De eenzame uitvaart

Meneer S. bracht zijn laatste jaren lezend door op de vervuilde bank van een vriend

Schrijver Joris van Casteren is coördinator bij het begeleiden van eenzame uitvaarten in Amsterdam. Onregelmatig schrijft hij over zijn wederwaardigheden bij dat werk.

Joris van Casteren
null Beeld Merel Corduwener
Beeld Merel Corduwener

Meneer S. werd op 7 december levenloos aangetroffen in een ernstig vervuilde portiekwoning op vierhoog in de Spaarndammerbuurt in Amsterdam. Team Uitvaarten van de gemeente gaat er niet naartoe omdat meneer S. niet op dat adres stond ingeschreven. De huurder van het vieze huis is iemand anders.

Die iemand anders, blijkt na enig speurwerk, is de 76-jarige dichter Jan Kal, bedreven in het sonnet. Aan de telefoon, het is dan eind december, klinkt hij warrig. Het klopt dat er iemand in zijn huis is overleden, een bekende die eerder al eens was komen aanwaaien.

Zelf, zegt Kal, was hij er op dat moment ook niet best aan toe, inmiddels gaat het stukken beter. De volgende dag kan ik langskomen. Om kwart over drie, als hij bij de dokter is geweest.

Lawine van boeken

Ik sta bij de centrale voordeur in de Hembrugstraat te wachten als Jan Kal door de regen komt aangefietst. De dokter was redelijk optimistisch, een beetje rustig aan doen is het devies. Drie trappen moeten we op, op elke verdieping hangt hij hijgend aan de balustrade. Een vracht boeken naast zijn voordeur, allemaal van meneer S., zegt Kal. Hij nam ze mee uit straatbibliotheken en sleepte ze bij hem naar binnen.

De deur moet op een speciale manier open, want de politie heeft op lompe wijze het slot eruit geramd. Eindelijk staan we binnen, een zeer onfrisse geur snijdt de adem af. Het is donker in het halletje, links zie ik een keuken waar een plakkerige bom lijkt te zijn ontploft. Dat ga ik allemaal opruimen en schoonmaken, zegt Kal.

We slaan rechtsaf, de huiskamer in die meneer S. in bezit nam. Op de aangevreten bank in de hoek heeft hij gelegen. De kamer bestaat uit boeken. Ze stromen uit de kasten; een woeste lawine die zich op de grond vermengt met ongeopende post, kranten, folders, plastic tassen, en die zich bij het raam verheft om een nauwelijks nog als zodanig herkenbaar bureau te verzwelgen.

Het was veel erger, zegt Kal terwijl hij een plek zoekt voor onze jassen en een oude, klagend miauwende zwarte kat onder een onvolledige encyclopediereeks vandaan komt gekropen. Als ik eerst even de spullen weg til die hij er tijdens het opruimen op heeft neergelegd kan ik op de houten stoel gaan zitten. Zelf neemt hij naast de weggevreten plek plaats op de bank.

Bedonderd

In het voorjaar van 1979 werd Jan Kal verliefd op een zekere Aletta, die verzweeg dat de relatie met meneer S., haar vorige vriend, nog niet was beëindigd. Kal trok bij haar in, ze verloofden zich. Trouwkaartjes waren reeds gedrukt toen Aletta er vandoor ging met een derde.

Omdat ze beiden door haar waren bedonderd ontstond er een band tussen Kal en meneer S., een gesjeesde student, afkomstig uit Hengelo en zeer gefortuneerd. Hij kleedde zich als een dandy, woonde op stand en bezat een dure auto. Daarmee maakte hij in de zomer van 1980 een trip door Italië, met een vriend en diens zus. Desgevraagd besloot Kal mee te gaan.

Hij vernam dat aan de welstand van meneer S. een afschuwelijk drama ten grondslag lag. Bij de geboorte, 23 september 1953, was zijn moeder in het kraambed overleden. De vader van meneer S., directeur van een Hengelose steenfabriek, verdronk zichzelf toen meneer S. 4 jaar oud was door met de auto een sloot in te rijden.

Meneer S. werd opgevoed door een tante. Hij ging naar het gymnasium, was eenzaam en uiterst eigenzinnig. Toen hij in 1972 zakte voor het eindexamen, een half punt te weinig voor klassieke talen, huurde hij een advocaat in en spande een kort geding aan. De school won het proces maar het opmerkelijke bericht met een foto van hem – magere slungel met te grote bril – kwam in alle kranten terecht. Toen hij het jaar daarop in Utrecht rechten ging studeren kende iedereen hem van reputatie.

De steenfabriek werd verkocht, op z’n 21ste beschikte meneer S. over een enorm kapitaal. Van studeren kwam daarna weinig meer. Wel was hij actief in allerlei studentenclubjes, organiseerde jubileumfeesten en maakte tijdens het huwelijk van prinses Christina deel uit van de erewacht.

In Amsterdam, waar hij nog een poosje geschiedenis studeerde, raakte meneer S. in de ban van de moord op John F. Kennedy. Hij las en verzamelde alle boeken die over dat onderwerp waren verschenen, de materie hield hem de rest van zijn leven in de greep.

Ook tijdens de trip in Italië in 1980 mondden de gesprekken regelmatig uit in monologen over Lee Harvey Oswald en diens veronderstelde motieven. De vriend kreeg er genoeg van en vroeg of ze hem in Bologna op het station wilden afzetten. Nadat de vriend om 10 uur ’s ochtends met de trein was vertrokken dronken de zus, meneer S. en Kal een kop koffie in de restauratie. Kal wilde nog een espresso bestellen maar meneer S. gebood hem in de auto te stappen, hij wilde direct terug naar huis.

Een half etmaal later zagen ze op het nieuws dat om 5 voor half 11, tien minuten nadat ze waren vertrokken, het station van Bologna was opgeblazen, vermoedelijk door een extreemrechtse groepering, met vijfentachtig doden en tweehonderd gewonden tot gevolg. Meneer S. had Kals leven gered, daar kwam het op neer.

Kennedybibliotheek

Meneer S. had vrienden in gegoede kringen, hij onderhield onder meer een relatie met een bekende schrijfster. Na enkele jaren aan de Kromme Waal te hebben gewoond verhuisde hij naar de P.C. Hooftstraat om ten slotte neer te strijken aan de Realengracht.

Daar bezocht Kal hem in de jaren tachtig enkele malen. Het koperen belbord, het vele marmer en de indrukwekkende Kennedybibliotheek maakten indruk op de sonnettendichter die altijd op bijstandsniveau heeft moeten rondkomen.

Een baan heeft meneer S. nooit gehad, wel ging hij regelmatig geld ophalen bij de Kas-Associatie, waar een deel van zijn vermogen was belegd in effecten. De kennis die hij gretig opzoog, behalve doorwrochte boeken over talloze onderwerpen las hij dagelijkse een stapel internationale kranten, hield hij voor zichzelf. Zoveel als erin ging, zo weinig kwam eruit.

Irritaties

Door het verschil in levensstijl doofde de kortstondige vriendschap. Kal werkte hard aan 1000 sonnetten, zijn baksteendikke magnum opus dat in 1997 verscheen. Hij huurde al enkele jaren de huidige woning toen in oktober 2009 iemand bij hem aanbelde: meneer S., die het adres in de telefoongids had opgezocht. Of hij een nachtje kon blijven slapen.

Kal vond het prima, hij schaamde zich enigszins voor z’n sobere onderkomen tegenover de ex-kutzwager die zoveel luxe was gewend. Meneer S. zei weinig, las de hele nacht in Kals boeken en was de volgende dag weer vertrokken.

Kort daarop kwam Kal hem tegen op straat. Het was half 5 ’s ochtends, hij was naar een nachtcafé geweest. Meneer S. stond te koukleumen in een portiek. Hij zag er slonzig uit en zei dat hij z’n huissleutel kwijt was. Kal nam hem mee, meneer S. ging op de bank liggen en greep weer naar de boeken. De volgende ochtend was hij koortsig, z’n benen zagen knalrood. Kal mocht er absoluut geen dokter bij halen.

Na een week was meneer S. opgeknapt. Hij liet weinig los maar gaf te kennen dat hij de woning aan de Realengracht kwijt was, net als de vriendin die voor hem zorgde. Financieel zat hij volledig aan de grond. Het kapitaal was er doorheen gejaagd, de kredietcrisis had beleggingen tot lasten omgetoverd. Schuldeisers achtervolgden hem, de Kennedybibliotheek was verkocht. Hij schaamde zich, durfde vroegere vrienden niet onder ogen te komen. Kal dacht aan de bomaanslag in Bologna en zei dat hij voorlopig bij hem kon blijven.

Overdag ging meneer S. naar de openbare leeszaal, soms at hij bij charitatieve instellingen. ’s Avonds en ’s nachts graasde hij Kals boekenplanken af. Na verloop van tijd ontstonden irritaties, vanwege de zwarte kat. Meneer S. vond dat het beest naar buiten moest en zette ondanks het verbod van Kal telkens de voordeur open. De sonnettendichter verhief zijn stem en zette hem eruit.

Wereldburger

In de winter van 2015 trof Kal meneer S. in deerniswekkende toestand aan op het Rokin, het sneeuwde. Meneer S. leefde op straat, voedsel viste hij uit prullenbakken. Bij het eindpunt van de tram in Amstelveen sliep hij op een rooster waar warme lucht uit kwam.

Kal streek over z’n hart en nam hem mee naar huis, op de vertrouwde bank strekte meneer S. zich uit. Hij waste zich niet, droeg altijd dezelfde kleren. Buren klaagden bij de woningbouwvereniging over de sjofele verschijning. Kal werd beschuldigd van illegale onderhuur, terwijl meneer S. hem geen cent betaalde. Dikwijls stak hij hem juist wat toe en regelde het eten.

Omdat het huurcontract ontbonden dreigde te worden kreeg Kal hem ten slotte zover zich bij een maatschappelijke organisatie in te schrijven. Zo kon worden bewezen dat meneer S. officieel niet bij hem woonde. Eens per maand diende meneer S. zich bij de organisatie te melden, hij kon dan ook een daklozenuitkering opstrijken. De maatschappelijk werker vond het genereus dat Kal hem al die jaren opving. Meneer S. schamperde dat Kal ‘slechts ruimte beschikbaar stelde die er toch al was’.

Kort daarop toonde hij onverwacht dankbaarheid, door Kal en zichzelf met het geld van de daklozenuitkering te trakteren op een bliksembezoek per Flixbus aan Parijs. Voor even was meneer S. weer de erudiete wereldburger van de Italië-reis. Hij wist precies waar ze naartoe moesten – de koningsgraven in Saint Denis, een Toetanchamontentoonstelling in het Louvre – en welke metro ze dienden te pakken.

Na terugkeer vertrok hij zonder afscheid te nemen, om weer op te duiken toen de pandemie uitbrak. Hij had in parken geslapen, was veelvuldig beboet en zelfs veertien dagen gedetineerd geweest. Leeszalen waren gesloten, in een oogwenk had meneer S. Kals omvangrijke bibliotheek verslonden. Om zijn leeshonger te stillen begon hij in heel Amsterdam openbare boekenkastjes leeg te halen.

Dagenlang binnen

Rond de bank die hij vanwege pijn in zijn ledematen steeds minder vaak verliet, verhief zich een fortificatie van drukinkt. Meneer S. vermagerde sterk, liet z’n ontlasting soms lopen. Als hij kortstondig z’n hielen lichtte probeerde Kal, geveld door corona, met een stofzuigertje het huis te fatsoeneren. In de meurende bank trof hij bedorven etensresten aan en lange plukken haar die meneer S. uit zijn hoofd trok.

Beiden verzwakten, soms zaten ze dagenlang binnen, meneer S. op de bank en Kal op een matrasje in zijn studeerkamer waar de chaos eveneens om zich heen heeft gegrepen. De een smeekte de ander in godsnaam naar de supermarkt te gaan.

Begin december voelde Kal zijn krachten terugkeren. Hij bladerde door de drukproeven van een volgende sonnettenbundel toen meneer S. omviel in de gang. Kal ging op zoek naar de telefoon om het noodnummer te bellen, meneer S. verbood het hem met raspende stem. Als hij bij de Indonesiër bami voor hem haalde zou het wel in orde komen.

Twee dagen later viel meneer S. opnieuw. Ik hees hem in de stoel waar jij nu in zit, zegt Kal. Op verzoek van meneer S. ging hij naar de supermarkt om aardbeienyoghurt en cranberrysap te kopen. Hij wilde niet gevoerd worden, Kal liet hem alleen. Twee uur later keerde hij terug, meneer S. hing dood in de stoel, aardbeienyoghurt in het gezicht. Nooddiensten waren snel ter plekke.

Het lichaam werd meegenomen, van meerdere kanten kreeg Kal hulp aangeboden. Hij bedankte vriendelijk, het was niet nodig. Als de sonnettenbundel naar de drukker is zal hij de boel hier eens flink uitmesten, hij kan dat helemaal alleen.

Om meneer S. te eren vraag ik Kal tijdens de uitvaart het sonnet voor te lezen dat hij over Bologna schreef. Op Sint Barbara, waar zich op het laatste nippertje ook drie aimabele leden van de Utrechtse jaarclub van meneer S. melden die op aanwijzingen van Kal zijn gevonden, leest hij het gedicht voor met bevende stem. Als de kist is gezakt wordt Kal door de jaarclubgenoten bedankt voor zijn goedertierenheid, opnieuw krijgt hij hulp aangeboden maar dat is helemaal niet nodig.

Bomaanslag Bologna,

2 augustus 1980

Wanneer ik pech heb zie ik toch de zon,
want bijna stond ik op een dodenlijst
die zomer, naar Italië gereisd
om bij te komen met kutzwager Ton.

Nog één dag rekken bleek te duur geprijsd:
slechts koffie in Bologna, op ’t station.
Hoewel ik dacht dat nóg wel eentje kon,
zei Ton: ‘Ik rijd nu weg.’ Dat bleek het wijst.

Te Beekbergen deed ons het nieuws verbazen:
Centraal Station Bologna opgeblazen!
We waren tien minuten eerder weg.

Op de plaquette worden niet voor eeuwen
herdacht: Saskia Dolk, Jan Kal, Ton Scheeuwe.
Verdikkeme, ik heb ook altijd pech.

Jan Kal.

Schrijver Joris van Casteren doet in een reeks publicaties in de Volkskrant verslag van zijn wederwaardigheden als coördinator bij het begeleiden van eenzame uitvaarten in Amsterdam. Daarbij leest een dichter, aangesloten bij de zogenoemde Poule des Doods, een gedicht voor dat speciaal voor de gestorvene is geschreven. Hij leest de verhalen ook voor in de podcast De eenzame uitvaart.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden