ColumnManon Spierenburg

Mijn dochter moet íéts hebben om later aan haar psychiater te vertellen

Auteur en scenarist Manon Spierenburg schrijft wekelijks een column over hoe het steeds stiller wordt om haar heen nu ze doof wordt.

null Beeld Douwe Dijkstra
Beeld Douwe Dijkstra

Met de deadline nog een comfortabele twee uur voor me uit, zit ik lekker te typen aan de laatste scène van een scenario, niet gehinderd door de deurbel, de telefoon, de wederwaardigheden van de buren en gezinsleden die willen weten waarom er geen schone sokken zijn of schreeuwen dat ze honger hebben. Het gaat allemaal volkomen langs me heen. Van andere schrijvers weet ik dat ze met een koptelefoon op werken om de bubbel te creëren die ik van nature heb. Soms, bedenk ik zelfvoldaan, is die stille wereld waarin ik onvrijwillig ben beland zo gek nog niet.

En dan crasht mijn computer. Met nog maar twee uur tot de de deadline. Er is niemand thuis, dus ik moet zelf de helpdesk bellen. Dat kan ik helemaal niet. Veel te doof. Machteloos ram ik veertig, vijftig keer op het toetsenbord, in de hoop dat het scherm toch weer gaat bewegen. Ik probeer me de paar trucs te herinneren die mijn dochter haar digitaal uitgedaagde moeder met eindeloos geduld heeft proberen bij te brengen (‘Je hoeft het niet te begrijpen! Je hoeft het alleen maar te dóén!’), maar niks werkt. Intussen wordt mijn werk gegijzeld door de computer, en scenaristen hebben helaas niet dezelfde vrijheid als bijvoorbeeld aannemers, die rustig wéken later kunnen opleveren dan afgesproken, en dan ook nog verontwaardigd reageren als je het gore lef hebt daar iets over te zeggen.

Ergens onder een stapel boeken ligt een headset. Die kan ik op mijn telefoon aansluiten en op standje brandalarm zetten. Ik negeer de opkomende angst en druk op het telefoonicoontje. Zie dat het al weken geleden is dat ik gebeld heb. Nou ja, gebeld werd. Ik bel de helpdesk. Door de headset buldert een goed gearticuleerd keuzemenu. Misschien ben ik toch niet zo hulpeloos als ik denk. Ik toets in dat ik een medewerker wil spreken en word in de rij gezet. Nog twee wachtenden voor me. De pauzemuziek is niet te volgen, maar dat is niet erg. Ik wacht op wat komen gaat en denk aan het telefoontje dat ik moest plegen toen een onlineboeking voor een weekendje Londen niet helemaal goed was gegaan (‘Kan je dan ook helemaal niks?’); de enige manier om mijn 900 pond te redden was door het nummer te bellen dat erbij stond. Kansloos, dus ik liet mijn dochter, toen nog maar 12, er in haar brugklas-Engels voor opdraaien, terwijl ik paniekerig commando’s door het gesprek heen snauwde. Ze moest tenslotte íéts hebben om later aan haar psychiater te vertellen.

Een helpdeskmedewerker breekt door de automatische meldingen heen. ‘Aa.eea.i.uelle’, zegt hij, wat ik nog net kan vertalen naar ‘Waarmee kan ik u helpen?’, maar dat wij straks samen de computer aan de gang zullen krijgen lijkt me hoogstonwaarschijnlijk, dus ik brabbel een excuus en hang op. Mijn dochter mag nooit het huis uit.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden