InterviewBart Chabot

‘Mijn jeugd werd een slagveld. Ik dwarrelde in stukjes en stukken uit elkaar’

Beeld Martijn van de Griendt

Bart Chabot had beter niet geboren kunnen worden, aldus zijn ouders. Nu ze allebei zijn overleden doet de schrijver, dichter en tv-persoonlijkheid een boekje open over zijn opvoeding, en vooral over de manier waarop hij het met zijn vier zoons heel anders heeft aangepakt.  

Het moet een zaterdagochtend in het jaar 2009 zijn geweest dat Bart Chabot zijn moeder weer ziet, voor het eerst in ruim twintig jaar, ter hoogte van een vitrine met zuivelproducten. Het is al druk in Albert Heijn.

Zijn moeder maakt een scène.

‘Dat is de oudste. En hij zorgt ervoor dat ik mijn kleinkinderen niet te zien krijg. Hoe vind je zoiets? Ja, hij staat overal in, in de bladen, en verschijnt te pas en te onpas op de televisie, maar dát weet niemand van hem. Zijn eigen vader en moeder zó behandelen... Hij zou zich moeten doodschamen.’

(Uit Mijn vaders hand)

Elf jaar later, aan de cafeïnevrije cappuccino, in Bodega De Posthoorn aan het Haagse Lange Voorhout, peutert Bart Chabot aan het montuur van zijn bril. ‘Allebei mijn ouders zijn inmiddels dood, dus ik vind dat ik in mijn recht sta om over mijn jeugd te schrijven. Maar ik heb ook hun kant willen belichten. De verwijten die zij míj maakten. Dat mijn moeder haar vier kleinzonen nooit heeft gekend, is de consequentie van de keuze die ik heb gemaakt. En ik begrijp best dat ze dat pijnlijk vond.’

Jullie komen elkaar daarna nog eens tegen, bij de apotheek, en ze vraagt of je jouw zwaar dementerende vader wilt opzoeken, al is het maar een kwartiertje. ‘Ik zal kijken wat ik kan doen’, antwoord je. 

‘En ik ga niet. Want waar moet je het over hebben? Over de kinderen die hij nooit heeft gezien? Over mijn vrienden die ze afkeurden? Ik denk dat ik ons allemaal een hoop heb bespaard door niet te gaan. Bovendien: mijn vader kon een bepaalde blik in zijn ogen hebben die te veel bij me had opgeroepen. Daar wilde ik niet nog eens mee worden geconfronteerd.’

Bart Chabot, 65 jaar inmiddels, groeit op in het Haagse Bezuidenhoutkwartier. Zijn moeder is huisvrouw, zijn vader ambtenaar op het ministerie van Buitenlandse Zaken, waar hij later wordt gepromoveerd tot consul in Vancouver, Karachi en Chicago.

Thuis wordt voor het eten gebeden en na het toetje geknield onder het kruis boven de eetkamerdeur. Als zoon Bart de oefening van berouw te snel of te onduidelijk voorbidt, krijgt hij een dreun tegen zijn hoofd.

Als hij niet snel genoeg leert fietsen, op school te lage cijfers haalt, met zijn voetbal een beeldje in huis kapotschiet: klappen. Zijn moeder raakt hem niet aan, een knuffel is in huize Chabot uit den boze, zijn vader raakt hem juist waar hij maar kan. 

Uit Mijn vaders hand: ‘Mijn jeugd werd een slagveld. Ik dwarrelde in stukjes en stukken uit elkaar en liet me langzaam opheffen. Zo verwerd het leven thuis tot een doodlopende steeg waaruit niet viel te ontsnappen.’

Jij werd geslagen door je vader terwijl je moeder gewoon doorat. Je moeder zei er alleen iets van als jij tijdens het slaan je plas liet lopen. Dan mopperde ze dat ze weer met de pantalon van je vader naar de dure stomerij moest. En pas als ze zag dat hij je ‘halfdood’ sloeg, riep ze dat het genoeg was. 

‘Mijn moeder vond dat zij ook leed onder wat ze mijn ‘wandaden’ noemde. Mijn broertje werd nog enigszins ontzien, maar volgens mijn ouders was het met mij alleen maar doffe ellende. Ze hadden me al vrij snel opgegeven. Mijn moeder wist zeker dat ik in de goot zou belanden, mijn vader zei: ‘Als het niet te hoog voor je gegrepen is, kun je misschien nog koekebakker worden.’’

Ze namen hun zoons niet mee op vakantie. 

‘Voor mijn ouders gold het motto: ‘Met de kinderen op vakantie ís geen vakantie.’ Dan kon je net zo goed thuisblijven, vonden zij. Dus de zomers bracht ik door bij mijn tante in Haarlem.’

Chabot begint op de hbs, maar hij moet terug naar de mulo. Ook op school is er niemand die zich over de worstelende jongen ontfermt. Bij het afscheid van de lagere school zegt het schoolhoofd dat hij Chabot ‘nooit zo heeft gemogen’, als de docent Duits op de mulo zijn op het schoolbord geschreven zinnen ziet, oordeelt hij hardop: ‘Dit is nou het handschrift van een psychopaat.’

Beeld Martijn van de Griendt

Later maakt hij alsnog de hbs af, moet in militaire dienst, studeert een jaar Nederlandse letterkunde en leert via de dochter van zijn hospita muzikant en kunstenaar Herman Brood kennen. Brood introduceert hem in het rock ’n roll-leven en hij maakt nieuwe vrienden: Jules Deelder, Anton Corbijn. Alle drie moedigen ze hem aan meer te doen met zijn dichterstalent en in 1981 verschijnt Chabots eerste bundel, Popcorn. Hij wordt steeds bekender en vormt tourtrio’s. Eerst met Remco Campert en Jan Mulder, later met Deelder en Brood, vervolgens met Ronald Giphart en Martin Bril.

Intussen heeft hij ook zijn toekomstige vrouw Yolanda leren kennen, ze studeert voor arts. Omdat zij kinderen krijgen aanvankelijk niet ziet zitten en hij er bij voorkeur zoveel mogelijk wil, is het compromis dat hij huisman wordt. Na de geboorte van hun eerste zoon stelt Yolanda hem nog voor een keuze: de alcohol eruit, of hij eruit.

In het boek beschrijf je hoe jullie samen in bed liggen, inmiddels al 35 jaar samen, als Yolanda zich afvraagt wat ze eigenlijk van jou weet. ‘Over jezelf? Een stilzwijgen. Je jeugd? Een zwart gat. Wie ben jij eigenlijk?’ 

‘Ik heb haar wel verteld dat mijn vader losse handjes had, en ze begreep ook dat ik mijn ouders op een gegeven moment niet meer wilde zien. Maar verder vind ik dat je anderen niet te veel moet opzadelen met jouw sores.’

Toen ik jullie zoon Splinter ernaar vroeg, zei hij: ‘Mijn vader zet liever Elvis hard op en speelt luchtgitaar dan dat hij over vroeger praat. Zijn verleden heeft hij lang achter een muurtje gemetseld. Hij heeft ons hooguit twee verhalen verteld, als een vuurtoren die heel even oplicht, en dan altijd nog zo dat wij erom konden lachen.’ 

‘Aan mijn jongens heb ik sowieso nooit kenbaar willen maken wat er is gebeurd. Dat was mijn pakkie-an. Misschien heb ik dat geleerd van mijn vriendschap met Herman en Jules: als je ziek bent, of in de privéshit zit, los je dat zelf op. En als je weer op krachten bent, meld je je en ga je met z’n allen door waar je was gebleven. Toen ik in het ziekenhuis lag met die tumor in mijn hoofd, heb ik niets van Jules gehoord. En dat begreep ik volledig.’

Ik niet. Dat is toch geen vriendschap? 

‘Je moet het anders zien. Rock-’n-roll-vriendschappen gaan heel diep en juist daarom val je elkaar niet lastig met ellende. Het heeft bovendien geen zin om terug te kijken. Wat er is gebeurd, kun je niet ongedaan maken. En met de krassen deal je zelf.’

Maar nu is er dus een boek van 400 pagina’s, opgeschreven in de hem kenmerkende nuchtere, vaak geestige stijl. Én met veel krassen en ellende.

Je hebt het muurtje afgebroken. 

‘Ik ben de archeoloog van mijn eigen verleden geworden, ja. Op verzoek van de uitgeverij, waar ik in 2017 twee nieuwe romans inleverde. ‘We willen eerst een boek over je jeugd’, zeiden ze. ‘Mensen kennen je te veel van televisie en te weinig als schrijver.’ Terwijl ik mijn jeugd zelf niet zo interessant vond. Ik had het overwonnen, al neem je de beschadigingen voor altijd mee. En ik vond het soms ook wel vermoeiend, al die schrijvers die zo nodig over hun jeugd moeten schrijven.’

De beroemde writer’s goldmine. 

‘Ja, nou ja, ik ben meer van de school Simon Carmiggelt en Martin Bril: de deur uit. Thuis beleef je geen avonturen, buiten gebeurt het. Als schrijver moet je juist kijken naar wat zich buiten jezelf afspeelt. Bovendien: Als je De Avonden en Terug naar Oestgeest hebt gelezen, is dat toch genoeg? Daar is niet zoveel meer aan toe te voegen. Dus ik was halverwege toen ik besloot er toch weer mee op te houden. Totdat ik Ronald Giphart sprak. Die was streng: ‘Wat nou, ik-ga-dat-boek-niet-schrijven?! Elke schrijver schrijft over zijn jeugd, dus jij ook. Aan de slag!’’

En nu kunnen jouw vier zoons en je vrouw alsnog lezen hoe hard je door je vader werd aangepakt, genegeerd door je moeder, onzedelijk betast door een buurman en seksualiteit ontdekte met een nichtje. 

‘Oooo, ja, daar verheug ik me niet op, hoor. Ik stel het moment om ze het manuscript te geven ook steeds uit. Maar ja, wachten tot ze het in de krant lezen is ook weer zo wat, hè?’

Hij pakt de menukaart van Bodega De Posthoorn, waar hij zelf op staat, voor 6 euro 95. Het ‘Bart Chabot Toetje’: warme appeltaart met vanille-ijs, slagroom en koffielikeur. Intussen schetst hij de route van die middag: ‘We rijden straks eerst naar Bezuidenhout, waar het slagveld van mijn jeugd ligt. Daar laat ik je mijn ouderlijk huis zien, de kerk, die vreselijke scholen. Vervolgens praten we verder in het Carlton Ambassador Hotel. En daarna kunnen we vast wel wat frisse lucht gebruiken, dus dan rijden we nog even langs Scheveningen.’

Als het toetje arriveert: ‘Het lekkerst is om die drank er helemaal overheen te gooien.’

Jij dronk toch niet meer? 

‘Nee, ik ben gestopt sinds maandagavond. Ik kreeg last van mijn lever, dus nu is het echt klaar.’

Dat heb ik je in interviews vaker horen zeggen: nu is het klaar. 

Vrolijk: ‘Maar dit keer is het écht zo.’

Beeld Martijn van de Griendt

Had je de alcohol nodig? 

‘Ja. Ik heb mijn herinneringen lang geblust met drank. Een soort afdekken. Naar buiten toe blijf je functioneren, maar binnen de privacy van je eigen huis kun je je verdediging laten zakken en het gevoel toelaten. Dat lukte me alleen via drank. Er even niet meer zijn, weet je wel?’

Het boek over zijn jeugdjaren schrijft Chabot uiteindelijk vanuit een ziekenhuisbed. Het is november 2018 en hij wordt voor de zoveelste keer opgenomen. Aanvankelijk voor een onderzoek naar prostaatkanker, uiteindelijk is het een bacteriële ontsteking die uitmondt in een bijna fatale bloedvergiftiging. ‘Ik had een hersentumor overleefd, en allerlei ernstige hartkwalen, maar dit was foute boel, dat voelde ik meteen. Ik dacht echt dat het dit keer voorbij was.’

Eenmaal toch aan de beterende hand, denkt hij terug aan het gesprek met uitgeverij De Bezige Bij, het boek over zijn wortels: ‘Als ik het nu niet doe, doe ik het nooit meer. Dus ik heb Yolanda gevraagd papier en potlood mee te nemen en ik ben begonnen. Omdat ik in mijn leven zoveel heb gedronken, verwachtte ik dat ik van alles kwijt zou zijn. Maar ik ging zitten en hóórde mijn vader gewoon praten. Hele gesprekken die er letterlijk uit rolden. Ik wist niet wat me overkwam.’

Uit Mijn vaders hand: ‘De deur van mijn kamer zwaaide open en mijn vader trad binnen. Ik deed het niet in mijn broek. Als je je hoofd zoveel mogelijk uitschakelde, de circuits en de bedrading, kon bijna niets je raken. ‘Heb ik mij zo voldoende duidelijk gemaakt?’, zei mijn vader toen hij met me klaar was. ‘Of moet ik het nog wat duidelijker voor je maken, zodat het alsnog tot je botte hersens doordringt? Dat doe ik met alle plezier, hoor. Zodat je niet met vragen blijft zitten. Je zegt het maar.’ Hij wilde de kamerdeur al achter zich dichttrekken, toen hij zich bedacht en zich omdraaide. ‘Kun je nog zitten, denk je?’, zei hij. ‘Ja? Jammer.’

Je was 9 jaar en van huis weggelopen. Maar je wist niet goed waar je naartoe moest en uiteindelijk vindt je vader je. Thuis word je zonder eten naar je kamer gestuurd en vervolgens krijg je een pak slaag. 

‘Na die dag heeft mijn vader me nog zelden bij mijn voornaam aangesproken. Hij noemde me ‘stuk verdriet’, ‘mislukte figuur’ of ‘die daar’: alsof ik er in wezen niet was.’

De uiteindelijke breuk tussen jullie vindt pas veel later plaats. 

‘Ik heb het in mijn boek niet zo specifiek beschreven, maar de directe aanleiding was het feit dat mijn ouders de vriendschap met Herman en Jules afkeurden. Ze woonden inmiddels in Vancouver, waar ik ze opzocht. Het eerste dat mijn vader tegen me zei toen we elkaar weer zagen, was: ‘Ga jij met dat gajes om? Dat smerige stelletje criminelen?’ Voor mijn ouders was dat een totale schande. Mensen die drugs gebruikten en schijt aan de wereld hadden: dat haatten ze tot in het diepst van hun wezen.’

Wat ironisch eigenlijk, dat Jules Deelder is overleden vlak voordat jouw boek verschijnt. 

‘Bizar. Ik vind het heel erg dat hij het niet meer zal lezen. Herman is al bijna negentien jaar dood, Martin Bril tien jaar, maar aan Jules had ik het zo graag nog willen geven. Om mensen die wél altijd in me zijn blijven geloven, soms tegen de klippen op, te laten zien dat ik hun vertrouwen uiteindelijk toch heb waargemaakt.’

Met Brood en Deelder deed je vanaf 1998 de theatertournee BCD. Toen ik Ronald Giphart sprak, zei hij daarover: ‘Bart is heel sociaal, maar Jules en Herman waren juist erg egocentrisch. Ze maakten op het podium grappen ten koste van hem, maar hij liet het zich welgevallen. Eigenlijk was het een gesublimeerde vorm van hoe het er bij Bart thuis aan toeging.’ 

‘Ik begrijp wat Ronald bedoelt, maar dat moet je toch anders zien. Zij hadden alle vertrouwen in mij, maar tegelijkertijd moest ik wel mijn plek kennen. Daar kon ik mee dealen, alleen al omdat ik een inkijkje kreeg in de spits van de rock-’n-roll. Wat ik later weer heb kunnen gebruiken voor mijn boeken over Herman. Maar natuurlijk was het niet altijd leuk. Op het podium werden Jules en Herman al snel rivalen. Jules is een keer in de pauze vertrokken toen Herman een complete dichtbundel ging voorlezen die hij in één dag had geschreven.’

Beeld Martijn van de Griendt

Even later, in de Dacia Duster, tijdens de rondrit door Den Haag: ‘Herman en Jules hebben mij zoveel aan vriendschap en plezier gebracht, dat ik die tournee wel kon opbrengen. Herman is degene die mij ooit letterlijk het podium op heeft geschopt, tijdens een concert van The Wild Romance. ‘Voorlezen jij!’ Zonder hem had ik waarschijnlijk nooit gedurfd. Voor veel mensen heeft rock-’n-roll de ondergang betekend, voor mij is het een reddende engel geweest. De ontsnapping uit mijn jeugd.’

Op welke manier? 

‘Als je bestaansrecht wordt ontkend door je eigen ouders, en daarna ook nog door leraren, moet je vrij sterk in je schoenen staan om te denken dat je tóch de moeite waard bent. Na mijn tijd in militaire dienst woonde ik bij een hospita. De moeder van Dorien, toen de grote liefde van Herman. Ik ben destijds bijna een jaar niet op straat geweest, geestelijk was ik ingestort. Een straat, of het openbaar vervoer: dat was voor ménsen. Dus niet voor mij. De lucht die we inademen: ik had daar eigenlijk geen recht op. Dus bleef ik binnen, zodat anderen niet konden zien dat ik óók ademde. Ik was tenslotte een stuk verdriet, een psychopaat. Dat veranderde allemaal toen ik Herman ontmoette. Hij nam me mee op pad, bedankte me voor míjn levenslust. Daar kikkerde-ie zo van op. Ik kon niet geloven wat ik hoorde. Herman was toen al heel groot. Dus dat iemand die zo groot was, mij wél de moeite waard vond...’ Geëmotioneerd: ‘En daarna Jules, die het ook in mij zag. Twee briljante geesten. Jules, een literaire gigant. Dat was voor mij... Nou ja, daar is de wederopbouw begonnen. Maar het is een lange weg geweest, dat wel.’

De omslag die je uiteindelijk hebt gemaakt is groot: van iemand die de deur niet meer uit wil naar iemand die niet van het televisiescherm af te branden is en daar bovendien nogal aanwezig en extravert is. 

‘Nogal. Maar ja: die tv-wereld is een groot warm bad. Zolang het lampje brandt, zijn ze dólblij dat je er bent. Ik wist natuurlijk niet wat me overkwam. Ik liep ergens een studio binnen, waar dan al iemand klaarstond om me op te vangen, een ander schonk koffie voor me in, en wat ik inhoudelijk moest doen was allemaal niet zo ingewikkeld. Voor iemand die niets gewend is, waren al die schouderklopjes een verademing. Alleen: voor mij was televisie iets dat ik tussen de bedrijven door deed. Ik voelde mezelf schrijver. Maar het publiek zag alleen nog de gekkigheid. Hoe ik danspassen ging leren in Dancing with the Stars, mijn rijbewijs op tv haalde, mijn Waku Waku-jaren. Dat is uiteindelijk een grote taxatiefout geweest: ik kwam bekend te staan als een feestnummer, en in het literaire milieu ging er een dik kruis door mijn naam heen. Achteraf bezien heb ik twee decennia verspeeld. Door zo lang op tv rond te hangen, heb ik een deel van mijn talent verkwanseld. Dus dat probeer ik nu alsnog goed te maken.’

Uit het boek blijkt dat jouw vader twee krantenknipsels over jou in zijn portemonnee bewaart, die hij jarenlang tot vervelens toe voorleest aan de verpleegsters in de gesloten afdeling van het verzorgingstehuis waar hij zit. Een van hen vertelde je dit toen ze jou op straat zag lopen. Was je verbaasd? 

‘Ik keek ervan op, natuurlijk. Kennelijk was zijn mening over mij verzacht. Was er zelfs een soort trots op.’

Raakte het je? 

‘In zekere zin wel, maar het was ook simpelweg te laat. De interesse van mijn ouders in mij is pas ontstaan toen ik succes kreeg. Hun zoon was kennelijk toch niet zo mislukt als ze altijd hadden gedacht. Maar ja, toen waren we inmiddels veertig jaar verder. Zo kan ik het ook. Ik geloofde vanaf dag één in mijn eigen kinderen. Dat heeft met succes geen reet te maken.’

In het boek gaat het over je ‘zusje’, in werkelijkheid heb je een drie jaar jongere broer. ‘Zij’ verwijt jou later dat je in interviews soms vertelt dat je hebt gebroken met jullie ouders. Je hangt daarmee de vuile was buiten. Hoopte je dat jouw ouders het zouden lezen? 

Klein lachje: ‘Kijk, ik ben er nooit bewust mee bezig geweest. Maar ik vond het ook niet érg dat zij kennisnamen van het feit dat ze er al die jaren faliekant naast hadden gezeten. Je wordt namelijk niet geïnterviewd als je totaal oninteressant bent, toch? Dus op deze manier konden ze zien wat Herman altijd zong: Your little school hater is doing fine. Dit is die droevige figuur waar jullie je handen vanaf trokken. Die in jullie ogen niets voorstelde.’

Slok cappuccino: ‘Nee, dat hun ongelijk bij ze door de bus viel, vind ik niet zo’n ramp.’

Er is nooit iemand geweest die jou als kind te hulp schoot. Niet binnen de familie, geen vrienden, buren en op één pater na geen docenten. 

‘Daardoor kan ik inmiddels een hoop hebben. Maar weet ik ook dat je het uiteindelijk altijd alleen moet doen. En dat lukt; ik red me wel. In zekere zin ben ik onverwoestbaar optimistisch.’

Hoe is jouw vader geworden zoals hij was, denk je? 

‘Daar heb ik geen duidelijk beeld van. Hij kreeg zelf als kind juist een voorkeursbehandeling thuis. Maar zijn karakter was rechtlijnig, autoritair. En ik week af, in alle opzichten. Voor mij gaat dit boek niet zozeer over mezelf, maar over een universeel kind dat een tikkeltje anders is. Een jongetje dat eerst thuis botst, en vervolgens met het schoolsysteem. Een kind ook dat besluit niet in de pas te lopen door te doen wat er van hem wordt verwacht, maar die een grondhouding heeft van rebellie en verzet. Wat dat kind overeind houdt, is zijn gevoel voor fantasie. Voor mij is de sleutelzin in het boek: ‘Wat me redde, was mijn geloof in Sinterklaas, en toverballen.’ Dat is de essentie.’

Beeld Martijn van de Griendt

De verbeelding haalde je voor even weg uit de realiteit. 

‘Precies. Op school vond ik wat er buiten gebeurde interessanter dan wat de leraren vertelden. En thuis keek ik ’s nachts vaak urenlang naar de sterren. Zij waren ook met miljoenen, maar stonden er toch allemaal alleen voor. En ook zij werden omgeven door voornamelijk zwart. Dat schiep een band en troostte me.’

Je was ook wel geregeld een irritant joch. Altijd een antwoord klaar, kwajongensstreken uithalen waarvan je mijlenver aanvoelt dat het niet goed kan aflopen. 

Schaterlachend: ‘Ja! Dat wilde ik óók beschrijven, om te laten zien dat mijn vader vaak uit onmacht handelde. Hij had een drukke baan en thuis een kind dat hij niet begreep. En ik was geen heilig boontje. Ik kon hem verbaal aan, maar had dat altijd gemoeten, steeds weer die opmerkingen terug? Riep mijn vader dat ik nog niet jarig was en dan antwoordde ik heel bijdehand: ‘Nee, dat klopt pap, pas over zeven maanden!’ Terwijl ik wist dat-ie dan door het lint ging. Of ik was stiekem binnen aan het voetballen en raakte zijn favoriete antieke Chinese paardje. Als vader zou ik op een gegeven moment ook denken: ‘Wel gódverdomme!’’

Dat zijn vader is overleden leest Chabot uiteindelijk bij toeval in de krant. Zijn naam staat niet in de rouwadvertentie. En zijn vader is inmiddels in stilte gecremeerd.

Hoe zag-ie er eigenlijk uit, de hand van je vader? 

‘Benig. Met zwarte haren. Hij droeg een trouwring. Ik heb nooit een trouwring gewild. Misschien daarom.’

Was je niet huiverig om zelf vader te worden? 

‘Nou: ik zou het sowieso beter doen dan mijn ouders, dat scheelde al. En ik had enig idee hoe ik mijn kinderen zou opvoeden. Ik heb misschien zelf geen echte jeugd gehad, maar dat kinderlijke zit deels in mij. Ondanks hoe het er thuis aan toeging, had ik wel ontdekt hoe geweldig het leven kan zijn. Dat het de moeite waard is, zelfs al ben je ongelukkig, of heb je geen geld. Dan nog kun je gewoon naar het strand gaan: de zee spoelt er gratis aan, de wolken hangen er gratis boven. Die montere blik op het leven hebben kinderen ook.’

Splinter zei: ‘Vaak zie je dat mensen die thuis zijn geslagen die lijn voortzetten als ze zelf kinderen krijgen. Mijn vader heeft de zandloper omgedraaid.’

‘Opvoeden is niet zo superingewikkeld hoor. Natuurlijk moet je af en toe paal en perk stellen, zeker met vier jongens in huis. Je kunt veel fouten maken en dat heb ik ook zeker gedaan. Maar zolang je ze keer op keer duidelijk maakt hoeveel je van ze houdt, kun je het niet écht verkeerd doen.’

Jullie zeggen thuis heel vaak hoeveel jullie van elkaar houden, vertelde Splinter. Hebben jouw ouders weleens zoiets gezegd? 

‘Nee, nooit. Ze zeiden juist het tegenovergestelde: dat ik er beter niet had kunnen zijn.’

Hoe voelt het dan dat Splinter zegt dat hij aan zijn jeugd terugdenkt als ‘een tijd waarin het leek alsof de zon altijd scheen’? 

‘Dat is grandioos. En dat wil zeggen dat Yolanda, en ook ik, het hartstikke goed hebben gedaan. Een goed voorbeeld daarvan is de dood van Jules. Ik kreeg dat te horen via een redacteur van talkshow Tijd voor Max. Of ik die avond over mijn vriend wilde komen praten. Ik geloofde niet wat ik hoorde. Zes dagen eerder had ik Jules nog gezien. Hij was in topvorm. Geestig, scherp. We spraken af in januari met onze partners te gaan eten. Zij konden het ook goed met elkaar vinden. Allebei sterke types en allebei met een mafketel getrouwd. En nu dit.

‘Binnen anderhalf uur waren alle vier de jongens en Yolanda thuis. Om mij te troosten. Er zijn zes glazen op tafel gekomen en we dronken zoals Jules dat deed: een goede slok gin, een wolkje tonic en geen groenten erin. We hebben herinneringen opgehaald, met hond Bril ernaast, en de jongens zijn tot laat in de avond gebleven. Dat is wel symbolisch voor een radicaal andere jeugd dan ik zelf heb gehad, ja.’

Wat me erg verbaasde in het boek is dat je uiteindelijk je moeder nog meermalen aan haar sterfbed hebt bezocht. 

‘Ik werd gebeld door mijn broer, die ik ook al een jaar of dertig niet had gezien. Dat ze steeds over mij sprak. Dus toen ben ik gegaan.’

Beeld Martijn van de Griendt

Je citeert jezelf: ‘Je hebt het goed gedaan, mam. Je kunt naar papa toe.’ En: ‘Ik hou ook van jou, mam.’ 

‘Ik zag dat ze op was. Dus ze moest goed naar haar einde toe. Het sloeg natuurlijk nergens op wat ik zei, maar ik kreeg haar ermee tot rust. En in haar optiek hád ze het ook goed gedaan. Had ik het verpest, niet zijzelf.’

Voelde je niet de behoefte er nog iets over te zeggen? 

‘Néé joh, echt totaal niet! Daar lag ze: 90 jaar, uitgemergeld en dolblij dat haar zoon er was. Zou je dan nog verwijten gaan maken? Dat valt aan een sterfbed allemaal weg. Ik wilde dat ze het leven goed kon verlaten. Dat gunde ik haar heel erg.’

Waarom? 

‘Omdat ik geen man van rancune ben. Mijn moeder pakte mijn hand en legde die op haar borst. Het meest fysieke dat ze ooit had gedaan. Ik begreep het. Mijn hand was van haar. Ineens was ze weer moeder geworden. Onze oudste zoon Sebastiaan verwoordde het later mooi: dat mijn moeder daardoor als moeder heeft kunnen sterven. Zo was het.’

Als lezer van je boek ga je je toch afvragen of ze dat wel verdiende. 

‘Nee, ze had het niet verdiend, maar er zijn momenten in een mensenleven dat je groot moet kunnen zijn. Dat je boven jezelf moet uitstijgen. Dit was zo’n moment. Al het gedoe deed er gewoon niet meer toe.’

In het boek vergelijk je jezelf met de maan, die alleen maar zijn voorkant laat zien, nooit de achterkant. Van voren ben jij die vrolijke, energieke Bart Chabot, maar er is ook een duistere zijde. 

‘Die had ik inmiddels zo goed verborgen dat-ie ook voor mezelf onvindbaar was geworden. Heel soms, als er niemand thuis is, verzink ik nog weleens in melancholie. Maar ik probeer er ook van weg te blijven, omdat je er zo weinig aan hebt. Naar vóren, ik kan het iedereen aanraden. Kijk naar de horizon voor je, niet naar de ravijnen achter je.’

CV Bart Chabot

26 september 1954 Geboren in Den Haag

1974 Nederlandse taal- en letterkunde, Universiteit van Leiden

1981 Dichtbundel Popcorn, daarna volgen onder meer: Genadebrood, Judaskus, Fort Knox, De Bril van Chabot, Space Cowboy, Bananenrepubliek

1996-2003 Vierdelige biografie van Herman Brood: Broodje gezond, Broodje halfom, Brood en spelen, Broodje springlevend

1998 Theatertournee met Herman Brood en Jules Deelder

2004 Proza Elvistranen, daarna volgen onder meer: FC Dood, Scheveningse wolken, De Patatbalie, Up on the Hilton Roof

2006 Winnaar kennisquiz De Slimste Mens, theatervoorstelling Giphart & Chabot met Bril

2007 Krijgt Johnny van Doornprijs voor de gesproken letteren

2008-10 Politiek duider voor talkshow Pauw & Witteman

2009 Verzamelde gedichten Greatest Hits

2010 Constatering brughoektumor

2011 Diepere lagen

2013 Debuutroman Triggerhappy

2014 Bloemlezing Zestig, schrijft de tekst van het Groot Dictee der Nederlandse Taal

2016 Broodje totaal, roman Easy Street, toneel: Chez Brood

2018 Dichtbundel Hosanna Dagen

2020 Mijn vaders hand (Bezige Bij)

Bart Chabot is sinds 1987 getrouwd met Yolanda, ze wonen in Den Haag. Samen hebben ze vier zoons: Sebastiaan (30), Maurits (27), Splinter (23) en Storm (22).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden