Minnen is sterven

Een ‘glorieus wijf’ was de 13de-eeuwse mystica Hadewijch, die de eerste dichtbundel in de Nederlandse taal schreef, en nog altijd moderne dichters inspireert. Hoe liefde in extase de liefde bemint.

Liefde is een sacraal verschijnsel. Weliswaar is het een wonderlijke cocktail van hormonen die levende wezens ertoe aanzet zich voort te planten, maar de gevoelens die deze fysieke processen begeleiden, roepen – althans bij mensen – de illusie op dat het mogelijk is ook spiritueel met de ander te versmelten.

Wie verliefd is beschouwt zijn beminde als uniek en zichzelf als uitverkoren en meent dat er in de geschiedenis van de mensheid nooit dieper hartstocht heeft bestaan dan in dit specifieke geval. Liefde sublimeert lust tot edele opofferingsgezindheid. De geliefde heeft een goddelijke status, is elders en onbereikbaar, maar tegelijkertijd lijken de twee betrokken zielen op ogenblikken van extase bijna in elkaar over te vloeien. Er is geen onderscheid meer tussen subject en object. Om in de ander op te gaan dien je jezelf te verliezen. Minnen is sterven, is opgeheven worden. Echte eenwording is echter slechts in theorie bereikbaar. In feite kom je zelden verder dan een brandend verlangen dat nooit helemaal bevredigd wordt. In de drang tot totale overgave kan het voorwerp van liefde, juist omdat je het nooit volledig kunt bezitten, op de achtergrond geraken. De liefde zelf wordt dan datgene waarop je verliefd bent.

Zuster Hadewijch

    Hoewel sinds de twintigste eeuw ettelijke onderzoekers zich in Hadewijch hebben verdiept, is er nog altijd weinig of nietsover haar leven bekend. Ze werd omstreeks 1200 geboren in de provincie Brabant, leefde in de omgeving van Antwerpen, en is vermoedelijk rond 1250 overleden. Zeshonderd jaar na haar dood verscheen voor het eerst een gedrukte uitgave van haar teksten: Werken van Zuster Hadewijch (1875).
    Het nu verschenen Liederen is het eerste deel van Hadewijchs Verzameld werk bij de Historische Uitgeverij. Het tweede deel Visioenen verschijnt in 2010, het jaar daarop volgt het slotdeel, Brieven. Beide uitgaven krijgen een omvang van circa 256 pagina’s en zullen omstreeks 30 euro kosten.
    De drie delen staan onder redactie van Frank Willaert (1952), hoogleraar oudere Nederlandse letterkunde aan de Universiteit Antwerpen, en Veerle Fraeters (1963), docent Middelnederlandse letterkunde aan de Universiteit Antwerpen. Ze baseren hun editie op de oudst bekende handschriften van Hadewijchs teksten, en voorzien de oorspronkelijke Middelnederlandse tekst van een vertaling in modern Nederlands, inleidingen en commentaar.
]]>Het is niet verwonderlijk dat religie, die immers een overgave aan het mysterie veronderstelt, vaak een erotisch aspect heeft. De Pythia (orakelpriesteres) in Delphi begint te profeteren zodra zij voelt dat Apollo in haar is gekomen, offerdieren zijn bij voorkeur maagdelijk, het ploegen van Moeder Aarde maakt penetratie door een hemelgod mogelijk, Jezus predikt liefde en biedt zijn lichaam ter consumptie aan. Legio zijn de verhalen over bruiden van Christus die zo hartstochtelijk naar hun ongenaakbare geliefde verlangden, dat ze tijdens de eucharistie hysterisch werden of bezwijmden. En het is nog niet zo lang geleden dat Gerard Reve voor een schandaal zorgde door een visioen te beschrijven waarin hij het bed deelt met God in de gedaante van een ‘éénjarige, muisgrijze Ezel’. Het is een hilarische, maar ook door wanhoop getekende scène, die zich wel van schrijnende ironie moet bedienen omdat het godsverlangen anders ondraaglijk is.

Mystiek
Het streven naar eenwording met het goddelijke wordt aangeduid met de term mystiek. We kennen de unio mystica uit mededelingen van uiteenlopende denkers, dwepers en kunstenaars, van de neoplatonist Plotinos tot Therèse van Lisieux, van Johannes van het Kruis tot John Coltrane, maar het zwaartepunt van de Europese mystiek ligt toch in de Middeleeuwen.

Bernard van Clairvaux (1090-1153) geldt als grote aanjager van de spirituele erotiek, onder meer door zijn als jazzimprovisaties uitwaaierende preken over het Hooglied, vervolgens zien we hoe Hildegard von Bingen (1098-1179) intensieve contacten met God onderhoudt, in visioenen die door medici wel worden toegeschreven aan migraine. Vanaf de dertiende eeuw lijkt er een ware hausse aan mystieke literatuur te ontstaan. Opmerkelijk is dat de mystieke beweging, als je het zo mag noemen, vooral gedragen wordt door vrouwen die zich in de marge van de kerkelijke instituties bevinden, en dat de belangrijkste teksten niet in het Latijn zijn geschreven, maar in volkstalen. Bekende figuren zijn Meister Eckhart (vertaald door de dichter C.O. Jellema) en Jan van Ruusbroec, beiden uit het begin van de veertiende eeuw, maar het meest overrompelende mystieke oeuvre staat op naam van Hadewijch, die vermoedelijk halverwege de dertiende eeuw actief was. Internationaal wordt deze vrouw, van wie we vrijwel niets weten, beschouwd als een volstrekt unieke verschijning in de literatuur van de Middeleeuwen.

Begijn
Hadewijch leefde hoogstwaarschijnlijk als begijn in een kring van gelijkgestemde vrouwen, die zich in de buurt van Antwerpen wijdden aan religieuze contemplatie en goede werken. Ze sprak behalve Nederlands zeker ook Frans, en uit haar werk blijkt dat ze vertrouwd was met de theologische literatuur van haar tijd, die vanzelfsprekend in het Latijn was geschreven. Ze kende de liefdeslyriek van de Noord-Franse trouvères, ze had ongetwijfeld ridderromans gelezen en ze lijkt te refereren aan een gedicht van de Limburger Henric van Veldeke.

Haar werk, dat in enkele handschriften als een samenhangend corpus is overgeleverd, valt grofweg uiteen in drie gedeelten, die elkaars complement vormen. Allereerst is er een zorgvuldig opgebouwde verzameling van prozateksten waarin mystieke visioenen worden beschreven, daarnaast hebben we enkele tientallen brieven, maar haar uitzonderlijke positie dankt Hadewijch vooral aan de vijfenveertig liefdesgedichten, die pas bij zorgvuldige lectuur hun religieuze karakter prijsgeven. Traditioneel worden ze aangeduid als ‘strofische gedichten’, maar de Utrechtse musicoloog Louis Peter Grijp heeft in 1992 overtuigend aangetoond dat de teksten bedoeld waren om te worden gezongen. Vandaar dat de deze week verschenen monumentale editie, die het eerste deel vormt van wat een complete uitgave van Hadewijchs verzameld werk moet worden, de titel Liederen draagt. Het boek gaat vergezeld van vier cd’s waarop de negentien liederen waarvan de vermoedelijke melodie is achterhaald, zonder begeleiding door één of twee vrouwenstemmen worden gezongen; de overige gedichten worden voorgedragen.

Eerste gedichtenbundel
De verzameling Liederen kan beschouwd worden als de eerste gedichtenbundel uit de Nederlandse literatuur. Over de compositie ervan wordt in kringen van mediëvisten nog gebakkeleid, maar het is onmiskenbaar dat het eerste en het laatste gedicht doelbewust op die positie zijn geplaatst. Voor de vorm van de liederen heeft Hadewijch zich vooral laten inspireren door het werk van de Noord-Franse trouvères, dat weer teruggaat op de lyriek van de Occitaanse troubadours, zoals die zich vanaf het begin van de twaalfde eeuw in Zuid-Frankrijk en Noord-Spanje ontwikkelde.

In strofen met ingenieuze rijmpatronen, virtuoze zinsconstructies en duizelingwekkende woordspelingen bezongen de Occitaanse en Franse dichters het verlangen naar een onbereikbare dame die tiranniek de scepter zwaaide over hun hart. Veel twaalfde-eeuwse liefdesliederen beginnen met een zogeheten Natureingang, doorgaans een evocatie van de lente, die niet alleen de vogeltjes doet zingen en bloesems doet ontluiken, maar ook bij de dichter erotische verwachtingen wekt. Het is een geniale gedachte van Hadewijch geweest die beproefde literaire vorm te gebruiken voor haar mystieke poëzie.

Minne
Het sleutelbegrip in Hadewijchs werk is de ‘minne’, een woord dat op verschillende manieren geïnterpreteerd wordt. Minne is liefde voor God en vereist totale toewijding, maar het merkwaardige is dat de zo hevig beminde zelden wordt aangeduid. Sterker nog, het lijkt erop dat de minne zelf het object van minne is: Hadewijch is verliefd op de verliefdheid. Het zesde lied opent met de komst van maart, wanneer ‘alle crude ontspringen’ en groen worden. Evenzo, zegt Hadewijch, ontwaakt de minne, die alles wil verkrijgen,

ende werden in minne soe coene,dat si hare al in minnen gheveende minne met minnen leve.

(en in minne zo dapper worden dat ze zich helemaal aan minne overgeeft en als minne met minne leeft.) Maar het verlangen is fundamenteel onvervulbaar:

Waer vinde ic der minnen iet– die mi ute mi doet dolen – na miere herten genoeghen,dat iet suete mine pine?
Al volch ik hare, si vliet.

(Waar vind ik van de minne – die me buiten mezelf brengt – iets dat mijn hart bevredigt, zodat mijn pijn wat verzacht? Al volg ik haar, ze vlucht.)

Soms ondergaat Hadewijch een extatisch moment waarop de eenwording zich bijna voltrekt. In haar visioenen duidt ze die huiveringwekkende staat van vervoering aan als ‘orewoet’. Ook in de liederen komen we dat begrip, waarvan de etymologie onduidelijk is, tegen:

Mi smelten mine sinnein minnen orewoede.Die afgront daer si mi in sendedie es dieper dan die zee,want hare nuwe diepe afgronde,die vernuwet mi die wonde.

Oorlogvoering
Minnen is ook een vorm van oorlogvoering. De Romeinse dichter Ovidius, die in de Middeleeuwen veel gelezen werd, geldt als de bedenker van ‘liefdes krijgsdienst’ (militia amoris). Het motief van de martiale minnaar die met moed, trouw en listen zijn geliefde tracht te veroveren, is in de Occitaanse en Noord-Franse lyriek dan ook alomtegenwoordig. Ook Hadewijch denkt geregeld in ridderlijke termen, maar meestal gebeurt dat zeer subtiel. De mooiste omgang die minne zich kan voorstellen, aldus het achtste lied, is dat lief zijn lief zo door en door bemint en dat lief zijn lief met minne zo doorzoekt dat hij niets anders meer weet dan: ‘Ic ben die minne met minnen verwint’ (ik ben degene die minne met minne overwint). Maar de grootste triomf behaalt hij die in zijn overwinning te gronde gaat: ‘Mer hi waer meer verwonnen die minne vervochte / ende dan in minne te nieute werden mochte.’

In kringen van mystici moet Hadewijch al vroeg een grote faam gehad hebben. Ze stond door correspondentie vermoedelijk in nauw contact met zielsverwanten in de Nederlanden, Duitsland en Frankrijk. In de Limburgse sermoenen, een verzameling preken uit de vroege veertiende eeuw, vinden we fragmenten uit haar brieven terug, en Jan van Leeuwen, de kok uit het klooster Groenendaal waar Jan van Ruusbroec werkte, noemt haar een ‘heylich glorieus wijf’.

Defensief
Onder invloed van reformatie en contrareformatie wordt de mystiek vanaf de zestiende eeuw lange tijd in het defensief gedrongen, want een onbeheersbaar verschijnsel als orewoet voegt zich niet naar welke dogmatiek ook. Maar na het ontstaan van ‘bevindelijke’ kerkgenootschappen, de ontdekking van Oosterse filosofie (bij Schopenhauer) en de exploratie van het onbewuste (bij Nietzsche en Freud) is mystiek weer helemaal terug, zij het vaak in een vercommercialiseerde vorm.

Opmerkelijk is Hadewijchs aanwezigheid als inspiratiebron in moderne literatuur. Zij kan ingezet worden als feministisch rolmodel, maar fungeert in de poëzie van H.C. ten Berge bijvoorbeeld ook als icoon van dionysische erotiek. In diens recentelijk verschenen Hollandse sermoenen lezen we:

‘Strek je uit in wilde tuinen, drentel
tussen stugge vrouwen die vertraagd

en onverwacht, bi der minnen woet,
ontketend raken als Bacchanten.’

En in De Dame van de Tapisserie, de laatste bundel van Jacques Hamelink, is zelfs een complete afdeling van negen gedichten aan Hadewijch gewijd. De reeks opent met deze strofen:

Ellendig wijf dat moest op de min neteren, om minne moest alles ver- daan.
Met jouw paplepel kreeg ik binnen hetgeen leven dan in wat heet hoge waan.

De editie van Fraeters & Willaert is een groots project. Niet alleen wordt Hadewijchs werk uitvoerig van historische, theologische en literaire context voorzien, ook gaan alle gedichten vergezeld van een vertaling en een structuuranalyse. Wat dit boek echt bijzonder maakt is het hoofdstuk van Grijp over de spannende zoektocht naar de melodieën. Omdat hij ook uitlegt hoe je de teksten kunt zingen, krijgt het ‘heylich glorieus wijf’ na ruim zevenhonderd jaar de gelegenheid het concertpubliek met haar minne te veroveren. ‘De minne es al,’ zegt Hadewijch. En zo is het.

Catharina
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden