Minuten uit het leven van een brug

De kunstenaars wier werk is te zien op de tentoonstelling ‘Questioning History’ weten dat beelden kunnen worden gemanipuleerd – ze buigen ook hun eigen beelden tot een eigen versie van de werkelijkheid om te laten zien hoe makkelijk we ons voor de gek laten houden....

Soms is de geschiedenis te mooi om er niets mee te doen. In 1890 stapte Louis Aimé Augustin Le Prince, uitvinder, aan boord van de trein Dijon-Parijs. Had hij dat niet gedaan, dan was Le Prince naar alle waarschijnlijkheid de geschiedenis ingegaan als de uitvinder van de bewegende film, vijf jaar voordat de gebroeders Lumière die rol op zich namen. Le Prince kwam nooit aan in Parijs. Het was alsof hij van de aardbodem was verdwenen. Van zowel zijn bagage als zijn lichaam werd geen spoor gevonden, totdat, ruim een eeuw later, in een politiearchief een foto opdook van een verdronken man, van wie wordt aangenomen dat het Le Prince was.

Dit verhaal is het uitgangspunt van de korte 16-mm film van kunstenaar Matthew Buckingham (1963). False Future, vorig jaar gemaakt, toont een kleurenopname van een brug in Leeds, Engeland. Er rijden wat auto’s over de brug, er lopen een paar mensen, veel gebeurt er niet. Niet méér in elk geval dan op het filmpje dat Le Prince in 1888 op precies dezelfde plek maakte, in zwart-wit uiteraard, en zonder auto’s. Een opname die met de vroegtijdige dood van de Franse uitvinder in de vergetelheid is geraakt, maar die eigenlijk de allereerste bewegende filmbeelden vormen, vijf jaar ouder dus dan dat wereldberoemde filmpje waarin arbeiders de Lumière-fabriek komen uitlopen. Voorlopig in elk geval.

False Future is te zien op de tentoonstelling Questioning History in het Nederlands Fotomuseum, samengesteld door kunsthistoricus en tentoonstellingsmaker Frank van der Stok. Deze grote groepstentoonstelling, met (nieuw) werk van onder anderen de Nederlander Bik Van der Pol, de Duitser Thomas Demand, de Duits-Nederlandse Suzanne Krieman, de Fransman Luc Delayaye en de recente winnaar van de Vincent Award, Deimantas Narkevicius uit Litouwen, onderzoekt de verschillende methoden die kunstenaars/fotografen toepassen om het verleden te verbeelden. Dat die verbeelding met de komst van de nieuwe media, en vooral de massamedia, een behoorlijke vlucht heeft genomen, mag duidelijk zijn. Bovendien staan de geschiedenis en de beleving ervan bij een heleboel, voornamelijk jonge kunstenaars, zoals Narkevicius, alweer een tijdje volop in de belangstelling. In Questioning History, alsmede in de voor de gelegenheid verschenen en gelijknamige essaybundel, wordt daar uitgebreid bij stilgestaan.

Hoe krijgt in de kunst de geschiedenis vorm? Die vraag roept weer andere vragen op, die tijdens het bekijken van de tentoonstelling en het lezen van het boek als sneeuwvlokken ronddwarrelen. Letten kunstenaars op andere dingen, gebruiken ze andere referenties dan historici? In hoeverre verschilt die ‘kunstgeschiedenis’ van de ‘gangbare’ geschiedenis – of is het sowieso al hopeloos ouderwets om te spreken van één officiële lezing van het verleden? In het licht van die vragen is het interessant om nog eens te kijken naar de film van Matthew Buckingham, die je als een van de eerste werken tegenkomt wanneer je de tentoonstellingsruimte betreedt. In welke mal heeft Buckingham de geschiedenis gegoten?

In False Future vertelt een Franse voice-over het korte levensverhaal van Louis Le Prince. Dat spreekt natuurlijk al tot de verbeelding vanwege zijn mysterieuze, thrillerachtige elementen (je ziet de Sherlock Holmes-verfilming al voor je: Murder on the train, met de gebroeders Lumière als jaloerse hoofdverdachten). Die voice-over gebruikt de faux future, een Franse werkwoordsvorm waarmee kan worden geveinsd dat het nog onbekend is hoe het met de hoofdrolspeler afloopt, terwijl die geschiedenis in feite al lang bekend is. Een beetje zoals handelen met voorkennis dus. Dat geeft tijdens het verloop van de film de sensatie alsof alles nog open ligt, alsof er nog iets kan gebeuren waardoor Le Prince zijn noodlot kan ontlopen.

Daarbij verwijst Buckingham, door op precies dezelfde plek te gaan filmen als Le Prince ooit deed, naar het principe van de rephotography. Dit is een nogal strenge ‘leer’, ontstaan in de jaren zeventig, waarbij de fotograaf een object (meestal een gebouw of een plek in de stad) fotografeert, naar analogie van een eerder genomen foto of een prent. Het is een manier om het ‘toen en nu’ van een plaats met elkaar te vergelijken, en tegelijkertijd vertelt die methode iets over de geschiedenis en de ontwikkeling van het medium, in de meeste gevallen de fotografie.

Dit zijn verschillende manieren om de geschiedenis in een kunstwerk te vatten. Buckingham is dicht bij het oorspronkelijke beeldmateriaal gebleven, net als op de tentoonstelling ook de Canadese kunstenaar Vid Ingelevics en Suzanne Kriemann hebben gedaan. Ook zij ‘hercreëerden’ dat beeldmateriaal zo getrouw mogelijk. Ingelevics door een vergeten fototentoonstelling, gehouden in 1951 in het Metropolitan Museum of Art in New York, in ere te herstellen. Hij richtte een apart museumzaaltje in, waar aan de muren uitvergrote zwart-wit kopieën hangen van de enige foto’s die zijn overgebleven van de expositie die Edward Milla, hoofdfotograaf van het museum, uit eigen werk samenstelde.

Kriemann gebruikte oud fotomateriaal van het Schwerbebelastungskörper in Berlijn, en vermengde dat met haar eigen foto’s. Haar fotoboek toont de betonnen cilinder, van niet minder dan 12.650.000 kilo, in 1941 ontworpen door Albert Speer om te testen of de Berlijnse grond de bouw van Hauptstadt Germania wel aankon, in diverse stadia van aanbouw. Kijk ernaar en het lijkt alsof het angstaanjagende ding gisteren nog in de steigers stond.

Als één idee niet langer van belang is, dan is dat wel dat er sprake zou zijn van één geschiedenis, of in elk geval een eenduidige lezing ervan. Dat tonen al die kunstenaars op Questioning History met hun verschillende interpretaties en interesses ragfijn aan. En eigenlijk weten we dat ook al lang, al minstens zo lang als mensen als Geert Mak de geschiedenis niet aan de hand van grote, maar van kleine verhalen over anonieme, ‘onbelangrijke’ mensen vertellen. Of werden die kleine geschiedenissen belangrijk op het moment dat fotografie en film hun intrede deden, zo halverwege de 19de eeuw?

We keren nog een keer terug naar de 16-mm film van Matthew Buckingham. Op een gegeven moment stelt de voice-over de vraag hoe de filmgeschiedenis eruit zou hebben gezien, als Louis Le Prince was blijven leven. Welke filmbeelden hadden we nu tot onze beschikking gehad als de filmgeschiedenis vijf jaar eerder was begonnen dan ze nu officieel begint? De stem noemt een aantal grootste, geschiedkundige gebeurtenissen op, maar lijkt grappig genoeg voorbij te gaan aan het feit dat de allereerste filmbeelden en de allereerste foto’s zoveel aandacht kregen omdat ze alledaagse, voor de ‘kleine man’ herkenbare taferelen vastlegden.

Le Prince legde een aantal minuten uit het leven van een brug in Leeds vast. De eerste officiële filmvertoning van de gebroeders Lumière in 1895 bestond uit een aantal korte ‘actualités’, eigenlijk de eerste documentaires, waaronder een opname van een paar vissers, een baby die zijn ontbijt naar binnen werkt, en vier mannen die om beurten de zee in duiken. En een van de eerste foto’s die de Engelse fotograaf Henry Fox Talbot rond 1844 maakte, toonde het zonlicht op de schuurdeur in zijn tuin.

Grootse geschiedschrijving? Nee. Maar wel uitermate belangrijk, niet alleen vanwege de gedetailleerde informatie die uit deze beelden is te destilleren, maar ook omdat in die eerste ‘waarheidsgetrouwe’ en amateuristische opnamen de democratische aard van deze nieuwe media besloten lag. Waren film en fotografie er niet geweest om een hele eeuw, de 20ste, voor het eerst in haar geheel vast te leggen, dan hadden we nu een radicaal ander beeld van van alles wat tussen 1900 en 2000 is gebeurd.

Dat lijkt een open deur. Maar het relatieve gemak waarmee al heel lang ‘even snel’ een foto kan worden genomen, heeft er wel toe geleid dat ons beeld van bijvoorbeeld het einde van de Tweede Wereldoorlog niet alleen wordt bepaald door foto’s van wegtrekkende troepen en gebombardeerde steden, maar ook door dat ene iconische beeld van fotografe Lee Miller. Daar zit ze, bloot in Hitlers badkuip, in diens verlaten appartement in München. Die dolle, voor de wereldgeschiedenis verder weinig belangrijke actie, gevoed door een combinatie van haat en een plotseling opkomend machtsgevoel, werd in een ogenblik voor eeuwig vastgelegd door haar collega Dave Scherman.

Op Questioning History verwijzen meerdere werken naar de kracht van dit soort ‘kleine’ beelden, die méér dan de geschiedenis zelf de symboliek van de geschiedenis uitdragen. Bij Gert-Jan Kocken, bekend geworden met monumentale foto’s van rampplekken waarop van de ramp niets meer te zien is, zit die verwijzing in het gebaar, de handeling van het fotograferen zelf, in dit geval het vastleggen van wat de fotograaf ‘kantelmomenten’ in de geschiedenis noemt. Kocken legde onder andere een stafkaart uit de Eerste Wereldoorlog vast, waarop vette vingers rond Ieper in West-Vlaanderen de slachtingen rondom deze stad weergeven, alsook een aquarel gemaakt door Adolf Hitler, op grond waarvan de man voor de tweede keer werd afgewezen door de kunstacademie van Wenen in 1908.

Kocken fotografeerde de documenten zo, dat zowel de aquarel als de stafkaart helemaal samenvallen met de foto. Er zit geen extra laag tussen, geen interpretatie van de fotograaf, geen kijkrichting, niets. De foto’s zijn een op een vertalingen, of ‘spiegels’, in de woorden van samensteller Frank van der Stok. Wat ze belangrijk maakt, is het feit dat ze iets documenteren wat de meesten van ons nooit met eigen ogen zullen zien. Dat ze zijn gemáákt en worden opgenomen in die massa van beelden waaruit toekomstige beeldkunstenaars eventueel weer kunnen putten. Dat die beelden zelf geschiedenis worden eigenlijk.

Op de foto’s van Thomas Demand uit Duitsland zit die extra laag er wel. Dubbel zelfs. Ook zijn werk verwijst naar de kracht van het kleine, ‘onbelangrijke’, maar o zo symbolische beeld. Voor Gate gebruikte Demand nota bene een foto die werd gemaakt door een bewakingscamera op 11 september 2001 op Boston Logan Airport. Het beeld is zo onpersoonlijk als maar kan, gemaakt door een machine, gewoon omdat die dat kan en doet, maar toont wel het beveiligingspoortje waar Mohammed Atta zonder problemen doorheen liep, op weg naar een van de vliegtuigen die zich wat later op de ochtend in een WTC-toren zou boren.

Die foto hangt hier niet – tenminste, niet het origineel. Maquettebouwer Demand knutselde naar aanleiding van die foto dat beveiligingspoortje zo precies mogelijk in elkaar, met karton en kunststof, fotografeerde het vanuit precies dezelfde hoek (goed beschouwd ook een vorm van re-photography) en noemde zijn foto heel neutraal Gate (2004). Tekst en uitleg geeft hij niet. Daarmee gaf hij het beeld zijn oorspronkelijke neutraliteit en onbenulligheid terug – voor even dan. Want kent de kijker het verhaal erachter, dan komt de foto dubbel zo hard aan.

Betekent dit alles dat uit Questioning History een grenzeloos vertrouwen in fotografische en filmische beelden spreekt? Dat kunstenaars behalve in de kracht van het massamediumbeeld ook onwankelbaar geloven in de waarheidsgetrouwheid ervan? Nee. Of liever gezegd: juist niet. Maar net zoals ze volop weet hebben dat beelden eindeloos kunnen worden gemanipuleerd, verdraaien en buigen ze hun eigen beelden ook net zo lang tot ze hun eigen versie van de werkelijkheid, van de geschiedenis hebben vormgegeven, met als voornaamste doel: aantonen hoe makkelijk onze ogen voor de gek kunnen worden gehouden.

De Franse fotograaf Luc Delahaye photoshopte op razend knappe wijze panoramafoto’s van ‘belangrijke’ momenten in elkaar. Zijn werk is verbluffend, maar het besef dat die momenten nooit hebben plaatsgevonden, daalt pas een hele tijd later in. Nee, dan Deimantas Narkevicius. In de korte film Once in the XX Century (2004) bewerkte hij een bestaand filmpje van het onder luid gejuich neerhalen van een enorm beeld van Lenin op een plein in Vilnius zo, dat het lijkt alsof het beeld er juist wordt neergezet. Het communisme maakt zijn rentree anno 2004. Je gelooft je ogen niet, en toch gebeurt het. Mensen staan te juichen, en Lenins kapotte bronzen benen smelten op miraculeuze wijze weer aan elkaar. Voor Narkevicius is de geschiedenis niet heilig meer – de geschiedenis is zijn speeltuin.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden