Met of zonder kleertjes aan

In het kinderboek lopen zelden levensechte beesten rond: beren in een jas en honden in uniform blijken ons nader dan menige medemens....

In Diemen, aan de rafelrand van Amsterdam, is een klein kerkhof. De doden rusten er veilig onder hoge kastanjebomen. Het is er prettig ronddwalen. Dan tref je, in een hoek van de dodenakker, ineens betreurden aan met vreemde namen. In hun grafstenen staat niet Martinus of Geertruida gebeiteld, maar Kastor, Fifi of Doedeltje. Het zijn de keurigst aangeharkte graftuintjes van het kerkhof. Er ligt een riem bij de zerk, een koddig poedeldekje of een afgekloven speelgoedmuis. Hier en daar is een verschoten foto in de aarde gestoken, van de ontslapene met baasje, met daarop geschreven: ‘Zij was alles wat ik had’.

Er zijn dus mensen die dat doen, een echt graf huren en een steen laten graveren voor een viervoeter. Beelden van eenzame bejaarden en maatschappelijk uitgespuwden dringen zich op. Je moet van beton zijn om niet vol te schieten bij zoveel oprechte rouw. Niet zo hartverscheurend als kindergrafjes, met hun stukgeknuffelde beertjes, maar het komt in de buurt. Toch sluipt er ook een andere gedachte binnen: zou de wereld niet opknappen als al die belangeloze liefde aan ménsen werd gewijd? Van veel mensendoden is niet half zoveel gehouden als van Kastor en Doedeltje.

Eén ding staat vast: wie slecht is voor een dier, deugt niet. Mensen die een hond schoppen, jonge katjes verzuipen, bontjassen maken van hertjes met bambi-ogen, twintig muizen doden voor één anti-rimpelcrème, een gans volproppen voor een tongstrelend levertje – zij mogen branden in de hel. Maar het omgekeerde is niet per se waar. Wat te denken van mensen wier hart breekt bij een dierenasiel vol thuisloze keffertjes, maar asielzoekers die na een lange zwerftocht in de polder belanden liever meteen op een vliegtuig terug zetten?

De CPNB koos dit jaar voor de Kinderboekenweek een thema dat naadloos past in de tijdgeest. Dier & kind, dat onschuldige duo, deed het altijd al goed, maar is nu dubbel in trek. Met het oog op de Tweede-Kamerverkiezingen sluiten de politieke partijen gretig het kind – gratis kinderopvang, beter onderwijs, kliklijsten voor pedofielen – én het zielige dier in het ontrouwe hart. Misschien krijgt de Partij voor de Dieren dit keer een zetel. Maarten ’t Hart, Mensje van Keulen, Rudy Kousbroek, Kees van Kooten, Charlotte Mutsaers en Jan Wolkers – zij zijn niet de genomineerden voor de AKO Literatuurprijs, maar lijstduwers van het one issue-partijtje, die terecht wakker liggen van afgebrande snaveltjes en zonder verdoving afgehakte varkensballen.

Links heeft niet langer het monopolie op medelijden met het gekwelde dier, geofferd op de slachtbank van het grootkapitaal. Er is een strominkje dat je Groen Rechts zou kunnen noemen, niet te verwarren met het Blut und Boden-partijtje dat zich enkele jaren geleden onder die naam liet registreren. Jort Kelder, hoofdredacteur van Quote, is met hart en ziel voorstander van belastingverlaging én dierenactivist. Joost Eerdmans (toen nog LPF) stelde afgelopen voorjaar een wijziging van het Wetboek van Strafrecht voor, opdat dierenmishandelaars strenger gestraft kunnen worden. Eerder maakte hij zich druk over een vrijgelaten paardenverkrachter. Wie kiest voor het Dier, kiest voor het Goede.

In de kinderliteratuur heb je grofweg twee categorieën dieren: die met en zonder kleertjes aan. In het Kinderboekenweekgeschenk zijn dieren dit jaar uiteraard de helden. Echte dieren. Hun heldendom is onbedoeld. Bibi Dumon Tak schreef Laika tussen de sterren, over dieren die de mens tot nut zijn en daarbij meestal het loodje leggen. Het hondje uit de titel werd, tot glorie van de Sovjet-Unie, de ruimte ingeschoten en stierf in haar vierde baan om de aarde. Dolfijnen doen ook goed werk: zij krijgen kinderen met taal- en communicatiestoornissen aan het praten. Duizenden varkens, apen en ratten sneuvelen als proefkonijnen. En dan zijn er nog de slimme blindengeleidehonden en dappere postduiven.

Het is een leesbaar boekje geworden en je kunt er minstens drie spreekbeurten uit halen. Maar de arme Laika, Saartje en Skinny maken geen verpletterende indruk. Dieren die echt tot de verbeelding spreken, zijn die met kleertjes aan. Meestal alleen een jasje boven hun geslachtsloze onderlijf, zodat het pluizige staartje dat hen zo weerloos maakt, nog te zien is. Het zijn ook geen dieren. Zij zijn menselijker dan echte mannetjes en vrouwtjes ooit kunnen zijn.

Ieder kind komt vroeg of laat tot de verbijsterende ontdekking dat zijn lievelingspersonages beesten zijn. Spitsburger Donald Duck die verbeten zijn gras maait en een kippetje roostert op zijn barbecue – een eend? De Bommel-schurken Bul Super en Hiep Hieper, zijn dat honden? Wie een jaar of tien is, moet het toegeven. Maar kleuters weigeren het te geloven. Als mama varken, in de prentenboeken van Richard Scarry, met haar biggetjes bij de slager komt en unverfroren karbonaadjes en speklappen bestelt, is daar niets raars aan.

In het dierenrijk valt er tenminste iets te kiezen als het gaat om uiterlijk en mimiek. Bij literaire dieren vallen voorkomen en inborst volmaakt samen; zij zijn one issue-karakters. Marten Toonder was er een meester in. Hij legde een wereld aan betekenis in de bonhomie van een berenbuik, de lellebellen van een hanige markies, een zelfingenomen huidplooi van een nijlpaard-magistraat, het zenuwlachje van een gans, de lijzige tanden van een letterknecht. Een handvol zulke types en je hebt de mensheid wel in beeld. Wij allen wonen in Rommeldam, Duckstad of Fabeltjesland.

Natuurlijk komen er ook dierlijke dieren voor in de kinderliteratuur. In een van de mooiste kinderboeken ooit geschreven, De Wellandse wezel van de Amerikaan Tor Seidler, is de hoofdpersoon een wezel, Berend. Die doet al wat wezelachtig is: hij graaft gangen, eet muizen en zuigt eieren leeg. En ja, hij is bang. Niettemin is hij een held. Berend heeft menselijke gevoelens die hem boven zichzelf uittillen. Hij redt de wezelgemeenschap uit de klauwen van een arend; hij vat grote hartstocht op voor een lieflijke vis.

Ook bij onze kinderkoningin, Annie M.G. Schmidt, zijn dieren op het eerste gezicht vaak dieren. Maar ze leggen zich niet neer bij hun lot. Beer wil een heer zijn, en een ‘croquet’ eten. Een varkentje uit Soest ‘vond dat hij toch iets betekenen moest’. Door de modder rollen? ‘Nee, dit kleine varkentje wou dat niet hoor/ Dit kleine varkentje ging naar kantoor.’ Zelfs de harige spin Sebastiaan gaat tegen zijn natuur in. Hij heeft de fatale aandrift van een romanticus; ook bij vrieskou voelt hij ‘zo’n drang van binnen/ tot het weven van een web’. Dat komt hem te staan op hoon van het spinnenvolk: ‘Kijk, daar gaat hij met zijn Drang!’, roepen ze, als hij zijn dood tegemoet vliegt.

Mensen hebben bij Schmidt vaak onvervulbare wensen, zoals het verlangen naar een staart. Opgesloten huismoeders willen liever een kat zijn, met een prooi in hun bek. Maar ze passen zich zuchtend aan. Zoals de moeder van Ibbeltje, die liefst ‘iedere avond bij heldere maan/ de daken op wil gaan’. Zij behelpt zich met melk slobberen van een schoteltje.

Een buitencategorie zijn Schmidts kinderen. Zij zijn alles ineen, kind, dier en volwassene. Pluk, uit Pluk van de petteflet, is een jongetje van een jaar of zeven dat alleen op kamers woont, een kraanwagen bestuurt en kan praten met dieren. Met hulp van zijn vrienden Zaza de kakkerlak, Dollie de duif en Karel de meeuw voorkomt hij een kille, bureaucratische moord: de vernietiging van een park vol muizen- en vogelgezinnen. Pluk is geen dolkomisch kinderfiguurtje, maar een overtuigend, gedreven mens. Hij weet dat zijn woede en wanhoop ook leven bij zijn dierenvrienden.

Als boeken bedoeld zijn voor jongere kinderen, worden de gemeenschappen kleiner en overzichtelijker, maar het principe is hetzelfde. De dieren van Max Velthuijs wonen in houten, blauw of wit gebeitste huisjes in een groen heuvellandschap. Zij zitten op knusse leunstoelen en houten krukjes, ze eten en drinken van een oermodel borden en nappen, aan de muur hangt een schilderij van een peer.

Zo, in dát huisje, met die spulletjes, zou iedereen wel willen wonen. De woorden levensverzekering, werkloosheidsuitkering en alimentatie vallen er nooit. Niemand heeft kanker. Toch is het bestaan van de argeloze Kikker, de wijze Haas en het meelevende Varkentje niet rimpelloos. Soms steekt een storm op en lijken de bomen op monsters. Kikkers hart doet weleens van boem-boem-boem en dan weet hij niet of hij gelukkig is of bedroefd; hij is verliefd – dat zie je aan zijn iets loensende kraalogen en een trilling in zijn streepmond. Er gaat zelfs weleens iemand dood, al is het dan een dier zonder kleren, een kraai:

‘Dood,’ zei Kikker, ‘wat is dat?’ Haas wees naar de blauwe hemel. ‘Iedereen gaat dood’, zei hij. ‘Wij ook?’, vroeg Kikker verbaasd. Dat wist Haas niet zeker.’

De dode krijgt een waardige begrafenis, er wordt een traan geplengd en dat was dat. Kikker maakt een hoge sprong. Hij leeft, meer dan ooit.

Het dierengemeenschapje in het honderd-bunders-bos is iets gecompliceerder. De speelgoeddieren die er wonen, Poeh, Knorretje, Teigetje, Iejoor, Kanga en Konijn, zijn behept met lastige karaktertrekken. Het zijn de hoofdpersonen uit het allermooiste dierenkinderboek uit de wereldliteratuur, Winnie de Poeh van A.A. Milne, geschreven in 1926. Hoeveel Disney-versies, placemats, puzzels of handdoeken er ook van dit ‘merk’ zijn gemaakt, het origineel verveelt bij herlezing nooit.

Ieder zijn tekortkomingen. Poeh is natuurlijk een schat van een beer, maar het probleem is dat hij vaak zin heeft in een lekker hapje, gek genoeg altijd honing. Hij gunt een ander heus wat, maar als hij op weg gaat om iemand een potje honing te geven, is dat potje bij aankomst leeg. Logisch, want Poeh moest controleren of er niet per ongeluk kaas op de bodem lag. Dus geeft hij een mooi leeg potje cadeau, handig om dingetjes in te bewaren.

Omdat Poeh een Beer Met Heel Weinig Hersens is, roept hij vaak de hulp in van Uil, de intellectueel. Deze pocher verhult dat hij eigenlijk helemaal niet kan schrijven, alleen zijn eigen naam, ‘Ull’. Ook Knorretje, met zijn leergierig opgeheven snuitje, heeft een probleem. Tot zijn verdriet is hij maar een Heel Klein Dier. Hij wil grootse daden verrichten, het gevaar bestrijden dat altijd dreigt in het bos, in de vorm van voetsporen van wat wel eens een Woezel of een Klontemiggel zou kunnen zijn. Maar elke poging mislukt; Knorretje wil té graag.

De menselijkste, ontroerendste aller dieren is toch wel de ezel Iejoor. Hij, nederig lastdier, weet dat hij overal te veel is. Leer Iejoor zijn mededieren kennen. ‘Zo Zijn Ze’, verzucht hij als de zorgeloze Teigetje hem weer eens een streek levert. Stoïcijns drijft hij op zijn rug door de rivier; láát hem maar. Maar in de cynische somberaar klopt een hart. Als Iejoor wordt uitgenodigd voor een feest, kan hij zijn oren niet geloven. Op Poeh’s aandringen komt hij toch. Aan tafel houdt hij aangedaan een speech waarin hij bedankt voor cadeautjes die niet voor hem bedoeld waren.

Het geeft niks, houdt dit klassieke dierenverhaal de lezers voor. Je mag dom zijn, depri of egoïstisch, zolang je de moed maar niet verliest en trouw blijft aan je vrienden.

Kijk, met zo’n advies kunnen we leven. Leek onze wereld, groen links of groen rechts, maar een heel klein beetje op het honderd-bunders-bos. Maar uit dat paradijs zijn we verdreven bij onze geboorte. Alleen de kinderen, die hebben er nog vagelijk weet van.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden