Achtergrond Het einde van de brief

Met het verdwijnen van de brief, verdwijnt ook de mogelijkheid een kijkje te nemen in iemands gedachten

Op 19 september verscheen van Jet Steinz het boek P.S. Van liefdespost tot hatemail: de 150 opmerkelijkste Nederlandse brieven. In 6 afleveringen kiest en bespreekt ze hier de mooiste exemplaren en beschrijft ze wat verloren gaat met het verdwijnen van de brief. Dit is de laatste aflevering.

Brief uit 1904 van Gretha Zelle, Mata Hari, aan Edward MacLeod. Beeld Tresoar Leeuwarden

In 2014 kreeg het Friese centrum voor geschiedenis en cultuur Tresoar 21 brieven in handen, geschreven tussen 1903 en 1904. Afzender: Gretha Zelle, een nog niet officieel, maar wel van tafel en bed gescheiden jonge moeder; de geadresseerde was Edward MacLeod, die ze smeekte om zijn neef, haar ex-man, op zijn plicht te wijzen. John MacLeod weigerde namelijk alimentatie te betalen, waardoor Zelle in financiële moeilijkheden kwam en gedwongen werd baantjes aan te nemen als gezelschapsdame, verkoopster, mannequin en — hoewel ze dat aanvankelijk niet ‘correct’ vond — schildersmodel. Deze brief schreef ze kort voor haar besluit voorgoed naar Parijs te gaan en daar een nieuw bestaan op te bouwen als de exotische (naakt)danseres Mata Hari.

Voor de schenking van de brieven was er weinig bekend over deze periode in Zelles leven, laat staan over haar wanhoop, tweestrijd en beweegredenen. ‘Ik ben moe van dat vechten tegen het leven’, schreef ze op 5 december 1903, ‘en ik wil een van tweeën: òf Nonnie bij me en een fatsoendelijke moeder zijn òf ik ga leven zooals me hier zoo schitterend wordt aangeboden.’ De brieven maken inzichtelijk waarom ze uiteindelijk koos voor dat laatste — en hoe een gewone middenstandsdochter aan het begin van de twintigste eeuw kon transformeren in een notoire  societyfiguur.

‘Brieven, liefst autographen, zijn het zekerste middel, om een historische persoonlijkheid te benaderen’, schreef Nicolas Japikse, die de brieven van Willem van Oranje bezorgde, al in 1933. ‘Hier staat niet, als bij een portret, een derde tusschen het object en den waarnemer.’ Met de teloorgang van de brief verdwijnt dus ook dat ‘zekerste middel’, de belangrijkste bron voor een biograaf. En misschien niet de belangrijkste, maar in elk geval ook een belangrijke voor (kunst)historici en linguïsten — zo biedt de correspondentie van Vincent van Gogh behalve mooie gedachten veel informatie over het wordingsproces van zijn schilderijen en tekeningen, en zijn de bijna 40 duizend gekaapte Nederlandse brieven uit de 17de en 18de eeuw, die sindsdien in The National Archives in Kew liggen opgeslagen, gouden materiaal voor onderzoekers die de taal en cultuur van ‘gewone’ mensen uit de vroegmoderne periode bestuderen.

De gevolgen zullen pas zichtbaar worden over vijftig jaar, twintig misschien — als iemand een biografie wil schrijven over Jesse Klaver, of onderzoek besluit te doen naar het innerlijk leven van millennials in de jaren nul van de 21ste eeuw. Natuurlijk, er zullen andere bronnen zijn: massa’s foto’s, vlogs, app’jes, e-mails met een beetje geluk — maar de vraag is wel hoe lang een cloud die zal bewaren. En belangrijker: of ze net zoveel prijsgeven als een paar persoonlijke brieven, waarin nagedacht, vertwijfeld en beslist wordt.

Transcriptie brief Gretha Zelle aan Edward McLeod (1904) (origineel in Tresoar):

Rotterdam, Zaterdagavond

Beste Oom,

U zult mij een pleizier doen en deze brief niet aan tante laten lezen; ik wil u mijn ongelukken wel vertellen maar ook aan u alleen. Mijnheer Brondgeest zal u spreken en u wel alles zeggen, ik kan dat in een brief minder goed doen. Ik heb er ellendig voorgezeten, oom, ik had geen cent meer en heb me toen coute qui coute gered. Glissez, glissez! En nu was de maand om en had ik weer niets. Ik heb toen een tienrittenboekje geleend, ben met een leege portemonnaie naar Amsterdam gegaan en als laatste redmiddel naar mr. Kappeyne van de Coppelo, die heel lief was, me helpt! me geld gaf en zeide dat hij wel korting kan krijgen op Johns pensioen. Nu moet ik zien veertien dagen onder dak te komen en dan heeft hij me geholpen. U wil ik liever niet vragen omdat ik gevoeld heb hoezeer ik de rust heb verstoord, soedah la.

 Wil ik me nu niet weer weggooien om een pension te kunnen betalen, dan moet ik zien bij tante in Den Haag te komen. Die geeft me geen kamer (‘t is niet noodig als je een arm nichtje helpt) maar laat me slapen op de zolder, zoo maar, in een ongebruikt ledikant dat daar staat tusschen de rommel. Enfin, Brondgeest is lief en meent het wel goed, maar er is mij al teveel over het hoofd gegaan. Ik mis mijn kind, mijn huis, mijn comfort, zwerf rond en als ik fatsoendelijk wil zijn, ben ik doodarm. Ik kreeg een brief uit Parijs van de schilder Laurent om te poseeren en meteen Duitsche conversatieles te geven. Ik heb nog niets gezegd. Henri is in Algiers en komt naar Holland. Wat hij wil weet ik niet. 

Mijn hoofd loopt om en ik heb van de week op het punt gestaan een eind te maken aan mijn pleizierig leven. En toch in een wanhoopsbui ben ik naar het Nederlandsch Tooneel gegaan. de Raad van Beheer is heel lief, hebben me een hoofdrol gegeven en maandag over een week speel ik met Schulze voor de Raad — en als ’t goed is debuteer ik — in de “De schoolrijdster”. Ik heb me alweer gered als ik ’t zoolang maar kan houden. Ik heb het niet aan Brondgeest verteld omdat ik perplex was over al wat hij wist. Wilt u het doen, doet het dan. misschien is ’t beter van niet. Ik weet, dat u me niet kunt helpen en daarom kan ik vrij met u spreken. Ik ben u toch dankbaar dat ik nog eens vrijuit kan praten. Denk niet dat ik slecht ben in mijn hart, ik doe het alleen of liever heb het gedaan uit armoede. Niemand gaf me iets voor niets, ik kon het toch niet stelen? Mijn broer wil me niet meer kennen. Goed zoo, ze maken het me erg makkelijk. 

Enfin, lang praten geeft ook al niets. Gelukt het bij het Nederlandsch Tooneel dan ben ik gered en gelukt het niet dan ga ik naar Parijs terug en blijf voorgoed. Dan mag John divorce vragen, heeft alle eer aan zich en soedah la. Ik heb lang genoeg gevochten. Beklad ben ik toch. Ik heb toch alles verloren, Non heb ik toch niet en het andere kan me niet meer schelen. Ik hoop een leven te krijgen waarin ik nooit meer tot mezelf kom. Ik wil niet meer denken. John heeft dan tenminste in zijn leven iets gedaan waarop hij trotsch kan zijn aan de kletstafel “een jonge vrouw totaal in de grond gereden”.

 Ik had u dit alles niet willen vertellen omdat ik weet dat het u verdriet doet, maar nu mijnheer Brondgeest het doen wil, moet ik wel. Was ik geslaagd bij het Nederlandsch Tooneel dan had ik ineens geschreven, “oom, heb maar geen zorg, ik ben er”. Wie weet, wie weet Gompers interesseert zich erg voor me, mr. Van Lochem doet wat hij kan. De directeur ook en God zal weten is er weer voorbeschikt dat ik in Holland blijf. Zoo niet, oom, dan schrijf ik u wel uit Parijs. Vergeef me maar als ik u verdriet doe, maar ik heb al teveel geleden. Holland benauwt me. Alles trekt me naar het buitenland, meer dan u weet.

 Schrijf me nu maar geen brief met verwijten, dan loop ik nog harder weg. Ik zal aan tante schrijven om veertien dagen te komen. Wil ze niet, ook al goed. ’t Is ook akelig geen thuis te hebben en te moeten leven van een ander, en dan is men o zoo fatsoendelijk. Maar laat ik die eene proef nog doen. Adieu oom, nogmaals vergeef me als ik u verdriet deed en wees niet hard tegen

uwe Gretha

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden