Interview Michiel van Erp

Michiel van Erp over zijn openingsfilm: ‘Stiekem ben ik heel trots, maar het is ook eng’

Het Nederlands Film Festival opent met Niemand in de stad, het speelfilmdebuut van documentairemaker Michiel van Erp. 

Drie corpsstudenten staan centraal in Michiel van Erps speelfilmdebuut.

Michiel van Erp (54) zit op een terras in de zon, op een steenworp afstand van zijn productiekantoor te Amsterdam. En hij grinnikt. ‘Nu wil je ­weten hoe ík over die vloek denk?’ De vloek van de openingsfilm. Vorig jaar nog ­informeerde het Algemeen Dagblad ernaar bij Mike van Diem, regisseur van de toenmalige openingsfilm, Tulipani. Nou, antwoordde Van Diem, omdat het ­Nederlands Film Festival de laatste jaren zo vaak opende met een dieptepunt, leek het hem ‘wel een goed idee’ eens te beginnen met een hoogtepunt.

Zou jij zo kunnen antwoorden, met die bravoure?

‘O nee, dat zou ik nooit durven. Past ook niet zo bij mij. Ik ben heel tevreden over mijn film, hoor. Vorig jaar was ik er ook, bij de opening in Utrecht. Je weet hoe dat gaat, na ­afloop altijd gemopper. Het is geen gewonnen race, zo’n première op het festival. Maar dat geeft niet. Stiekem ben ik heel trots. Maar het is ook eng. Nou ja, rug recht. We gaan het aan.’

Niemand in de stad opent donderdag 27 september de 38ste editie van het ­Nederlands Film Festival, in de Utrechtse Stadsschouwburg. In de verfilming van de roman van ­Philip Huff uit 2012 verwijlen drie studenten (acteurs Minne Koole, Jonas Smulders en Chris Peters) nog even in de cocon van het corps, voor het volwassen leven begint. Een coming-of-ageportret vol gehannes met seks en ­relaties, de misère van afwezige of juist aanwezige ouders, plus de eerste echte dreun in de jonge levens: de film ­begint op de begrafenis van een van de vrienden.

Niemand in de stad is het speelfilmdebuut van Van Erp. De begenadigd documentairemaker (Pretpark ­Nederland, I Am a Woman Now) stak in 2014 al eens over naar de fictie voor Ramses, zijn in binnen- en buitenland, met onder andere een Nipkowschijf en Emmy bekroonde ­televisieserie over zanger Ramses Shaffy.

‘Ik heb altijd het idee dat wat ik maak, of het nu docu of drama is, veel over mijzelf vertelt. Dingen die ik blijkbaar wil delen, via de mensen in mijn films. Ik ben ook niet zomaar een speelfilm gaan ­maken, ik heb er wel een bedoeling mee.’

Michiel van Erp. Beeld Judith Jockel

Wat vertelt Niemand in de stad over jou?

‘Ik herkende me zeer in Philip, de belangrijkste hoofdpersoon van de drie. Die periode waarin je studeert en denkt dat je ­volwassen bent, maar tegen dingen aanloopt waaruit blijkt dat dat niet zo is. Je leert dat je niet weet wat echte ­vriendschap is, dat je niet weet hoe je een ander kunt ­helpen – dat zoiets misschien wel veel moeilijker is dan je dacht. Dát zit in de film.

‘Ik had zelf ooit ook een vriend die op jonge leeftijd ­overleed. Ik was 15, wel iets jonger dan de jongens in ­Niemand in de stad. Maar die schuldvraag waarmee de jongens in de film worstelen, en waarop je dan nooit antwoord krijgt, die ken ik. Ik herinner me ook goed wat het met zijn omgeving deed, met zijn ouders: niemand wist er raad mee. En dat ik toen dacht: ik móét ervoor zorgen dat ik zelf gelukkig word.

‘Dit klinkt vast heel stom, maar het zou fijn zijn als de film iets kan bijdragen aan het levensgeluk van degene die kijkt. Dat hoop je toch? Verder wilde ik een realistische film maken, zonder opsmuk.’

Ineens: ‘Wat vond je van de film?’

Ik vond het een mooie film.

‘O, gelukkig. Doodeng, al die meningen. Ik hoop zó dat er mensen komen.’

Had je 25 jaar geleden ook meteen kunnen beginnen met speelfilms, in plaats van documentaires?

‘Ja, die keuze voor documentaire was toeval. Ik wist eerst niet goed wat ik nou moest, in het leven. Ik dácht dat het acteren was (Van Erp was een aantal jaar toneelacteur, red.), maar ik was niet goed genoeg en ik voelde me ook te veel een uitvoerder van een ander. Toen ik eenmaal begon met filmen, korte reportages voor een kinderprogramma, wist ik vrijwel meteen: dit is wat ik wil en wat ik kan.

‘Daarna ben ik weggebleven uit de fictiehoek. De werkelijkheid is toch interessanter, vond ik. Dat vind ik nu niet meer. In fictie kun je álles bepalen, maar daarbinnen zoek je toch ook een soort werkelijkheid.

‘Zo groot is het verschil met documentaire niet. Je kunt het toeval opzoeken, acteurs laten improviseren. Ik kan daar beter in worden, denk ik. Verfijnder. Bij Ramses schrok ik van de regels op een filmset. O, het zijn er wel duizend! Het begint al bij decouperen (het van tevoren opdelen van een scène in shots, red.). Ik wil dat de acteur gewoon de hele scène speelt. Dat als je dit gesprek van ons nu filmt, en we halverwege ineens gaan tongen, je niet eerst een close-up van de handen filmt. Als dat er ook tussendoor moet, is voor mij de lol er al af.’ Hij kijkt opzij, naar de Amstel: ‘En als daar dan net iemand van de brug af lazert, nemen we dat ook mee. Dát vind ik spannend. Dat het ontstaat tijdens het filmen. De seks in Niemand in de stad is ook zo gedraaid.’

De seksscènes in Niemand in de stad vallen op ja. Die zijn niet tuttig of gerepeteerd, maar wel...

‘...Gretig! De seks moet gewoon zijn zoals ik zelf ook seks heb, of beleef: iets alledaags en iets mateloos. Ik heb via Airbnb een flat gehuurd waar ik met Minne en de twee ­actrices (Sofie Porro, Julia Akkermans) en cameraman ­Jasper Wolf een middag lang alles heb doorgenomen. Als test, om te kijken of het werkte, zodat het op de draaidag niet ineens eng zou zijn. Zo leuk: Minne, Sofie en Julia waren heel professioneel. Mijn gêne was veruit het grootst.’

Wat vind je van de Nederlandse speelfilm?

‘Eh... ik zie er niet veel. Wat was nou de laatste? O, La ­Holandesa heb ik gezien. Die vond ik mooi. Ik ga sowieso nooit naar romantische komedies. Redbad zou ik graag zien, als het nog kan.’

Hoe zou een documentaire van Michiel van Erp over de Nederlandse speelfilmwereld eruitzien?

‘Wat wil je van die Nederlandse filmwereld weten? De malversaties blootleggen? Laten zien hoe jong talent groot wordt? Wat wel wonderlijk is: de films van Paul Verhoeven, die heb ik allemaal wel gezien. Iedereen zag ze toen. Om bijvoorbeeld Spetters was ook zo veel te doen. (Verhoevens controversiële en seksueel vrijpostige jeugdklassieker uit 1980, over drie vrienden en het meisje van de frietkraam, red.) Ik zag de film in de bioscoop in mijn jonge jaren en vond het geweldig. Toen ik ’m terugzag, snapte ik ook meteen waarom, terwijl ik nu óók zie wat er raar aan is: dat expliciete, dat alles zo over de top is. Maar die frisheid van de acteurs, die thematiek! Van die typische Verhoeven-­dingen ook: zo’n lullenmeetscène in Spetters. Nou ja, ik heb dan de borrelnootjes.’

In de borrelnootjesscène in Niemand in de stad gaat een van de studenten een weddenschap aan over de hoeveelheid borrelnootjes die een corpsgenoot onder zijn voorhuid kan proppen. In de persmap van de film wordt benadrukt dat alles echt was, geen trucage. ‘Dat is het voordeel van een speelfilm: er is een groot productieteam, ze vinden niks raar. Als je om een stand-inlul vraagt die dat echt kan, vinden ze ’m gewoon. Ik vind die scène ook echt goed werken aan het begin van de film, omdat je meteen snapt met welk milieu je te maken hebt, wat hier de regels zijn.’

Hoe kijk jij naar het corps?

‘Ik heb er zelf niet bij gezeten. ­Niemand in de stad is een wit upper-classverhaal. Maar daar kun je niks aan doen, of je moet deze film gewoon niet maken. Verder zie ik het corps als de arena van de film, niet het onderwerp. Het gaat in de film ook helemaal niet om incidenten, om de ontgroeningen. De mooiste woorden in de film zijn voor mij die in de dialoog van de jongens over de ramen in de sociëteit. (‘Waarom zitten er geen ramen in de sociëteit?’ ‘Zodat niemand naar binnen kan kijken.’ ‘Nee, zodat wij niet naar buiten hoeven te kijken.’) Dat is de essentie voor mij. Dat ze bij een vereniging gaan om het leven te leren kennen, maar zich ook zo afzonderen.’

Je bent uiteraard speelfilm- regisseur, maar noem je jezelf nu ook zo?

‘Beetje gênant, maar ik heb besloten dat voortaan gewoon zo te zeggen. Ik wacht nog wel even de première af.’ Harde lach. ‘Daarna noem ik me ­allroundregisseur.’

Niemand in de stad draait vanaf 4 oktober in de bioscoop.

Openingsfilmregisseur Michiel van Erp is ook een van de Blikverruimers op het Nederlands Film Festival – vier festivalgasten (waaronder ook actrice Olga Zuiderhoek) die in Utrecht ieder een collegeavond geven vol beelden en gastsprekers. ‘Hoe verbeeld je de werkelijkheid?’ zegt Van Erp. ‘Dáár wil ik het over hebben. Ik heb allerlei mensen uitgenodigd uit mijn periferie die daar mee te maken hebben gehad: Conny Palmen, Adelheid Roosen, Wende Snijders en Philip Huff natuurlijk.’ De avond van Van Erp is zaterdag 29 september, in theater ’t Hoogt in Utrecht.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.