boekrecensie

Met een veelheid aan bloedstollende details vertelt het boek 1572 een ander verhaal over dit herdenkingsjaar ★★★★★

Gemeenten herdenken uitgebreid het jaar 1572 als ons nationale geboortejaar. Een uitstekend geschiedenisboek laat zien waarom dat te betwijfelen valt. Zo ook de brieven van Willem van Oranje.

Martin Sommer
null Beeld Deborah van der Schaaf
Beeld Deborah van der Schaaf

Zoals we weten, verloor op 1 april 1572 de hertog van Alva zijn bril, dat wil zeggen Den Briel. De woordspeling werd 450 jaar geleden al gemaakt, zoals 1 april ook toen al de dag van de flauwe grappen was. Opstandelingen sjouwden rond met vaandels waarop brilletjes waren afgedrukt, om de Spanjaarden te treiteren. Dit is een van de vele aardige anekdotes uit het boek 1572 – Burgeroorlog in de Nederlanden, geschreven door de Leidse historici Raymond Fagel en Judith Pollmann. Met de presentatie van 1572 wordt de herdenking afgetrapt van het begin van de opstand, 450 jaar geleden. Voor de nog ijveriger herinneraars verschijnt vrijwel gelijktijdig een mooi geïllustreerde selectie van de brieven van Willem van Oranje uit hetzelfde jaar.

Gemeenten doen volop mee met herdenken. Brielle en Dordrecht bijten het spits af, volgend jaar mogen Haarlem en Alkmaar, daarna is het de beurt aan Leiden met 450 jaar ontzet. Maar wat wordt er eigenlijk herdacht? De laatste jaren spande de politiek zich in voor het gedeelde nationale verleden en gold het Plakkaat van Verlatinghe (1581) als hét ‘geboortepapier’ van Nederland. Nu wordt door de betrokken gemeenten niet 1581 maar 1572 vooruitgeschoven als nationaal geboortejaar, met de inname van Den Briel en de Statenvergadering in Dordrecht als markeringspunten. Misschien is een snufje gemeentemarketing daaraan niet vreemd, aangezien de strekking van het boek 1572 precies het tegendeel is van een klaroenstoot waarmee een nieuwe staat zijn grondslag vond.

Chaos, geweld en willekeur

In Dordt werd Willem van Oranje door de Staten-Generaal inderdaad bevestigd als stadhouder. Omgekeerd aanvaardde Oranje de Statenvergadering als hoogste instantie; een wederzijdse erkenning in hoogwaardigheid dus. De werkelijkheid was minder heroïsch, schrijven Fagel en Pollmann. De bijeenkomst van Dordrecht was een allegaartje van vertegenwoordigers zonder mandaat, Oranje zelf schitterde door afwezigheid en zijn herbenoeming als stadhouder was ronduit illegaal. Oranje verbleef de eerste helft van dit jaar vol lotgevallen in zijn Duitse stamslot Dillenburg. Daar likte hij zijn wonden na een eerder mislukte inval en trachtte hij geld bijeen te schrapen voor een volgende poging. Meer dan het begin van een samenhangende opstand was het jaar 1572 een burgeroorlog. Er was geen plan, geen idee voor een nieuwe staat, er was vooral chaos, geweld, willekeur, anarchie, armoede en uitputting.

Voor de strijdende partijen vormde het deel van Nederland benoorden de rivieren tot diep in 1572 het ‘zijtoneel’. De hoofdprijs was Brabant, met de steden Brussel en Antwerpen. Oranje concentreerde zich op het zuiden, net als Alva, die vreesde voor een Franse inval in samenwerking met Lodewijk van Nassau, de broer van Oranje. Het enige begin van nationale gezamenlijkheid was te vinden in de propaganda van Oranje, die de Spanjaarden aanwees als de vijand, zoals ook een oproep tot verzet in het brievenboek uitwijst. Religieus was het land diep verdeeld en een opstand onder de vlag van de Reformatie zou zeker zijn gedoemd, aangezien de grote meerderheid katholiek was en vooral met rust gelaten wilde worden.

Bij zijn eerste inval in 1568 had Oranje nog gemeend dat hij als bevrijder zou worden binnengehaald. Dat gebeurde niet; steden hielden hun poorten potdicht, omdat ze de troepen van Oranje net zozeer vreesden als de Spanjaarden. Verplichte inkwartiering van soldaten was voor stadsbestuurders een nachtmerrie. Plundering, de ‘insolentiën van het krijgsvolk’, werd zeer gevreesd en ook op dat vlak stonden de Oranjetroepen hun mannetje. De Meierij, het gebied bezuiden ’s-Hertogenbosch, werd door zijn soldaten in 1572 vakkundig ‘kaalgevreten’. Om met de overste Karremans in Srebrenica te spreken: er waren hier geen good guys en bad guys. Niet idealen en stootrichting, maar geldgebrek en het rad van fortuin waren beslissend.

Weinig tolerantie

Dat de burgeroorlog toch een religieuze dynamiek zou krijgen, was te danken aan de voormalige bannelingen die zich weerden. Voor de komst van Alva in 1567 waren duizenden gereformeerden gevlucht, naar Engeland, Frankrijk en vooral naar de Duitse vorstendommen waar ‘religievrede’ heerste. Zij kwamen gemotiveerd terug, vooral in de noordelijke provincies die Alva terzijde had laten liggen. Dat ging er niet zachtzinnig aan toe. We kennen de Martelaren van Gorcum, de negentien monniken die door geuzenleider Lumey werden gemarteld en opgehangen. Ook Roermond had zijn martelaren, in Alkmaar werden vijf franciscanen vermoord en dezelfde Lumey knoopte in Leiden de bekende priester Cornelis Musius op; uit het brievenboek blijkt hoezeer Oranje deze Lumey met zijden handschoenen aanpakte. Van de door Oranje nagestreefde tolerantie kwam bitter weinig terecht. Kerken en kloosters gingen in vlammen op, rebellen paradeerden rond in priestergewaden.

De misdrijven tegen katholieken zijn alleen in het lokale geheugen blijven leven. Nationaal bleef de herinnering aan het uitmoorden door de Spanjaarden van Zutphen en Naarden. De roep van wreedheid die de Spaanse legermacht vooruitsnelde, bracht Haarlem ertoe zich schrap te zetten, waar legerleider Ripperda (nog altijd geëerd met een plantsoen en een kazerne) een coup had gepleegd tegen het stadsbestuur en de Sint-Bavo had genaast voor de protestantse eredienst. Haarlem viel na maandenlange belegering, waarna zoals de ouderen weten in Alkmaar de victorie begon. Maar toen was het al ruimschoots 1573 en zover gaat het boek niet.

Vergruisd beeld

1572 is een voorbeeldig geschiedenisboek: een kraakhelder uitgangspunt, met verve verteld en verlucht met een veelheid aan soms bloedstollende details. In de epiloog verwijzen de auteurs naar hun verre voorganger Jan Romein, die het begrip ‘het vergruisde beeld’ voor de Opstand introduceerde. De toename van kennis en specialisatie had een eind gemaakt aan het grote verhaal van een volk dat zich eensgezind naar de nationale vrijheid haastte. Fagel en Pollmann betreuren dat vergruizen of versplinteren van het ‘beeld’ niet, maar vinden het juist wel passend voor een periode waarin willekeur en verwarring overheersten, het wegvallen van gezag en overal het gevaar loerde van rondtrekkende krijgsheren. ‘De meesten wisten niet wat ze wilden en waarom ze dat wilden.’

Dat is een opmerkelijke slotsom voor het historisch bedrijf, aangezien we in de geschiedenis van de dekolonisatie precies de tegengestelde beweging meemaken. In de geschiedschrijving worden de laatste jaren van Nederland in Indonesië niet langer getypeerd door verwarring, wreedheid van alle kanten, willekeur en richtingloosheid. Historici die hebben meegeschreven aan het onlangs gepresenteerde officiële onderzoek naar de dekolonisatie wezen een uitgesproken dader aan, Nederland, waarna het kabinet er zijn stempel op zette. Willem van Oranje kan niet meer dienen als kompas om te weten hoe bijzonder we zijn. Daarentegen weten we nu aan de hand van de dekolonisatie heel goed hoe slecht we zijn.

null Beeld Prometheus
Beeld Prometheus

Raymond Fagel en Judith Pollmann: 1572 – Burgeroorlog in de Nederlanden ★★★★★. Prometheus; 248 pagina’s; € 22,50.

null Beeld Waanders
Beeld Waanders

Willem van Oranje in brieven – De Opstand in 1572 ★★★☆☆. Redactie Marianne Eekhout, Ineke Huysman, Henk van Nierop, Judith Pollmann, Johan Visser. Waanders; 256 pagina’s; € 29,95.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden