Met de rug naar het nieuws Vojta Dukáts foto's belichten een glimp van menselijk geluk

De Tatra, een futuristische raket op wielen, is zijn symbool. De fotograaf Vojta Dukát wordt deze week geëerd met de Capi-Lux Alblas Prijs....

ARNO HAIJTEMA

DE MORAVISCHE fotograaf Vojta Dukát is een boom van een kerel, met een woeste baard en een zachte stem. Hij torst stapels foto's mee in een grote rugzak. Heeft ze opgeborgen in mapjes en enveloppen - waardoor geheel ten onrechte de indruk kan ontstaan dat de verzameling aan een ordeningssysteem onderhevig is geweest. Soms is een stapeltje wat smoezelig, daar is in het café een golfje Irish coffee tegenaan geklotst.

Dukaé is een 'Tatraman'. Hij draagt het merkteken van 's werelds eerste aerodynamische auto, die in zijn vooroorlogse Moravië (in Tsjecho-Slowakije) in serie werd geproduceerd, als een talisman op de borst. Zozeer heeft het Tatra-geloof bezit van hem genomen dat hij er een zelfstandig dossier - jawel: het enige onderwerp met een eigen map - over heeft aangelegd. Hij opent het en toont een foto van zijn 'magische' Tatra 87.

De raket op wielen ligt al ruim twintig jaar te roesten in een bos in Moravië. Bomen zijn door de raamopeningen gegroeid, het karkas is overwoekerd. Vojta mag zich, sinds hij de vorige bezitter een glas pils aanbood, de eigenaar noemen. Hij zal de auto helemaal gaan opknappen, want 'de Tatra belichaamt het historisch hoogtepunt van mijn land'. Vlak voor de oorlog was er, bij wijze van spreken, in elk Tsjecho-Slowaaks dorp een vliegtuig- of autofabriek. De Tatra belichaamt de culturele en economische voorspoed van weleer.

Eigenlijk had Dukát al bezig willen zijn met de restauratie van zijn Tatra, een klus waarvoor hij een, twee jaar denkt nodig te hebben. Het wordt een soort bedevaart sur place, een eerbetoon aan de ontwerpers die techniek en schoonheid perfect samensmolten. Maar ja, er kwam iets tussen Vojta's plan en de uitvoering. Woensdag wordt Dukát (1947, Brno) de Capi-Lux Alblas Prijs 1997 uitgereikt, een oeuvreprijs van tienduizend gulden, waarbij bovendien nog voor vijfduizend gulden aan werk van de fotograaf wordt aangekocht door de stichting die de onderscheiding ter beschikking stelt.

Het afgelopen weekeinde ging, ter ere van de gelauwerde, Dukáts expositie in het Stedelijk Museum in Amsterdam open. 'Ik ben natuurlijk blij met de erkenning die de prijs betekent, maar het haalt wel mijn hele leven overhoop.' Ga maar na: negatieven opzoeken, de perfecte afdruk maken, en dan ook nog eens moeten kiezen welke foto wel, en welke niet aan de wand mag worden gehangen. 'Ik heb sinds de toekenning van de prijs heel wat minder geslapen dan goed is voor mijn gezondheid.'

Tot enkele minuten voor de opening heeft Dukát aan de inrichting van de expositie gewerkt. Hij greep vooral terug op de inhoud van zijn befaamde Ilford-doosje, waarin hij zijn lievelingsafdrukken bewaart, en dat hem op zijn reizen altijd vergezelt. Een fotokopie van het versleten doosje hangt als bewijsstuk aan de museumwand.

Nu hangen er ruim tachtig zwartwit-foto's, op bescheiden formaat afgedrukt. De meeste zijn gemaakt te midden van eenvoudige boeren en burgers, in Portugal, Polen en Italië, landen aan wat hij noemt 'de randen van Europa'. Op een tv-scherm zijn fragmenten te zien van de video-opnamen die hij in de Karpaten en Midden-Europa maakte van verdwijnende volksgebruiken en -rituelen: een begrafenis waarbij de kist op een boerenkar door paarden over een modderweg naar het kerkhof wordt gesleept; een bakkerij die gestookt wordt op hout; een kapperszaak waar de mannen nog worden ingezeept en met het ouderwetse, vlijmscherpe barbiersmes geschoren.

Het is min of meer toeval dat die, en niet andere videofragmenten in het Stedelijk te zien zijn. 'Ik heb honderden uren materiaal, en het meeste heb ik nog nooit kunnen bekijken. Wanneer zou ik dat moeten doen?' Zoals ook helemaal niet gezegd is dat de foto's die nu in het museum hangen de beste zijn die Dukát tot nu toe heeft gemaakt. 'In Brno en Den Haag heb ik een koelkast vol met niet-ontwikkelde films. En dacht je dat ik nog wist hoe ik al die films heb belicht, laat staan wat er op welke film staat?'

In dat nauwelijks ontsloten, almaar uitdijende archief duiken, het materiaal rubriceren en catalogiseren - Dukát heeft er een broertje dood aan. Zodoende heeft hij nog steeds geen materiaal opgezocht voor Aperture, de befaamde Amerikaanse uitgeverij die hem alweer een paar jaar geleden heeft aangeboden een boek met zijn werk uit te brengen. En zodoende is zijn status van nominated photographer bij het beroemde fotopersbureau Magnum, midden jaren zeventig, niet omgezet in een vast contract. De snelheid, de systematische werkwijze die de fotojournalistiek vereist, liggen hem niet. 'Stel, ik krijg de opdracht om in Tsjechië een ijscoman te fotograferen. Ik ga op pad en kom weken later terug met een foto van een vrouw met boodschappentas. Dan zegt het persbureau: ''Je zou toch een ijscoman fotograferen?'' En ik zeg dan: ''Jawel, maar deze foto is toch óók heel mooi?'''

Zijn eerste camera kreeg hij in 1968, het jaar van de Praagse Lente. Daarvóór doorliep hij de elektrotechnische school, was coulissenknecht in theaters, assistent-fotograaf in een psychiatrische inrichting en reparateur van benzinepompen. Hij was in Nederland toen de Russen Tsjecho-Slowakije binnenvielen en besloot hier te blijven. Ging naar de Rietveld Academie en de Filmacademie en werd in 1971 zelfstandig fotograaf. Sindsdien reist hij de hele wereld af: Zuid-Amerika, Indonesië, Fiji, de Sovjet-Unie, de Verenigde Staten en bovenal: langs de randen van Europa.

Hij zoekt niet, zoals de persfotograaf, naar hét beeld dat een oorlog of revolte in een keer samenvat. 'Dit is het verraderlijke van de Speedy Gonzales-fotojournalistiek. Je concentreert je op de berichtgeving, maar je verliest het bijzondere van het zogenaamd alledaagse uit het oog. De gave die je hebt, iets mooi te kunnen fotograferen, stel je ten dienste van iets anders: het nieuws.'

In 1975 maakte hij de verkiezingen in Portugal mee. Het was een turbulente tijd, volgend op de Anjerrevolutie van een jaar eerder. Slechts één foto in het Stedelijk verwijst naar de gewelddadigheden die in die periode plaatsvonden. Een paar soldaten bewaken het gebouw van de plaatselijke communistische cel. Een vrouw steekt nieuwsgierig haar hoofd om de hoek. De soldaten ogen, ondanks hun wapenuitrusting, niet erg dreigend. Ze personifiëren niet het geüniformeerde van buiten komend onheil, maar eerder de buurjongens van de vrouw, die haar als het zo uitkomt helpen op het land.

Dukát: 'Zo was die revolutie. Natuurlijk, af en toe was het gevaarlijk, en er zíín doden gevallen. Ik ben er eens beschoten, al was het maar met een windbuks. Maar tegelijkertijd hing er een gemoedelijke sfeer. Alsof die soldaten zouden zeggen: ''Jongens, nu houden we hier even mee op, we gaan met z'n allen wat drinken in het café.'' Ik heb er ook een foto gemaakt van mijnwerkers die hun vuist in de lucht steken, terwijl ze de Internationale aanheffen. Ze doen dat zo onwennig. De een steekt de rechter-, de ander de linkervuist omhoog. Amateurrevolutionairen. Zo heel anders dan de professionals die ik in Tsjecho-Slowakije heb gezien.'

Hij fotografeerde in Portugal bij bedevaarten en op markten, op boerderijen en in cafés en parkjes in de stad. 'Je weet dat je ergens moet blijven, omdat je voelt: jongen, hier is iets voor je weggelegd. Je gaat zitten, en kijkt om je heen. Wat er gaat gebeuren, dat weet je niet. Maar je wacht. En dan draait een vrouw aan een tafeltje in het café haar hoofd weg en roept de ober om de rekening. Zo'n moment, daar zoek je naar. Zo'n foto kan een algemene geldigheid krijgen, waar mensen hun eigen verhaal in gaan lezen.'

LIEFDEVOL registreert Dukát hoe een Portugese moeder, ondersteund door haar man, haar dochtertje bergopwaarts draagt tijdens de bedevaart. Hoe Poolse mannen en vrouwen aan weerszijden van het biechthokje in de kerk wachten tot de priester gelegenheid heeft hun zonden aan te horen en absolutie te verlenen. 'Er wordt hier in West-Europa vaak afkeurend gedaan over de mensen die op hun knieën kruipend een bedevaart maken. Maar ik zie ook hoe belangrijk religie in een land als Portugal is. Misschien zijn ze er niet zo goed opgeleid, misschien zijn ze ouderwets. Maar wie zijn wij om de Portugezen dat geloof af te nemen, zonder er iets gelijkwaardigs voor in de plaats te stellen?'

Aan de randen van Europa zoekt Dukát naar wat door ons als ouderwets, achtergebleven en provinciaal wordt bestempeld. Hij beschouwt de afgelegen dorpjes in de bergen, die nog niet zijn opgestoten in de vaart der volkeren, als de plekken waar het leven nog kleinschalig en overzichtelijk is. Waar je de pastoor kent, de smid, de kapper, de garagehouder. En waar de vaklui meesters zijn in het improviseren.

'Als je in Portugal of in Oost-Europa bij een garage binnen stapt, begint de monteur met je te praten. Hij legt je uit wat er aan je auto mankeert en wat hij er aan wil doen. Hij laat je zien hoe hij werkt. Van zo iemand leer je. Als er een klein tandrad vervangen moet worden, fabriceert hij dat desnoods zelf. Hier in het westen beschikt niemand nog over dergelijke vaardigheden. Mannen in smetteloos witte pakken vervangen meteen een hele unit, da's makkelijker dan het kapotte onderdeel. Daardoor interesseert het niemand hoe een motor een auto in beweging zet, of überhaupt waarom een motor werkt.'

Mede door zijn oprechte bewondering voor de levenskunstenaars van het platteland wordt Dukát er met warmte ontvangen. 'De mensen verbazen zich erover dat ik helemaal voor hen zo'n eind heb willen reizen, dat ik in hun leven geïnteresseerd ben. Ze bieden je een glaasje aan en leiden je rond op de boerderij. ''Dit is mijn geit, vind je hem mooi? Kijk, daar komt de zon op, en achter die bergen gaat hij onder.'' En ik knik, ja ja, héél mooi'

Hij ontdekte een markt die veel weghad van een Arabische bazar, en eens in het jaar werd gehouden. 'Hier stond een vrouw een paar komkommers te verkopen. Ernaast een man preservatieven. Naast hem werd weer een complete auto aangeboden, terwijl binnenin iemand op de achterbank lag te slapen. Het was er zó mooi. Het hele jaar nadat ik er voor het eerst was geweest, had ik me op de volgende marktdag verheugd. Maar toen het zover was, bleek hij nog maar half zo groot. En het jaar daarop was er niets meer van over.'

Dukát legt de schoonheid vast van leefwijzen die gedoemd zijn te verdwijnen. Steeds vaker gebruikt hij daarbij de videocamera. Een foto biedt een intense momentopname van een fractie van een seconde. Met de videobeelden hoopt hij dat moment wat op te rekken. 'Ik wil fragmenten met de computer bewerken, waardoor het stills (stilstaande videobeelden) en bewegende beelden tegelijkertijd worden.' Hoe hij dat effect van bewegende foto's moet bewerkstelligen, daar is hij nog niet helemaal uit. De fragmenten die hij in het Stedelijk toont, moeten hoe dan ook niet worden beschouwd als voltooid, maar als work in progress.

Ook historische gebeurtenissen registreert Dukát met de videocamera. Zoals het vertrek in 1991 van de allerlaatste Russische militairen uit Tsjechoslowakije. Hij volgt de soldaten die hun plunje bijeenrapen en in de vrachtwagen klimmen die hen zal afvoeren naar het station. Hij filmt ze terwijl ze rokend de tijd doden in een wachtlokaal, of vals een liedje zingen, terwijl een maat op een ongestemde gitaar de snaren aanslaat.

Het laatste shot laat een groepje soldaten zien, achterin de laatste wagon van de trein naar Rusland. De jongens roken nog een sigaret, zingen een sloom liedje en drinken uit geëmailleerde mokken. Door het achterraam zie je het land waar ze nooit welkom zijn geweest wegglijden. Zo brengt Dukát een politiek gewichtige gebeurtenis terug tot het niveau van een groepje jongens, die door de Tsjechen worden uitgefloten als hun trein door een dorp sukkelt.

Dukáts foto's roepen bij de toeschouwer weemoed op. Je zou de plekken die hij heeft gefotografeerd willen bezoeken om de sfeer te proeven, naast de fotograaf te zitten als hij de cafébezoekers observeert. 'De mensen willen altijd graag weten waar ik welke foto heb gemaakt. Vaak gaan ze raden en meestal gokken ze mis. Dan denken ze dat ik een foto in Polen heb gemaakt, maar het was Italië, of Portugal. Wat ze in feite zoeken is de ideale plek. De media storten een massa negatieve informatie over hen heen en op mijn foto's ontwaren ze een glimp van het bijzondere in het leven, van menselijk geluk. Ze willen weten hoe ze dat ook kunnen bereiken, terwijl ze natuurlijk wel beseffen dat de ideale wereld van mijn foto's helemaal niet bestaat.'

Hoezeer de interpretatie van Dukáts foto's kan verschillen van de werkelijke situatie die de fotograaf aantreft, blijkt uit een foto die hij in 1975 in Lissabon maakte. Een eenzame man staat in een galerij nonchalant en enigzins ijdel tegen een muur geleund, met de handen in z'n zakken. Voor zijn voeten klatert het zonlicht op de vloer, dat door een rond, getralied raam naarbinnen valt. Het is een vredig, dromerig beeld.

De werkelijkheid was wat rauwer. Terwijl Dukaá zijn camera op de man richtte, vond er achter de rug van de fotograaf een rumoerige demonstratie plaats. De man wilde zich koste wat kost van de druktemakers distantiëren en zonderde zich zo veel mogelijk af. Tot hij met zijn rug tegen de muur stond.

Het beeld bevat alle elementen die Dukáts fotografie zo uitzonderlijk maken. Aandacht voor de eenling, eerder dan voor de massa. Een scherp oog voor de magie van het licht en de schaduw. En de fotograaf staat met zijn rug naar het nieuws toe.

Foto's en videofragemten van Vojta Dukát. Tot en met 20 april in het Stedelijk Museum Amterdam.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden