REPORTAGE

Michel van Egmond, redder van de boekenbranche

Voetbalboekenschrijver Michel van Egmond wordt op handen gedragen in de boekwinkels. Hoe schrijft hij die megabestsellers? En heeft-ie lekker gecasht?

Beeld NOCANDY

Michel van Egmond tuurt naar een beeldscherm zo groot als een paperback en weet dat-ie nou effe moet wachten. Het systeem van de parkeergarage beneden is zojuist geactiveerd, en nu zal een reusachtige ijzeren hand de zwarte Opel Zafira Tourer van het 47-jarige voetbalboekenkanon rijklaar afleveren uit de bewaarkamer van deze Rotterdamse torenflat, genaamd De Witte Keizer.

Op het scherm staat dat hij nummer 361 is, en dat de luxewagen uit box 247 opgepikt zal worden. Van Egmond ziet de ijzeren hand zijn Opel optillen en naar een volgende halte brengen. Het kan nu niet lang meer duren maestro, zegt hij.

Van Egmond woont op de achttiende verdieping, de voorpui is helemaal van glas. Als het moet, kan hij vanuit zijn slaapkamer de lichtmasten van De Kuip zien - niet geheel toevallig een van de bestemmingen deze dag. Hij werkte er veertien jaar als hoofdredacteur van de Feyenoord krant. Verder op het programma staat deze dag een ontmoeting in Den Haag met Joost Patocka, jazzdrummer in het trio van Benjamin Herman, en boezemvriend sinds mensenheugenis.

Zo was het hem gevraagd: laten we een dag rondtoeren langs plekken die min of meer hebben bijgedragen aan zijn huidige bestaan als dé bestsellerauteur van Nederland. Want dat is wat hij is geworden, sinds hij in betrekkelijk korte tijd de boekencharts vrijwel continu bestormde. Hij brak de markt van mannelijke niet-lezers open - een gigantisch reservoir, zo bleek.

Inmiddels heeft hij circa 650 duizend verkochte boeken van Topshow, Kieft en Gijp achter zijn naam staan. Een boek of vier verzamelde voetbalkronieken die hij de afgelopen jaren ook nog afleverde niet meegerekend. Die liepen stationair op vierduizend weggezette exemplaren.

Dus kom maar op, Van Egmond? Hoe doe je dat dan? Waar is het geworteld? Hoe is het zo gekomen? Dan kom je in zijn geval al snel uit op voetbal & jazz & veel geouwehoer, zegt-ie. Daar kun je toch wel wat mee? Ja, toch.

Want voor hem zijn het de twee heipalen van zijn loopbaan, waarin zowel voor jazz als voor voetbal geldt: je moet goed luisteren om het te kunnen horen. Waarmee hij maar wil zeggen dat iedereen wel denkt een zeer goed verkopend voetbalboek uit de hoge hoed te kunnen toveren, waarin de zinnen van René van der Gijp, Wim Kieft, Jan Boskamp en Johan Derksen kwiek kwakend en ongekend grappig je hersenpan binnenstormen - maar zo zijn we niet getrouwd. Goed luisteren naar die mannen, en het droog & koel opschrijven. Ga d'r maar aan staan.

Ja, en wie de solo van de legendarische Amerikaanse jazzdrummer Jimmy Cobb na beluisteren kan naspelen, kan ook René van der Gijp op papier laten swingen. Wie zegt dat nou weer? Nou dat gaat zijn boezemvriend Joost later op de dag zeggen, over de auteur die zelf ook jaren drumde.

Beeld NOCANDY

Van Egmond is overigens van mening dat Joost maar wat uit zijn nek zit te lullen, want hij kan echt niet zomaar Jimmy Cobb naspelen. Hij kan wel scènes uit The Big Lebowski uit het hoofd opdreunen, of zomaar samen een dag alcoholisch versnipperen met Jacobse en Van Es-imitaties.

Nee man, zei Joost, ook conservatoriumdocent, als jij je opgeeft voor het conservatorium, word je gelijk aangenomen. Een groot gevoel voor muzikaliteit bepaalt jouw schrijven, aldus Patocka. Jazz is ook een taal.

Roekoe, zeggen ze dan, al proostend.

En: je moet niet zeiken maar spelen - of schrijven. Schrijf dat ook maar op, maestro.

Lekker grote letters

Hoe vaak heeft René van der Gijp in zijn leven wel niet gehoord: joh, ik ga een boek over je schrijven. Niemand deed het, hij dus wel, deze ouwe reus, mooi toch. Da's toch ook toevallig, hoort hij dan zeggen, ik wilde dat boek ook maken, je bent me net te vlug af. Ja, ja, denkt Van Egmond dan, zeik niet, maak iets af, en hou lekker je muil.

Deze kwam ook vaak voorbij: geniet ervan gozer, want zo'n boek als Gijp met dat succes, dat heb je maar één keer in je leven. Daarna was het van, oké, het is je gelukt, maar ga het nou niet proberen te evenaren, dat lukt nooit. Kieft kwam weer op één in de boekentoptien, net als Topshow daarna.

Laatst was-ie op een feessie in de wereld van de literatuur, werd-ie aan iemand voorgesteld. Hij vertelde dat-ie al meer dan een half miljoen boeken had verkocht. O, zei de dame in kwestie, en waar ging dat dan over? 'Voetbal? Ja, maar dat is ook wel erg makkelijk.' Wat moet-ie daarop zeggen?

Beeld .

Lekker grote letters

Hij zou kunnen zeggen dat humor op papier nog een behoorlijk moeilijk stijlmiddel is en dat schrijven over absurdistisch entertainment zoals voetbal een gepolijst vizier behoeft. Laat maar waaien, dacht-ie.

Zijn Opel Zafira is vrijgegeven en staat nu met zijn achterkant gericht naar uitgang 1, op de begane grond. Of-ie gaat omdraaien, is nog niet helemaal zeker. De zelfdenkende parkeergarage hapert af en toe.

Van Egmond liep net nog op de Coolsingel, en als je over die singel loopt, dan heb je het over Feyenoord en dat ze er te weinig staan, voor feestelijke voetbalaangelegenheden. Bij het vieren van het laatste kampioenschap in 1999 mocht hij zelf even op het balkon. Hij was met de bus met spelersvrouwen aan de achterkant van het stadhuis aangekomen. De burgemeester stond klaar, het protocol schreef een trage voortgang voor. Maar aanvoerder Jean-Paul van Gastel denderde overal doorheen en liep met een wapperende schaal in de hand rechtstreeks naar het balkon en duwde dus dat ding omhoog: boem! Een ontploffing van geluid op de afgeladen Coolsingel was het gevolg. 'Ome' Fred Blankemeijer, Feyenoordman en Van Egmonds held in het kwadraat, zei toen: ga jij ook maar effe buiten kijken, hondje.

Waar-ie trouwens ook net was in de Rotterdamse binnenstad, was bij boekhandel Snoek. Buiten prees een groot bord Van Egmonds Topshow aan. 'Hier is de redder van de boekenbranche', zei de redder van de boekenbranche bij binnenkomst in de winkel, met omhoog gestoken armen. Van Egmond voegde daar nog aan toe: 'Hé joh, waarom sta ik niet op één, zal ik 'm effe daar leggen.' En ten overstaan van biografieën over Stalin en Jaap Valkhoff legde de boekhandelaar het succes van zijn boeken uit: a) Het leest makkelijk weg b) het gaat over mensen die we kennen c) en die tonen ook hun zwakke kanten.

Van Egmond voegde daar smalend ook nog een topvier aan reacties aan toe: a) lekkere grote letters b) ik hou niet van lezen, maar dat van jou is wel te vreten c) Iemand sms-te: 'Jezus, ik ben al op bladzijde 100, goed hè', en d) Een toevallige voorbijganger riep hem toe: 'Ik heb me de tandjes gelachen, door jou heb ik een wereldvakantie gehad'.

Zijn auto staat inmiddels met de neus de goeie kant uit, hij is helemaal ready for take-off, op naar De Kuip.

Beeld .

Trouwens, mocht je het je interesseren: die flat heeft-ie niet gekocht met de monnie van zijn boeken, hij betaalt gewoon huur. Hij heeft sowieso geen gekke dingen gedaan met zijn monnie. Hij is lekker met zijn vader naar New York gegaan, en met zijn twee dochters extra op vakantie. Hij heeft een paar centen op de bank, lekker toch, zo achter de hand.

Michel van Egmond zat gebogen over een blaadje met een pen in zijn handen. Hij was 16 jaar en zijn moeder had 'm gewezen op de vraag naar sportmedewerkers voor de Zoetermeersche Courant. En nu moest hij zijn proefverslag van de voetbalwedstrijd DWO-Delft afmaken, maar hij kon niet met de typemachine van zijn vader overweg.

Voor zijn gevoel deed hij examen voor The New York Times en hij was dolbij dat ze zijn gigantische taalfout in de kop voor lief namen. Nu mocht hij elke dag bij de Zoetermeersche Courant naar binnen lopen en luisteren naar de verhalen van die oude journalisten.

Wat een romantiek, dat hij nu werkte bij dezelfde krant als Rob Vente. Die schreef elke maandag een voetbalkroniek, 'Bal Na'. Als-ie op maandag met zijn vriendjes op straat voetbalde, gooide de krantenjongen hen altijd een gratis exemplaar toe, vanwege Vente.

Daar las hij de voor hem buitengewoon memorabele anekdote dat de grote journalist Rob Vente een chocomel met de grote voetballer Ruud Krol had gedronken. Hoe was het mogelijk? Dat je dat kon overkomen.

Vente was het type voetbalreporter uit de oude doos, kleurrijk, goedlachs, op zoek naar een snaakse grap, om in zijn kolommen te verwerken. Van Egmond zette zijn voormalige voorbeeld twee jaar geleden neer als een wandelende voetbaljukebox: je drukte een knop in, en daar kwam een anekdote. Ook in die zin is hij in zijn voetsporen getreden, als zeer gekwalificeerd verhalenverteller, liefst afgesloten met een schaterlach van zijn toehoorders.

Je moet 'm zien dan, Van Egmond, in zijn geruite jasje, en zijn nieuwe Nikes. Handen over elkaar en vertellen maar, zoals over de verloren zoon van Garrincha, een worstenhandelaar in Zweden, of over hoe altsaxofonist Art Pepper zijn maagband afdeed en wat je dan voor gore bende te zien kreeg. Hij zet 'm in, vouwt diverse dialogen uit, duwt belangrijke details in je gezicht en daar komt al zwiepend de clou. Hij kijkt je aan, als je 'm nog kunt aankijken, en niet voorovergebogen op je stoel zit.

Laatst zei iemand dat het net was alsof hij naar zijn vader zat te luisteren, want die mag ook graag een goed verhaal vertellen, over rare mensen en hun merkwaardige gewoontes. Opeens had-ie in de gaten waar het toch allemaal van vandaan zou zijn gekomen, zoals dat luisterend oor en zo.

Natuurlijk! De kapperszaak van zijn vader, Kapsalon Robèrt A. van Egmond in Zoetermeer. Daar was zijn vader met zijn knippende moeder neergestreken, nadat hij eerst bij een chique Haagse kapsalon had gewerkt, waar ook het koningshuis tot het clientèle behoorde. Zijn vader heet gewoon Ton, maar zijn toenmalige baas vond dat-ie zijn naam moest opsjieken tot Robèrt.

En wat kan je anders doen in een kapperstoel dan lullen? Ja toch. Dan spoelen de mooiste verhalen vanzelf aan.

Michel van Egmond en René van der Gijp tijdens de bekendmaking van de NS Publieksprijs 2013.Beeld ANP

Kapper

Gay Talese, de grote Amerikaanse reportageschrijver en Van Egmonds eeuwigdurend voorbeeld, was het ook overkomen. Zijn vader was kleermaker geweest, en terwijl de klanten een pak werd aangemeten, werd het ene na het andere verhaal de winkel in geslingerd.

Hij wilde geen kapper worden, zoals zijn vader, moeder en ook zijn zus, maar hij heeft er toch wat moois aan over gehouden, alleen begrijpt-ie dat nu pas.

We zijn er, maestro, zegt Van Egmond, eens kijken of er wat gebeurt in De Kuip. Beetje rondhangen, ouwehoeren, dat werk. Maar er kan ook geen kloot gebeuren, want hij is er toch al een tijdje uit. Hij kent niemand meer, ze zijn vertrokken, of dood. Vroeger had hij de sleutels van De Kuip en at hij tomatensoep met Willem van Hanegem.

Gozer!, zegt hij zwaaiend naar voorbijlopende jeugdtrainer Brian Pinas, en plop, daar is een verhaal: Pinas kwam ooit als jeugdig talent van Feyenoord bij Newcastle United terecht maar de Engelse uitspraak van zijn achternaam ondermijnde zijn loopbaan aldaar. Engelse krantenkoppen duizelden van dubbelzinnigheden als Pinas is a rising star en There's only one giant Pinas.

Kijk daar zat hij dus, waar nu technisch directeur Martin van Geel zit. Even kijken? Nee joh, dat willen die lui niet, zegt-ie nog. En dan komt er een oude vertrouwde Feyenoord-medewerker uitbundig naar 'm toe en nodigt 'm uit om naar binnen te komen. 'Hé hallo', zegt Van Geel, alsof-ie een oude makker ziet. Gaat goed met jou hè?, ja gaat goed hè. Dus dat was jouw stoel, ja dat was jouw stoel, waar ik nu op zit. Gaat de tijd hard hè?, de tijd gaat heel hard. Zien mekaar hè.

Van Egmond wordt begeleid naar het kantoortje van de technische staf, waar mensen zitten die je doorgaans niet koppelt aan een reusachtig Apple-computerscherm: Jean- Paul van Gastel, Giovanni van Bronckhorst en Jan Wouters, de trainers van Feyenoord. De eerste twee heeft hij nog in het eerste van Feyenoord zien debuteren. Omhelzing van Van Gastel. Gaat goed? Ja, gaat goed hè. Heel goed. Laten we een keer een biertje doen. Ja, een biertje. We gaan een biertje doen. Ja doen we.

Zijn nieuwste boek, De snor van Jószef Kiprich, is een verzameling Feyenoordverhalen, over de meest Zuid-Amerikaanse club van Nederland, inclusief ontploffingsgevaar en permanent rondzoemende valse hoop. En dan kan hij niet om Ome Fred Blankemeijer heen, het gewezen geweten van Feyenoord. Geboren in 1926, speelde 28 wedstrijden in het eerste, en tot een jaar voor zijn dood in 2010 bij de club betrokken. Elke dag zocht Van Egmond 'm op, vanwege zijn one-liners, uitgesproken in kromgetrokken Rotterdams dialect, en zijn unieke relativering als clubman.

Over sympathie zei hij dat het niet zou bestaan: 'Sympathie bestaat niet, alleen in het woordenboek. Het staat op dezelfde pagina als shit en syfilis.' Over de euforie na een paar gewonnen wedstrijden, wist Ome Fred: 'Nu denken ze dat we kampioen worden maar over drie weken vliegt er weer een stoeptegel door de ramen.' Tijdens de ontmoeting met diverse oud-Feyenoord-spelers, zei hij tegen oud-spits Lex Schoenmaker: 'Kom hier hondje, dan krijg je een kusje.'

Het wonderlijkste vond-ie toch dat waar hij ook als hoofdredacteur van de Feyenoord krant kwam met het eerste elftal - Kazachstan, Brazilië, Japan - er altijd wel een meegereisde supporter was. Toen hij bij een clinic in Tokio voor schoolkinderen om zich heen keek, dacht hij even: hé, dit is uniek, helemaal geen supporter. Kwam er opeens een meisje aanlopen, Brenda geheten, die een afbeelding van De Kuip op haar rug heeft laten tatoeëren. Wat doe jij hier? vroeg hij nog. 'Wat ik hier doe? Wat is dat nou voor rare vraag. Feyenoord is hier toch.'

Wat hem in de loop der jaren fascineerde was het contrast tussen de in sterrenstof gedoopte supportersliefde en het opportunisme van de hoofdrolspelers. Die beloven eeuwige trouw, kussen het embleem op het shirt, maar als ze elders een paar knaken meer kunnen verdienen, tiefen ze op.

Beeld .

Mannenvriendschap

Ooit stond Van Egmond op een avond een kwartier lang op de middenstip, in het kunstlicht, in een lege Kuip - helemaal in zijn eentje dus. Zo zeg, dat was niet niks. Magisch.

Op een terras op het Plein in Den Haag zien ze elkaar, Joost Patocka en Michel van Egmond, en het gaat over waardering. Dan ziet Van Egmond die jonge gassies een beetje pielen met de bal en een godsvermogen verdienen, en daarnaast hoe het gaat in de jazz, met talenten als Joost. Pijnlijk verschil in beloning kan-ie wel zeggen. Alles goed en wel trouwens, zegt Van Egmond maar gedverdemme, we gaan het toch niet over mannenvriendschap hebben hè?

Hupsakee, volgt een Rita Reys-imitatie van Joost en een verhandeling over jazzbarones Kathleen Annie Pannonica de Koenigswarter en over die Nederlandse buschauffeur die alle handtekeningen had van het orkest van Duke Ellington. Weet je wat een ADO Den Haag-supporter zegt als je te lang warmloopt: 'hé joh, het is hier geen ruiterpad'.

Branford Marsalis, een van de grootste hedendaagse saxofonisten, is een vriend van Joost, zegt Van Egmond. Denk je dat die Marsalis dat zomaar doet? Die weet natuurlijk dat Joost een white motherfucker is op het drumstel. Dat is dan de waardering van een kenner. Mooi, zag hij bij Joost thuis Marsalis zijn vuile onderbroeken in de wasmachine doen.

Kijk zegt-ie, hij zelf zit in een sien waar je niet met je hoofd in de wolken moet gaan lopen. Je moet je niet gaan gedragen alsof je opeens the Great Dutch Novel hebt geschreven. Toen hij de NS Publieksprijs won, kreeg hij een smsje van Johan Derksen dat-ie trots was, en toen-ie 'm weer won, weer eentje. Die kwamen dan echt uit zijn tenen.

Hoogtepunten uit zijn boeken legt hij vooraf aan de drummer voor. Als Joost lachaanvallen krijgt, dan zit-ie goed. En wanneer krijgt-ie dat? Als je het simpel houdt. Kaal, ook wel. Op drums bijna geen noot spelen, schijnbaar onbewogen zitten, en achteloos schrijvend met een paar eenvoudige woorden alles zeggen. Daar gaat het om. Joost kijkt soms alsof-ie een taakstraf heeft; bij Van Egmond moet je ook steeds meer tussen de regels doorlezen.

Kutboek

Hoe doe je dat nou, een bestseller schrijven, vragen ze 'm altijd. Alsof-ie een succesformule heeft. Nou, niet. Hij worstelt zich als elke schrijver door de materie. Hij kan hoogstens zeggen dat het proces steeds hetzelfde is. Het begint met een opmerking, en dan wordt hij euforisch en ziet-ie het hele boek voor zich. Dan gaat-ie iemand benaderen, overhalen -als dat is gelukt, volgt de twijfel, jezus, wat een kutboek.

Vervolgens komen er de ingewikkeldste vormen voorbij, nooit vertoond in de geschiedenis van de wereldliteratuur. Pleurt-ie weg, gaat-ie uitstellen, klagen, zeggen dat-ie toch drummer had moeten worden. En dan gebeurt 't, hij pakt het reportageboek van Bart Chabot over Herman Brood, en ziet-ie dat hij ook gewoon maar opschreef wat-ie zag.

Na het gekut gaat het lopen, en muziek houdt 'm bij het goeie gevoel, telkens hetzelfde muziekje bij hetzelfde boek. Bij Gijp luisterde-ie in repeat naar de soundtrack van Capote. Bij Kieft hoorde hij oneindig de Ballads van John Coltrane. En dan is het boek af, en stuurt-ie het op. Best een gek gevoel. Heeft-ie eerst dagen, maanden, zitten klootzakken achter de computer, en dan heeft-ie niks te doen.

Zo, schakelen we door naar een reeks imitaties over hun favoriete snackkeet in Den Haag. De beste bestelling ooit daar opgetekend, daar gaat-ie: 'Doet u mij maar vijf kroketten, tien knaken voor de automaat, vijf koude ballen voor de hond, één bereklauw, twee broodjes speklap met vlammensaus en een broodje kroket met mayonaise onder, voor de bekleding. Dat is het. Nee, meer niet.'

Zijn we nu klaar met dat gelul, wil Van Egmond weten. Hij verwijst voor de uitsmijter graag naar zijn voormalig journalistiek leidsman Jan D. Swart. Die eindigde zijn Toon Hermans-interview in de Haagsche Courant met een uitspraak van Limburgse cabaretier: 'Zo Swart, nou zet ik je eruit, want je hebt zo veel aftershave op en die verziekt de smaak van mijn stokvis.' Zo maestro, nou jij weer.

Michel van Egmond en Wim Kieft met het boek Kieft tijdens de bekendmaking van de NS Publieksprijs 2014.Beeld ANP
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden