Mevrouw Dalloway

Deze roman is een werveling van associaties en bespiegelingen

'Mevrouw Dalloway zei dat ze de bloemen zelf wel ging kopen.' Met deze terloopse zin begint Virginia Woolfs Mevrouw Dalloway, in de nieuwe vertaling van Boukje Verheij. Een vrouw op weg naar de bloemenwinkel, een onderneming die geen grote woorden nodig heeft.

Maar de eenvoud blijkt bedrieglijk; mevrouw Dalloway is de straat nog niet overgestoken of daar tuimel je naar beneden, langs herinneringen, opgeroepen door de frisse juni-ochtend, de kus van een golf, een jeugdliefde; even land je in het hoofd van een passerende chauffeur die naar Clarissa Dalloway kijkt ('ze had iets weg van een vogel, van een gaaitje') en dan slaan de klokken van de Big Ben je om de oren. 'De loden kringen losten op in de lucht.'

Deze roman is een werveling van associaties en bespiegelingen. Clarissa Dalloway, een keurige dame twijfelend aan de zin van haar bestaan, loopt door Londen, 'als een mes door alles heen' snijdend en met het gevoel dat het 'heel, heel gevaarlijk' is 'om zelfs maar een dag te leven'. Ze geeft die avond een feest voor haar man en zet alles op alles om er een succes van te maken.

Aan de andere kant van de stad is de jonge Septimus Smith met zijn vrouw op weg naar de dokter. Septimus, zwaar getraumatiseerd door de Eerste Wereldoorlog, kan zich niet langer aanpassen aan het dagelijkse leven en verlangt naar de dood. Het doktersadvies luidt: proportie. Septimus moet zich aanpassen, zijn emoties bedwingen - een terugkerend thema. Clarissa krijgt bezoek van jeugdliefde Peter Walsh, die haar zo aan het twijfelen brengt dat ze 'het zwiepen in haar borst van zilverflitsende pluimen als pampagras in een tropische storm' nog maar net tot bedaren kan brengen. Clarissa's man is naar haar op weg met het voornemen haar te vertellen dat hij van haar houdt, maar durft uiteindelijk zijn emoties niet de vrije loop te laten.

Laag voor laag fileert Woolf haar personages, merendeels bange mensen geobsedeerd door status en voortdurend oordelend over anderen, beklemd in de verstikkende mores van de high society; en dieper graaft ze, ver achter de façade, tot de afgrond van de menselijke ziel. En daar, op het laagste punt, blijken de mensen ondanks hun angsten en verlangens, of juist dankzij, deel van elkaar uit te maken. Niet uit één stuk te bestaan, maar 'uitgespreid als een nevel' in de ruimte te hangen, in elkaar overvloeiend.

Ze botsen, hunkeren, zetten elkaar in beweging en midden in Londen zingt een oeroude zwerfster over de liefde die onder alles door stroomt, in een onbegrijpelijke taal: 'Ie um fah um so.'

Op weergaloze wijze schetst Woolf wat het kost om te leven, te laveren tussen aanpassing en zelfbehoud. Terwijl Clarissa en Septimus daarmee worstelen slaat elk uur de Big Ben, de dwingende tijd van de buitenwereld, als een oorverdovende doodsklok. Septimus kiest voor het 'behouden van zijn ziel'; hij weigert de dingen in andermans 'proportie' te zien en werpt zich vanuit een raam op een spijlenhek.

Het bericht van zijn dood, dat Clarissa 's avonds op haar feestje toevallig ter ore komt, geeft haar de moed om te leven, zo komen hun lijnen uiteindelijk bij elkaar. 'Ze voelde zich in zekere zin net als hij - de jongeman die zelfmoord had gepleegd. Ze was blij dat hij het had gedaan; het had weggegooid terwijl zij verder leefden.'

Op weg naar het feest van Clarissa concludeert Peter Walsh dat dit leven 'van een oneindige rijkheid' is. Dat is dit boek ook. Woolf vertalen betekent proza én poëzie vertalen, en Boukje Verheij is daar fantastisch in geslaagd.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden