anoniem is wanneer hij onder zijn eigen naam een boek uitbrengt met foto’s waarvan het copyright én de verantwoordelijkheid ervoor bij hem persoonlijk berusten. Zich willen verschuilen is misschien een begrijpelijke reactie, maar een die geen enkele zin heeft. Het is ook niet nodig.

In al zijn eerlijkheid voldoet hij noch aan het beeld van de fotojournalist zoals dat door Dimitri Verhulst wordt neergezet, noch aan dat van de immer goed bedoelende, politiek correcte fotograaf. Jeroen Kramer komt in zijn boek veeleer naar voren als een gewoon, echt mens, met herkenbare angsten en gedachten – en dat leverde een prachtig boek op. De vraag is nu alleen: Weet Kramer dat zelf ook?

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden