'Mijn geest wordt niet ouder, die is tijdloos'

Nog dagelijks komt schrijver, dichter en beeldend kunstenaar Simon Vinkenoog ogen en woorden te kort om zich te verbazen over de ruimte die de menselijke geest kan bestrjden: 'Vergeet alles wat je hier hebt geleerd', sprak hij postdoctoraal studenten toe, 'en luister naar de super-autodidact van Nederland!' Het vroegste proza...

DE HOF van Eden bestaat, berichtte Simon Vinkenoog in 1991 in Bres, 'onafhankelijk tijdschrift over keerpunten in mens en cultuur'. Het bleek te gaan om de volkstuin die hij en zijn vrouw Edith Ringnalda ('Wij zijn niet volmaakt, maar ons huwelijk is dat wel') in Amsterdam-Noord hadden gevonden. Zeker sinds ze de tuin ernaast erbij hebben kunnen trekken, en Simon daar een werkhuisje heeft neergezet, zijn ze er grote delen van het jaar niet vandaan te slaan.

Voor de schrijver, die volgende maand zeventig wordt, betekent het bijna een thuiskomst. Het volkstuinencomplex Buitenzorg grenst aan het Vliegenbos, aan de andere kant waarvan Vinkenoog in Tuindorp Nieuwendam zijn eerste zes levensjaren doorbracht. Dat bedenkt hij als hij in zijn tuinhuis zit te typen. Net zoals hem te binnen schoot, toen hij keek naar de twee dikke boeken die de vorige week verschenen: 'In de heruitgave van mijn eerste drie prozaboeken Zolang te water, Wij Helden en Hoogseizoen vind je mijn eerste dertig jaar, en in Herem'ntijd, de selectie van columns uit Bres, de laatste dertig. Misschien zou ik nog een tussenboek moeten schrijven, dan is ook die tijd vastgelegd. Maar planmatig ga ik liever niet te werk.

'Die eerste boeken bevatten zeer autobiografisch proza, hoewel ik ook schrijverstrucs toepaste, zoals de hoofdpersoon twee jaar ouder maken dan ikzelf was, zodat hij nog had kunnen vechten aan het Oostfront.

'Ik werkte in Parijs bij de Unesco, en als ik dan thuis kwam, schreef ik aan Zolang te water (1954). Dat ging met veel huilen en zweten gepaard. Het was een soort psychoanalyse. Een afrekening. Dat is ook de titel van mijn eerste gepubliceerde gedicht. Ik wilde het verleden loslaten, alles wat die Tweede Wereldoorlog had aangericht. Mijn beste vriend heb ik zien verdwijnen in het niets, door een man met een geweer. Ik wilde resoluut breken met onderdrukking.

'Toen ik Hoogseizoen schreef, had ik de eerste lsd-ervaringen achter de rug, maar ik had nog niet bereikt wat me zou lukken met Liefde, een dagboek van vijfhonderd pagina's over zeventig dagen. Overdag zei ik geen woord, ik liep met open ogen rond, en 's nachts schreef ik over alle mogelijke onderwerpen. De hele wereld kwam erbij kijken. Dat ben ik blijven doen, zoals je kunt zien aan mijn artikelen in Herem'ntijd. Het is alsof ik binnenstebuiten ben gekeerd. Ik hoef nu niet meer over mijn eigen problematieken te praten. Want op een zeker moment denk je: wat ieder mens individueel meemaakt is ook weer universeel, iedereen gaat door eenzelfde evolutie heen.

'Nou ja, je ziet wel mensen van wie je denkt: heel intelligent, maar het licht hebben ze nog nooit gezien. Wat je daaronder moet verstaan, weet ik trouwens ook niet precies. Het gaat om kosmische inslagen, die je de rest van je leven bijblijven. Ik schreef over hippies, flower power, underground, voordat die namen nog bestonden. Mensen die van alles wilden, maar niet wisten welke kant ze uit moesten. Ze reisden, hielden van jazz en dansten heel goed. Geniale types zaten erbij, maar sommigen liepen te dicht langs de wallenkant en donderden dan in de sloot. Het zijn sterke benen die de weelde kunnen dragen. Je moet altijd the sunny side of the street opzoeken. En it don't mean a thing, if it ain't got that swing.

'De wereld swingt als de pest, en de rest is gemompel van bedelaars. Als je nou maar blijft swingen als de pest, dan is er niks aan de hand. Dat klinkt gemakkelijk, maar je moet het wel waarmaken. Net als Bob Dylan, die steeds weer opstaat, terwijl die andere jongens concerten afzeggen omdat ze van trapjes vallen. Of ze hebben het aan hun keel.

'Die nieuwe manier van leven wilde ik naar buiten brengen in die eerste boeken. Terwijl ikzelf ondertussen wegliep bij mijn vrouw Ilse, die zwanger was van mijn zoon Alex. Dan ging je naar de Leidsekade, en daar ontmoette je geestverwanten. Ramses Shaffy, Adèle Bloemendaal, Donald Jones. Dat huis weerkaatste van de ruzies. ''Heksen'' stond er in de gang geschreven. Alle kamers waren zwart geverfd. En 's nachts schreef ik Hoogseizoen. Toen verschenen er stukken in de krant, met een fotootje erbij. Ineens was ik een published writer, en onderscheidde me van veel andere jongens die 23 ongepubliceerde romans op hun naam hadden staan.

'Achter in die drie boeken heb ik recensies opgenomen. Kun je zien hoe men destijds reageerde. Alleen Kouwenaar en Louis Paul Boon begrepen mij, maar verder zijn ze allemaal moralistisch van aard: ''verwerpelijk'', ''weerzinwekkend'', ''erotisch jagerslatijn'', ''narcisme'', ''waar moet het heen met de jeugd?'' Beter over je geschreven dan over je gezwegen, dacht ik toen al. Mijn vorige prachtige dichtbundel Het Hoogste Woord is bijna doodgezwegen, terwijl het wel naar alle kranten is gestuurd.

' ''Hugo wordt misschien wel blind. Hij wordt waarschijnlijk ook wanstaltig dik, later, hij loopt niet genoeg, na tien minuten geeft hij voor vermoeid te zijn.'' ' Heb ik dat in Zolang te water over Claus geschreven? Maar staat er niet voorin dat alle overeenkomsten op toeval berusten? O. Ja, Hugo heeft die tijd weer beschreven in zijn roman Een zachte vernieling, maar van alle ruzies die hij daarin oproept, heugt mij niets. Hoewel ik ook na acht jaar met haatgevoelens uit Parijs ben weggegaan. Er werd nog steeds sale étranger tegen je geroepen.

'Ik vind Claus de grootste levende schrijver. Ook al heeft iedereen zijn eigen grootsheid. En ach, de mensen riepen toen de gekste dingen. ''Ik heb al in twee weken niet geneukt'', kon Hugo zomaar roepen. Ik had een groot ontzag voor zijn encyclopedische kennis. Hij zag drie films op een dag, en wist naderhand exact wie de spelers en de cameramannen waren.

'Ik was een heel geïsoleerd jongetje, dat wel op het Leidseplein had geroken aan het artistieke, maar toch heel provinciaals was. In Parijs kwam ik allemaal reuzen tegen. Reken maar dat die Cobra-schilders bezeten waren, want die moesten een hele markt veroveren in een stad waar twaalfduizend schilders woonden.

'Met de Vijftigers had ik een Seelenverwandtschaft, we voerden een gezamenlijk front tegen de botheid. De nieuwe toon, noemde Rodenko het. Het experiment. Wij lazen de surrealisten, dat was toch iets anders dan wat in Nederland de boventoon voerde, met de nuchterheid van de Amsterdamse School.

'Opschrijven wat er op het moment zelf gebeurt, dat doe ik nog steeds. Ik kan niet anders. Mémoires schrijven? Nee. Edith zegt: ''Als-ie op zijn tachtigste bedlegerig wordt, dan misschien.'' Er is nu nog te veel te doen. Ik doe het mezelf niet aan, me terug te trekken uit de wereld om een boek met herinneringen te maken. Een sprookje wil ik schrijven, over liefde en geluk, dat de lezer vanaf de eerste bladzij zou meetrekken.

'In het nawoord van Herem'ntijd vraag ik wat er mooier zou zijn dan in een Eeuwig Hier en Nu te leven, zonder toekomst of verleden. Homo ludens in een verscheurde wereld. We zouden wel eens voor een nieuwe avant-gardistische golf kunnen zitten. Dichters hebben het altijd beter geweten dan ideologen, zeg ik met Theodore Roszaks The Making of a Counter Culture. ''Eeuwig nu'', heet ook een gedicht in mijn nieuwe bundel Vreugdevuur, die opent met ''Al wat beweegt/ zal in beweging blijven.''

'Inderdaad, er staat ook: ''Niets dat beklijft/ en alles zal verdwijnen.'' Natuurlijk. Maar het leven gaat door. Vrienden sterven. Lucebert, Schierbeek, Johnny van Doorn, Arie Visser, Vaandrager, Herman de Coninck. Het dunt uit. Maar voor zwaarmoedigheid ben ik te gelukkig. Het vreugdevuur, dat is het vuur waaruit de Feniks zal herrijzen.

'Toen ik werd afgekeurd voor militaire dienst, stond er in het rapport: ''Evidente neurose bij een superieur intellect.'' Toen was ik twintig. Nu heb ik een peace of mind bereikt. Mijn geest wordt niet ouder, die is tijdloos, die was er zevenhonderd jaar geleden al. I hope I don't grow old before I die.

'Mooie wind heb je hier buiten, hè? Dan gaan er op onze tuin allemaal belletjes rinkelen. Er bestaan trouwens ongelooflijk veel namen voor winden en windgoden, wist je dat?'

Arjan Peters

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.