Mijn band met de meidoorn is sterk Herman de Vries haat de term 'groen'

In zijn Beiers atelier van 200 vierkante kilometer raapt hij stronken voor een 'bodembeeld' en verzamelt hij aarde van over de hele wereld....

DE BELLADONNA is een struik vol ogen. De glanzende bessen, op groene wimperkroontjes, zijn diep purper, net niet zwart. Ze scherpen de waarneming. Na een paar druppels vocht op het netvlies, verwijden de pupillen zich. 'Ze worden zo groot als de bes van de belladonna. Je kunt ermee zien in het donker. Op een maanloze nacht, en geen ster aan de hemel, ben ik het bos ingegaan. Ik heb daar rondgewandeld in een wonderlijke geestesgesteldheid, maar zonder te struikelen of ergens tegenaan te lopen.'

De belladonna groeit in het Beierse dorpje Eschenau, in de achtertuin van Herman de Vries, de kunstenaar die 484 planten heeft beproefd, als voedsel, drug of medicijn, maar die de ogen van zijn publiek wil openen voor de oneindige rijkdom in de natuur: weerspiegeld in het pluis van de paardenbloem, zo goed als in een rozenknop. Uit respect voor de eigenwaarde der dingen, groot of klein, verwerpt De Vries de hiërarchie, in beeld en geschrift. Hij lijst om het even onkruid of sierplant in, en spelt zijn naam, wetenschappelijke artikelen en de titels van zijn kunstwerken consequent zonder hoofdletters.

Want: 'De wortelbacterie doet niet onder voor de boom. Ze zijn beide even belangrijk en voor hun leven op elkaar aangewezen. Alles heeft inhoud. Elk verschijnsel. Elke grasspriet is uniek.' Meine poesie ist die welt, dichtte De Vries in 1972, en sindsdien herhaalde hij die allesomvattende stellingname in 57 gangbare en niet meer gesproken talen.

De kunstenaar, in 1931 geboren in Alkmaar, 'de stad van de iep: een traditionele grachtenboom', nam eind jaren zestig het besluit tot deze radicale verruiming van zijn werkterrein. De begrippen chance en change werden zijn levensmotief: die welt ist meine chance, sie ändert mich jeden tag, meine chance ist meine poesie. Hij gaf zijn huwelijk op alsook zijn baan bij het Instituut voor Toegepast Biologisch Onderzoek in Arnhem, trok zich een paar maanden in de Biesbosch terug om zich op zijn toekomst te bezinnen en begon vervolgens aan ein trip durch die welt.

Hij reisde door de Sahara en trok het jaar daarop via Perzië naar India. Vandaar ging hij, met een stel Amerikaanse vrienden, muzikanten van de popband Sweet Smoke, verder naar de Seychellen, een droom achterna: 'We wilden Aride Island kopen en er onze eigen leefgemeenschap vormen. Toen we daar niet welkom waren en terug werden gebonjourd, overwoog ik me in Ierland te vestigen. Ik wilde definitief weg uit de stad en uit Nederland, waar de kunstscene me te nauw voorkwam.'

In Nederland was De Vries betrokken geweest bij de Nul-groep, met Jan Schoonhoven, Armando, Henk Peeters en Jan Henderikse, die zich eveneens tot 'de werkelijkheid' bekeerden, bijvoorbeeld in stapelsculpturen van bierkratten of autobanden. 'Niet meer de kunst het leven opdringen of het leven verkunstelen, maar het leven zelf tot kunst verklaren', betoogde Nul in 1961, parallel aan de opkomst van het Franse nouveau réalisme en het Duitse Zero.

Voor De Vries was Nul 'een belangrijk gegeven als nieuw begin, een punt van verandering'. Maar: 'Ik voelde een grotere verwantschap met de kunstenaars uit Duitsland. De wisselwerking tussen Nul en Zero wordt gemakkelijk overdreven. Nul was als groep nauwelijks vertegenwoordigd op de internationale presentaties van Zero, in Amerika, noch in Europa. Daar namen alleen Schoonhoven en ik aan deel.'

Volgens de herinneringen van zijn Nederlandse collega's, in 1993 vastgelegd ter gelegenheid van een retrospectief zonder De Vries, was Nul nuchter; Zero relatief hoogdravend. Schwärmerisch, meende Armando. Échte ideologen, vond Henderikse. En Peeters ging er nog wat dieper op in: 'Over dat punt hadden wij vaak ruzie met de Duitsers, want die hadden naar onze mening te veel idealisme. De religie, de mystiek, het idealisme, daar moest je na '45 in onze kringen niet mee aankomen. Daar kon je elkaar de stuipen mee op het lijf jagen.'

Slaat De Vries terug: 'Hun argumenten waren oppervlakkig. Zij zagen kunst als commercie en profileerden zich als zakenmannen. Gepoetste schoenen. Strak in 't pak. Ik droeg sandalen en liet mijn baard staan, uit gemak, maar daardoor zag ik er voor hen te veel uit als dé kunstenaar. Schoonhoven waardeerde ik. Armando was maar kort bij Nul, die ging daarna weer expressief schilderen. En Peeters maakte graag andermans werk na, en antedateerde dat dan, om ook mee te kunnen doen. Ik kwam liever over de vloer bij Hermann Goepfert, in Duitsland.'

In Duitsland, niet op de Seychellen en evenmin in Ierland, maar in het Beierse Eschenau, dat schuilgaat in een plooi tussen de heuvels benoorden het Steigerwald, vond De Vries in 1970 zijn tweede Heimat. In Duitsland ontmoette hij ook zijn tweede vrouw, Suzanne Goepfert, de muze die hem nu bijna dertig jaar op zijn wereldreizen vergezelt en telkens met hem terugkeert naar zijn 'open atelier': het Steigerwald zelf, 'een van de drie grootste Duitse bosgebieden', dat in het verlengde ligt van hun achtertuin met de belladonna.

De werkplaats van 200 vierkante kilometer is De Vries vertrouwd van boom tot beek, van reeënpad tot bloemenwei, van heuveltop tot struikgewas. Hier raapt hij voor een 'bodembeeld' de stronken op die door wilde zwijnen zijn losgewoeld - 'mijn medewerkers kun je zeggen'. En hier maakt hij een uitsnede van het gras in de berm, en vangt het achter glas. De sprieten tekenen zich haarscherp af, zoals Dürer ze aquarelleerde in 1502, maar nog verfijnder nu: das grosse rasenstück volgens De Vries is geen studie meer naar de natuur, maar een documentatie ervan, niet omgevormd tot kunst, maar zelf tot kunst verheven.

'Ik neem het waar en presenteer het, maar het echte werk gebeurt hier', wijst de kunstenaar, terwijl hij de auto aan de kant zet voor een nadere inspectie van zijn laatste ontdekking. 'Die trof ik deze winter: equisetum hiemale, paardenstaarten, die groen blijven. Mijn vindplaats is uniek. De plantenkartering van Beieren laat hem onvermeld.' Achter het stuur wappert hij vergenoegd met zijn Fahrerlaubnis für gesperrte Forstprivatwege: de vrijbrief voor Künstlerische Tätigkeiten in het bos, die hij verwierf met een beroep op de grondwettelijke gelijkwaardigheid van wetenschap en kunst.

In zijn werk verdwijnt het onderscheid: 'Het is de taal die de wereld in tweeën deelt. We spreken van hier en daar, jij en ik, natuur en cultuur. En we behelpen ons met algemene begrippen als biomasse.' Hij gruwt. 'Ik haat de term groen. Het is een kantoorwoord, om handig mee te schuiven achter de tekentafel: groenstrook, groenplan, groenvoorziening. Een Duits dieptepunt is Strassenrandbegleitgrün. Onze stedenbouwkundige evolutie gaat gepaard met een groot verlies aan kennis op ander gebied. De doorsnee Duitser kende midden jaren tachtig welgeteld nog zes planten bij de naam.'

De Vries wil de diversiteit weer doen uitwaaieren. In zijn collages van het loof dat op een middag van de kersenboom dwarrelde, of van bladeren geperforeerd door een hagelbui, bezweert hij keer op keer: 'Geen boom en geen blad aan de boom is gelijk.' Voor het Wateringseveld in Den Haag ontwerpt hij een 'bomenmuseum': de nieuwbouwwijk wordt beplant met minstens tweehonderd verschillende soorten, afkomstig uit alle windstreken. Elke straat krijgt een andere boom, telkens in een keur aan variëteiten: de Eikenlaan op zijn beurt komt vol verschillende eiken te staan.

In het Steigerwald bezoekt De Vries vaak zijn eigen eik der eiken, een reus van honderden jaren oud, die op een helling tussen de beuken en een enkele den kaarsrecht naar de hemel reikt. Voor zolang het duurt, vreest zijn bewonderaar. 'Als daar een houtvester met een commercieel geoefend oog op stuit, gaat-ie direct naar de fineerfabriek.' De majesteitelijke eik uitroepen tot Naturdenkmal gaat De Vries te ver. 'Ik hou er niet van vignetjes in levende stammen te spijkeren. Misschien kent hij geen pijn, maar een bepaalde ervaring zal de boom wel hebben.'

De kunstenaar hanteert andere bewaarmethoden. Wat los ligt, neemt hij mee: schelpen op de Seychellen of door de oceaan tot bollen gebeeldhouwde basaltstenen op het strand van Gomera. En hier en elders, op Sicilië en in het Steigerwald, in het laagland van Noord-Groningen en de bergen van Nepal, schept hij modder en zand in zakjes voor het archief dat bij zijn 'museum van de aarde' hoort. Het archief omvat, in kartonnen dozen, bijna zevenduizend pigmenten. Op de muren rondom hangen uitwrijvingen van die monsters: staalkaarten, die talloze nuancen en contrasten onthullen.

Tegenover het roodste rood dat De Vries gevonden heeft, op het Griekse eiland Leros, hangen roze poederpastels. Er is mosterdgeel uit Australië, hetzelfde geel waarmee de aboriginals veertigduizend jaar geleden op de rotsen schilderden. En het grauw geachte Groningen, dat de kunstenaar op verzoek van voormalig museumdirecteur Frans Haks in kaart bracht, ís inderdaad beige en grijs, maar met een keur aan tussentinten. 'Elke dag, van ding tot ding, van plek tot plek, is alles telkens anders,' zingzegt De Vries.

Maar om die reden is er ook aarde die niet in zijn museum past. Dat is de aarde die Armando 'schuldig' noemt; waarvan De Vries wel monsters heeft genomen, maar die te zwaar besmet is om op te kunnen gaan in het geheel. De aarde uit Buchenwald, in de Tweede Wereldoorlog een van de grootste concentratiekampen, waar honderdduizenden mensen werden vermoord of mishandeld: het is onmogelijk eraan voorbij te gaan, de geschiedenis te ontkennen, en het is nauwelijks mogelijk haar onder ogen te zien - grond die radeloos maakt. 'Misschien moet ik die onderbrengen in een schrijn.'

De monstrueuze gebeurtenissen die in de aarde voortwoekeren, zoals de ramp met de kernreactor in Tsjernobyl, en de mooie herinneringen, die voorgoed werden weggevaagd - De Vries verzamelt, en probeert te compenseren. 'Als kind ging ik met mijn ouders op onderzoek uit in de duinen bij Petten. Daar waren valleitjes vol vlinders en prachtige plantjes. Toen ik er later terugkeerde om ze aan Suzanne te laten zien, konden we ze niet bereiken. Er waren grote hekwerken omheen gezet, en in de duinvalleitjes uit mijn jeugd stond de eerste Nederlandse kerncentrale.'

De kunstenaar beschermt wat er nog is. Zijn oeuvre omvat een herbarium van planten wereldwijd. En een uitstalling van vegetatieve monsters: een demonstratieve herwaardering van de heilzame macht van tweeduizend verschillende wortels, bessen, takken en zaden, voorzien van een catalogus vol recepten die onder natuurvolkeren alleen mondeling worden overgeleverd - en die door De Vries voor de vergetelheid zijn behoed.

Wat hij aan levende natuur niet kan conserveren, draagt hij zelf met zich mee: de eik op zijn netvlies, de duinvalleitjes in zijn geheugen, en een scala van kruiden en bloemen in zijn bloed. Ich bin was ich bin. flora incorporata luidt de titel van een boek uit 1988, waarin hij de 484 planten opsomt die hij heeft ingenomen als voedsel, medicijn of drug - zowel uit nieuwsgierigheid, als uit een zucht naar samenhang.

Favoriet is de meidoorn, die zijn verstoorde hartslag heeft hersteld - bloemen en bessen in de thee. 'Als die struik bloeit, straalt hij eenvoudig. Sommigen vinden hem stinken. Ik vind hem prachtig, zo weerbarstig, zijn takken kun je bijna niet breken. Hij is taai. Mijn band met de meidoorn is sterk. Een vriend van me, die arts is, is hem ook gaan gebruiken, voor zichzelf en zijn patiënten.' De Vries past de natuurgeneeskunde toe als zodanig en hij zet haar in voor de kunst; als heelmiddel voor zijn publiek.

Hij wast het de ogen schoon met zijn fragiele composities van boombladeren, grashalmen en zaadpluizen, warrelend over een helder witte bladspiegel. En hij brengt het in een lichte roes, met een tapijt van lavendel, een bloembed dat lijkt op te stijgen van de museumvloer voor ein trip durch die welt - de lila bloesems klein en bescheiden, zacht gekleurd, maar behept met een bedwelmende geur.

Herman de Vries:

Reizen 1970-1998, documents of a stream, tot en met 23 augustus in het Rijksmuseum Twente, Lasondersingel 129-131, Enschede, maandag gesloten.

Vergankelijkheid, tot en met 23 augustus in Kunstvereniging Diepenheim, Grotestraat 17, Diepenheim, maandag gesloten.

1 m2, bijdrage aan groepstentoonstelling tot en met 30 augustus in de tuin van verpleeghuis De Meent, Grote Beer 10, Veenendaal.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden