recensie Kamer in Oostende

Met Koen Peeters lopen in verdwenen tijd ★★★★☆

Kust- en kunststad Oostende is overvloedig beschreven, maar Koen Peeters weet er zijn eigen kunststuk aan toe te voegen. Wat voorgoed vergleden leek, laat hij de lezer aan den lijve ervaren. 

Beeld Floor Rieder

Veel verbeelding heb ik niet, maar ik kan goed luisteren, heeft Koen Peeters weleens gezegd. De research voor zijn romans bestaat voor een groot deel uit het optekenen van andermans verhalen, snuffelen in oude papieren, en het verzamelen van allerhande voorwerpen; de bezigheden die normaliter tot het handwerk van een journalist, historicus of non-fictieschrijver behoren.

Maar bij Peeters gebeurt er vervolgens iets eigenaardigs. Onder het ordenen van al zijn gegevens, snippers, gesprekjes, citaten en gedachten, wordt uit dat ogenschijnlijk heterogene materiaal een nieuwe samenhang geboren. De tijden gaan dooreenlopen, het verleden begint hardop te spreken, de auteur is er al net zo verwonderd over als zijn lezer, bij wie de suggestie postvat dat hij en de schrijver samen het boek maken. Feitelijk is dat altijd het geval, elke tekst die niet wordt gelezen blijft een dode letter, maar doordat Peeters zich vooral opstelt als de leverancier van materiaal, voelt de lezer zich een tekenlezer, een duider die daadwerkelijk nodig is om het boek betekenis te geven.

De Vlaming Koen Peeters debuteerde in 1988, maar is pas sinds 2018 fulltime schrijver.

In zijn vorige roman, De mensengenezer, waarvoor Peeters de ECI Literatuurprijs won, ging een West-Vlaamse boerenzoon genaamd Remi begin jaren zestig als jezuïet naar Congo, om ‘de mensen te genezen’, daartoe gemotiveerd door de verhalen die hij al jaren hoorde over alle gesneuvelde soldaten die sinds de Eerste Wereldoorlog onder de grond liggen. Ook dat boek stoelde op talloze gesprekken, vooral met Renaat Devisch (1944), die inderdaad naar Congo ging, later hoogleraar antropologie werd en daarna psychiater.

In de nieuwe roman Kamer in Oostende is de badplaats uit de titel het centrum, een onderwerp dat uitbehandeld leek, als je denkt aan Eric de Kuyper, die zo schitterend schreef over Oostende in Aan zee (1988) en Met zicht op zee (1997), aan Charlotte Mutsaers (Zeepijn, 1999), aan schilders als James Ensor en Léon Spilliaert, en aan de publicaties over de Oostenrijkse schrijvers Joseph Roth en Stephan Zweig die er in 1936 een aantal woelige weken verbleven.

Het knappe van Peeters is, dat hij in Kamer in Oostende al deze namen aanroert, maar niet met als doel om een obligate lofzang af te steken op die afgebladderde koningin der badsteden, waar in de afgelopen eeuw ook veel afschuwelijke gebouwen zijn verrezen. Als een flaneur doet hij verslag van zijn bezoekjes, enkele malen per jaar, aan de stad waar hij de schilder en historicus Koen Broucke (1965) leert kennen, die gefascineerd is door de schedels en knekels die sinds het Beleg van Oostende (1601-1604) onder de grond moeten liggen. Met zijn tweeën gaan ze op onderzoek uit, struinenderwijs, hun oor te luisteren leggend bij de mensen, kijkend naar de voorwerpen in uitdragerijen, en naar de zilte lucht boven de golven waar de meeuwen alles becommentariëren als ‘een koor dat niet kan zingen’.

Op allerlei manieren over boeken schrijven, daar is de boekenredactie van de Volkskrant de hele dag mee bezig. Maar hoe kiezen zij welke boeken uit het enorme aanbod worden behandeld, en hoe bepaal je wat goed en slecht is? Boekenchef Wilma de Rek: ‘Een roman is goed als je erin wilt blijven wonen.’

Over genoemde kunstenaars en over Oostende is voldoende geschreven. Desalniettemin lukt het Peeters om er zijn eigen kunststuk aan toe te voegen. De werelden en tijden gaan weer schuiven; de zee, dat is een spiegel, dus in de nacht spiegelt zij ook ons donkerste innerlijk, de begraven doden zijn niet vergeten, het koloniale verleden en de individuele verdrietigheden komen aan de orde. Het belangrijkste van alles is het woord verandering: daarvoor komt men naar Oostende, naar die laatste plek voordat de zee het overneemt. ‘In Oostende veranderen de mensen’, merkt Peeters op, en: ‘Wat ook zou kunnen, Oostende trekt mensen aan die willen veranderen.’

Hier zit veel in. In de loop van de paar jaar die Kamer in Oostende bestrijkt, zie je dat ook aan het lot van de kunstvrienden; Broucke verliest zijn vriendin en wint een andere, Peeters transformeert van hotelbezoeker in eigenaar van een appartement. Allebei komen ze anders uit het project tevoorschijn dan ze eraan begonnen. Dat heeft veel te maken met de Noordzee, spiegel die beschouwers confronteert met hun diepste vragen en vermeende zekerheden. De blik in die afgrond kan ook leiden tot alcoholisme en zelfmoord, zoals onder meer duidelijk wordt uit het wedervaren van architect Gaston Eysselinck, die in 1953 een eind aan zijn leven maakte. Nadat Peeters bij hem heeft stilgestaan op de begraafplaats Stuiverstraat, schrijft hij: ‘Als anderen uit de tijd stappen, kunnen wij even lopen in die verdwenen tijd.’

Dat is romantisch, vindt hij zelf ook, en misschien vooral een gedachte als een panacee, om niet alleen te hoeven zijn en niet te verzinken in somberheid. Maar Peeters heeft gelijk, kan de lezer bevestigen die bereid is met hem mee te speuren: soms, op momenten, door gedurig combineren en kijken, door de stad van vroeger in die van nu te lezen, wordt het mogelijk om wat voorgoed vergleden leek, aan den lijve te ervaren.

Dat noemen we dan een roman, want het is geen realisme. Maar wat je voelt kan vaak veel echter zijn dan wat, met een armoedig woord, werkelijkheid heet.

Koen Peeters: Kamer in Oostende

De Bezige Bij; 271 pagina’s; € 23,99.

★★★★☆

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden