'Mijn personages willen duiding, maar scheren erlangs'

De Brit Martin Crimp geldt als een van de belangrijkste toneelschrijvers van zijn generatie, maar hij heeft met zijn experimentele theater meer succes buiten dan binnen Groot-Brittannië....

‘Het laatste dat ik wil, is een controlfreak zijn. Ik vind dat je theaterteksten direct uit handen moet geven. Terwijl ik dit zeg, ben ik enigszins onoprecht, vrees ik. Maar zoals bij een kind, dat de drager is van een groot deel van jouw genetisch materiaal, zo is het bij een stuk: het moet zijn eigen weg vinden en jij moet het loslaten. Voor jezelf, voor de maker.’

Martin Crimp (Dartford, Kent, 1956) strijkt eens langs zijn voorhoofd, door zijn halflange, grijze haar. ‘Al die betrokkenheid leidt af van waar het wezenlijk om gaat: schrijven. Ik ben steeds minder bereid om mijn stukken achterna te reizen, behalve wanneer ik écht een hechte band heb met een gezelschap of een regisseur. Dit is dan ook een heel uitzonderlijk geval.’

Ja, binnenkort reist hij naar Nederland, ‘een stuk achterna’: The City, dat bij de Veenfabriek onder regie van Paul Koek zijn Nederlandse première beleeft. In een café aan St. Martin’s Court, middenin het Londense theaterdistrict, praat Crimp over zijn theaterpassie, en hoe hij een paar jaar terug min of meer toevallig stuitte op Koeks enscenering van Attempts on Her Life, zijn stuk uit 1997 . En zich realiseerde: ‘I stumbled across somebody really special.’

Dat was op YouTube, in eerste instantie. Zijn dochter zag een clip van Haar leven, haar doden, Koeks versie van het stuk van Crimp dat met 17 losstaande scenario’s over het meisje ‘Anne’ een beeld geeft van de westerse samenleving. Ze gingen het in Nederland zien: op locatie in de V & D. ‘Het was zo intelligent gedaan, muzikaal, humoristisch en met diepgang – ik vond het geweldig. En de locatie, een warenhuis dat gewoon in bedrijf was, dat werkte perfect. Nou ja: hier viel het allemaal op zijn plaats. In al mijn onwetendheid zou ik pas veel later begrijpen dat Paul deel is geweest van Hollandia, met haar geschiedenis van locaties en muziektheaterproducties. Want ook dat laatste aspect sprak me zo aan in deze voorstelling. Muziek is voor mij heel belangrijk.’

Om een lang verhaal kort te maken: Crimp stuurde Koek een pakketje stukken met wat gereedschap (een minuscule schroevendraaier), en de boodschap: maak maar open, ontsluit het maar. Eén ervan was The City, uit 2008. Koek pakte de handschoen op en maakt nu De City. Crimp is benieuwd, ook omdat het stuk nogal verschilt van Attempts: ‘The City is een conventioneler stuk. De personages hebben namen, laten we het zo zeggen.’

‘Toneelschrijver Martin Crimp is een van de best bewaarde geheimen van het Britse theater’, schreef Crimp-kenner Aleks Sierz in The Independent bij de Britse herneming van Attempts in 2007. Crimp geniet de reputatie van een van de belangrijkste toneelschrijvers van zijn generatie (Sarah Kane was een groot bewonderaar), zijn naam staat in neonletters op de grote Europese theaters (Thomas Ostermeier ensceneerde zijn werk in Berlijn, hij werkt met Luc Bondy in Wenen, genoot succes op het Parijse Festival d’Automne), maar in Groot-Brittannië is hij vooral bekend om zijn vertalingen en bewerkingen.

Crimp is ‘big cheese’ in Europa, waar experimenteel theater hoger staat aangeschreven dan hier, aldus tezelfdertijd The Telegraph, die Attempts (‘door aficionado’s aangemerkt als zijn meesterwerk’) nauwelijks kon waarderen: ‘Theater moet meer doen dan intrigeren. Het moet ons raken, meevoeren, en dat zijn kwaliteiten waarover Crimp niet beschikt.’

Sierz ziet het anders. ‘De belangrijkste reden dat Crimp hier in zekere zin wordt veronachtzaamd, is dat zijn werk uitdagend is. In plaats van een rechttoe rechtaan stuk met gewone personages en een plot, bestaat Attempts uit 17 scènes waarin een reeks mensen praat over een afwezig personage dat verschillende identiteiten heeft: kunstenares, pornoster, vluchteling, zelfs een auto.’

‘Sommige mensen waren verrast en onthutst’, reageert de schrijver droogjes. ‘Attempts is een mijlpaal in mijn carrière, voor zover die term van toepassing kan zijn op een schrijversbestaan.

‘Ik had het geluk dat Stephen Daldry (van de films The Reader en Billy Elliot) zich bemoeide met het project. Hij heeft waarschijnlijk meteen gedacht: dit is geen tekst voor een doorsnee Britse regisseur. In ons cultureel klimaat draait het om realistische, traditionele stukken. Hij bracht mij en mijn vreemde tekst in contact met Tim Albery, die eigenlijk meer in de operawereld opereert. En dat bleek een geweldig idee, die had er affiniteit mee, en de wijsheid en ervaring om het goed te ensceneren.’

‘Voor mij was het stuk om twee redenen belangrijk: ten eerste had ik het geschreven als een soort uitdaging aan mezelf én de theaterconventies. De mise-en-scène was uiterst belangrijk; wat ik in m’n hoofd had, was iets dat ik hier nog nooit op toneel had gezien.

‘En de tweede reden’ – hij stopt en haalt diep adem. ‘Ik denk dat ik me realiseerde dat ik niet gevangen hoefde te zitten in psychologisch realisme. Dat verschillende soorten tekst goed kunnen werken in de theatrale ruimte. Natuurlijk heeft het me voor eeuwig verward achtergelaten. Want deze narratieve teksten waarin mensen puur een verhaal vertellen, staan feitelijk haaks op dat psychologisch realisme. Maar ja, ook die kant van het theater trekt me nog steeds. Dus sindsdien ben ik steeds bezig te schipperen tussen die twee manieren van schrijven.’

Dat Martin Andrew Crimp schrijver zou worden, stond voor hem altijd al wel vast, zolang als hij het zich kan heugen. Niet dat hij het hardop uitsprak, ooit. En dat het voornamelijk toneelteksten zouden zijn (hij waagde zich aan proza, maar werd nooit uitgegeven) was ook niet van meet af aan een vast gegeven. Al was hij als schooljongen al druk met het genre in de weer: ‘Ik acteerde, probeerde te regisseren, deed de belichting, nam bandjes op voor de geluidseffecten – al die technische dingen die jongetjes graag doen.’

Zijn eerste stukken werden opgevoerd in het Orange Tree Theatre, een ruimte boven een pub in Richmond, buitenwijk van Londen waar hij nog steeds woont. We schrijven jaren tachtig. ‘Ik heb geluk gehad dat ze allemaal werden gespeeld’, zegt hij nu. ‘Afgezien van de kwaliteit, het was een heel goede leerschool.’ In de jaren negentig ‘verhuisde’ zijn werk naar het Royal Court, het theater waar nu nog steeds alleen nieuwe stukken worden gedaan. Hier ging ook Attempts in première. Het werd in twintig talen vertaald. Het werd serieus.

Critici proberen hem te categoriseren, in hokjes te stoppen. Zijn toon heet afstandelijk, zijn kijk op de maatschappij pessimistisch, kil. Je weet van tevoren dat het mis gaat bij Crimp, zo heet het wel. Hij haat labeltjes.

Attempts zou je een ‘cool play’ kunnen noemen, zegt hij nu. In de zin dat het enigszins is losgezongen van de dagelijkse wereld en intense persoonlijke gevoelens. The Country was in dat opzicht een onverwachte opvolger – een ‘hot play’, conventioneler, in vijf actes, met een klassieke opbouw, handelend over een driehoeksverhouding, gesitueerd op het platteland. Traditioneler, dus. The City, zijn meest recente, zit ertussenin. ‘Als resultaat van dat schipperen tussen die twee manieren van schrijven’, zegt hij met een lachje. ‘Verscheurd tussen twee werelden.’

Crimp vindt het niet eenvoudig, misschien ook wel niet gewenst om te vertellen waar zijn werk inhoudelijk ‘over gaat’. Hij grijpt makkelijker terug op de vorm ervan, die wel is vergeleken met kamermuziek. ‘Ik speel elke dag piano’, zegt hij, ‘Ik ben dol op Bach, zijn nadruk op de vormelementen in de muziek. Ik houd van zijn suites, kortere stukken, meer dan van een langere beweging. Maar om te zeggen dat Bach mijn werk heeft beïnvloed, dat zou post hoc redeneren zijn.’

‘Naarmate je ouder wordt, begin je je meer te realiseren waarvan of van wie je juist afstand wilt nemen, en hébt genomen, eerder dan door wie je je laat inspireren. Als adolescent was ik een liefhebber van Beckett, nu zie ik: bij Beckett gaat het vaak over terugkijken, herinneringen. Waar mijn personages juist naar voren stuiven, stuiteren. Maar nu praat ik weer over vorm.

‘Ik heb twee stukken van Ionesco vertaald en dat was een mooie ervaring. Het voerde me terug naar de liefde voor de gekkigheid in zijn werk. Als jongen stond ik ooit in zijn Rhinoceros, en ik merkte dat die hang naar het surrealistische me eigenlijk nooit heeft verlaten. Als ik schrijf, vind ik het heerlijk om me voor te stellen dat zielloze dingen, zoals een zoutvaatje, of een kledingstuk, of een handvuurwapen, een personage worden. Dat ik ze een leven kan laten leiden. Ik weet niet waarom ik dat zo leuk vind, maar het is zo, en op een bepaalde manier sluipt het het werk binnen.’

Zo bleef The City niet gespeend van surrealisme. Ook was er een boek dat Crimp las: The Corrosion of Character, The Consequences of Work in the New Capitalism van Richard Senett. Met daarin ‘fascinerende verhalen over wat er gebeurt met mensen als ze hun baan kwijtraken. En nu eens niet de arbeidende klasse, maar lui die dachten dat ze voor altijd goed zaten bij IBM.’

‘Als schrijver – nu mag ik niet meer klagen, want met mijn opdrachten zit het inmiddels wel goed – weet je wel zo’n beetje wat het is om met een stofzuiger door het huis te lopen en te hopen dat er iemand belt met een klus. Maar makkelijk is dat niet altijd. Wat onzekerheid over werk doet met mensen en hun gevoel voor identiteit, eigenwaarde – dat vond ik buitengemeen interessant.’

Op een indirecte manier kwam het in The City terecht. En zo zijn er meer dingen. Crimp loopt rond met een opschrijfboekje, maar veel van het materiaal legt hij terzijde. Of hij gebruikt het pas later. ‘Schrijven moet – als elke kunstvorm – gebaseerd zijn op observatie. Maar schrijven moet ook doordrongen zijn van verbeeldingskracht. Zonder verbeelding is de kunst ten dode opgeschreven. Daarom kan ik me blind ergeren aan de mode die nu in het Britse theater opgang doet: het performen van transcripties van belangrijke rechtszaken of onderzoeken. Het mag dan sociaal-maatschappelijke kwesties belichten, maar waar is de schrijver? Waar is de poëzie?’

De schrijver aan het tafeltje in café Koha haalt zijn hand nog eens door zijn haar. Zijn personages zijn geen mensen die buiten die sociaal-maatschappelijke kwesties staan, helemaal niet. ‘Het zijn individuen die buitengemeen hun best doen in contact te blijven met de wereld waarin zij leven. Hoe moeten ze zich verhouden – of: steeds opnieuw verhouden – tot een wereld die is overbelast met informatie, activiteit, potentiële keuzes, de meest uiteenlopende producten en de hang naar consumentisme? Hoe krijgen we hierop greep?’

Hij glimlacht. Waagt zich er toch aan: ‘Daar gaat het vaak over. Dat is een gegeven dat in al mijn werk aanwezig is, dat is iets dat ze gemeen hebben: iets dat, zo je wilt, de stukken verbindt.

‘Mijn personages willen diepgang, ze willen duiding, ze willen betekenis, maar het is onmogelijk voor hen om dat daadwerkelijk te bereiken. Ze scheren erlangs. Ik weet niet wat dat is. Ik denk dat ik diepgaande stukken wil schrijven over een oppervlakkige wereld.’ Hij strijkt over zijn voorhoofd. ‘En ik weet dat ik voorzichtig moet zijn, want voor je het weet, schrijf je een oppervlakkig stuk over een oppervlakkige wereld.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden