Meneer Leefpul en de werkelijkheid

Twee boeken over twee belangrijke perioden in de Nederlandse journalistiek. Verzameld werk van Willem Wittkampf bevat een selectie uit zijn reportages en interviews die tot 1970 in Het Parool verschenen....

'IS ER iets vredigers denkbaar dan meneer Leefpul in zijn achtertuintje?' Zo begon Willem Wittkampf een van de rechtbankverslagen die hij tussen 1948 en 1950 bij tientallen voor Het Parool heeft geschreven. En hij vervolgde: 'Dertig jaar heeft de oude baas zonder mankeren de brieven rondgebracht bij de mensen. Nóg schragen zijn trouwe oren de rechtvaardige pet van Tante Pos, want daar heeft hij geen afstand van gedaan toen hij ging rusten. Ge zult hem niet zonder zien, behalve 's morgens om negen uur. Dan haalt hij er de eieren in. Want meneer Leefpul houdt kippen.' Zulke zinnen kom je in een krant van 2000 niet meer zo gauw tegen. Om te beginnen is het hele genre - klein lief en leed dat de politierechter passeert - als journalistieke categorie nogal in onbruik geraakt. En als iemand probeert het nieuw leven in te blazen (Frits Abrahams deed het een poosje op de achterpagina van NRC Handelsblad), dan komen er ook nieuwe woorden aan te pas. Geen oude baas meer, geen rechtvaardige pet die trouwe oren schraagt, geen volkse Tante Pos die nog familie moet zijn geweest van Oom Agent, laat staan een kippenhouder die om redenen van privacy is herdoopt tot meneer Leefpul. Wat je afleest aan het vijftig jaar oude sfeerstukje van amper zevenhonderd woorden, is ouderwets op de manier waarop in 1950 een schetsje van Justus van Maurik uit 1900 als verouderd zal zijn ervaren. Daarmee is niks ten nadele van Wittkampf gezegd. Van Maurik was in zijn tijd de even vaardige als populaire vertegenwoordiger van een literaire olijkheidstraditie die teruggaat tot Nicolaas Beets, en die toen weliswaar al is gegispt als 'de copieerlust des dagelijkschen leevens', maar die tot op de dag, van vandaag een onuitputtelijke inspiratiebron is gebleven. Driekwart van de Nederlandse columnistencultuur staat nog altijd in het krijt bij de Camera obscura, en over weer vijftig jaar wil niemand er meer naar omkijken. Zal Wittkampf (1924-1992) die dans ontspringen? In ieder geval heeft een uitgever alsnog een lijvige bloemlezing uit zijn verzameld werk laten bezorgen (wat hij voor Justus van Maurik nooit in z'n hersens zou hebben gehaald), en lijkt zich onder jongere journalisten een klein cultusje te hebben ontwikkeld ter nagedachtenis van een bewonderde collega wiens werk in hun ogen, verre van gedateerd te zijn, nog altijd als voorbeeldig zou moeten gelden. Nou heeft die onvoorziene herwaardering van een al vrijwel vergeten 'stukjesschrijver' (dat was z'n eigen geuzenkwalificatie) minder te maken met de impressies over vele meneren Leefpul dan met de legendarische interviews die hij halverwege de jaren vijftig begon te schrijven in de vorm van een door geen enkele vraag onderbroken alleenspraak: paginalange monologen met links boven aanhalingstekens openen en rechtsonder aanhalingstekens sluiten, en daartussenin een zorgvuldig opgebouwd, en meestal ook nog met een frappe eindigend verhaal, waarvan als een paal boven water stond dat geen mens dat ooit achtermekaar en zonder de hulp van een bijsturende ondervrager uit z'n mond had kunnen krijgen. De 'Willems' waren meesterstukken van een arrangerende interviewer: vraaggesprekken verheven tot gedramatiseerde volksvertellingen, en van de werkelijkheid een flink eind weggemanipuleerd in de richting van de fictie. Geen wonder natuurlijk. Wittkampf was zijn carrière begonnen met de novelle Het kanon, waarvoor hij in 1950 de Reina Prinsen Geerligs-prijs kreeg, en deed een paar jaar later met De stunt (ook een verhaal uit z'n eigen oorlogsherinneringen) een tweede gooi naar de bellettrie. Z'n onmiskenbare eerzucht was het grote schrijverschap. Na bijna twintig jaar 'stukjes' vroeg hij bij Het Parool ook een jaar onbetaald verlof aan om een roman te schrijven - 'een lachpil', kondigde hij aan, want hij wilde ook in de grotemensenliteratuur liefst olijk blijven. In wat volgde zit misschien nog een extra reden voor de ineens hernieuwde belangstelling rond zijn persoon. Het jaar bleek niet genoeg. Toen hij bij terugkeer ruzie kreeg met z'n hoofdredacteur, nam hij ontslag en besloot hij voor eigen rekening (hij kwam uit een welgestelde jeneverstokersfamilie, en zou erven), z'n ambitie te verwezenlijken. De gevierde journalist koos vrijwillig voor het kunstenaarsbestaan: nog 22 jaar lang vie de bohème tot de dood erop volgde, zonder dat de roman ook maar in de buurt van voltooiing was gekomen. Onvervalste tragedie, of zoals Max Nord het als ex-Parool-collega in zijn memoires (Achterwaarts, 1998), optekende: 'Hij heeft zich opgesloten en geïsoleerd, roepend dat bij heel gelukkig was in die eenzaamheid, en goed aan het werk. Mijn vrouw en ik hebben hem nog wel eens overgehaald bij ons te eten, maar in zijn laatste jaren was hij geen schaduw meer van de vrolijke, ondernemende Willem, vol verhalen en plannen. Hij hield er één enkele vriendschap op na, met een vrouw die hem probeerde te verzorgen, en aan wie hij zijn schamele bezittingen naliet. De duizenden vellen papier, in zijn nalatenschap gevonden, geven zelfs geen schijn van zijn grote talent weer. Steeds hernomen motieven en eindeloze herhalingen, zonder enig merkbaar verband of lijn - dat was wat Reinold Kuipers, zijn gepensioneerde uitgever, en ik aantroffen. Geschreven in zelfverkozen vereenzaming en verwarring.' Het ging om achttien verhuisdozen, vol deels onleesbaar beschreven foliovellen. Z'n levenslange impotentie schijnt een steeds terugkerend thema te zijn geweest, dus zo olijk was het misschien niet eens geworden. Niemand die het geprobeerd heeft, is er tot dusver in geslaagd uit de papieren chaos een paar fragmenten te selecteren die voor publicatie in aanmerking zouden kunnen komen. Ook in het Verzameld werk ontbreekt elk spoor van wat het magnum opus had moeten worden. Bejubelde stukjesschrijver, gesjeesde romancier. OOK DAT HEEFT bijna iets ouderwets - als de droom van Amerikaanse brandverslaggevers die in de jaren dertig allemaal op z'n minst Scott Fitzgerald wilden worden, of van Scott Fitzgerald zelf, die zo beroemd en erkend had willen zijn als Faulkner of Hemingway. Al z'n rechtbankverslagen, al z'n reportages en al z'n interviews heeft Wittkampf vermoedelijk ook bedoeld en geschreven als vingeroefeningen voor een 'serieuze' toekomst - niet als journalistiek handwerk, maar als aanloopjes naar de literatuur. Interessant is wat dat betreft een artikel uit 1963, waarin hij op verzoek van het literaire(!) tijdschrift Tirade een portret schetste van de 50-jarige Simon Carmiggelt, maar het eigenlijk meer over zichzelf had. Het is een nogal onsamenhangend verhaal (vol van toen modieuze schrijversclichés als 'de ogen luiken' voor slapen; 'een kelkje ledigen' voor drinken; 'het woud' waar een ander gewoon bos zou schrijven), maar er komen een paar saillante autobiografische details in voor. Hij laat zichzelf in het begin al meteen bedenken 'wat nu weer in het zaaltje van de politierechter had kunnen gebeuren. Het was destijds mijn plicht daarop te letten, maar ik had gemerkt dat men rechtszaakjes kon verzinnen.' Tien pagina's later schrijft hij: 'Persoonlijk heb ik zo'n verachting voor feiten, dat ik me er kalmpjes aan houd.' En ten slotte meldt hij over een oude krant die hij ergens voor nodig heeft: '1 augustus 1951 was een woensdag, de vaste dag dat ik werd geacht bij de politierechter te zitten. Even verderop vond ik een hoogst verzonnen schetsje van mijn hand.' Dat kan natuurlijk een beetje opschepperij zijn geweest. Maar het lijkt me lang niet uitgesloten dat hij meneer Leefpul, Karel C. Knoester, opoe Kom, Sam Zeehandelaar, en nog veertig of vijftig overige politierechterklanten inderdaad uit zijn duim heeft gezogen, zoals hij z'n interview-aantekeningen net zo lang heeft bewerkt, herschikt en gekneed tot z'n gegadigden ten slotte zijn half-fictieve, dus half-verzonnen personages waren geworden; als je ze terugleest zie je ook dat ze zonder uitzondering zijn karakteristieke mix van volks- en stadhuistaal spraken. Allemaal opmaten tot de roman uit de verhuisdozen. Wittkampfs gloriejaren waren de gloriejaren van Het Parool: tot aan de cesuur die de jaren zestig teweegbrachten, veruit de spraakmakendste, de intelligentste, maar vooral ook de vrolijkste krant van Nederland. De boze buitenwereld mag kil zijn geweest - en van de kilte werd adequaat en alert verslag gedaan - maar ter redactie aan de Amsterdamse Nieuwe Zijds bleef men goedgemutst volhouden dat het op een dag allemaal in orde zou komen: de Russen weg zoals Hitler ten slotte ook was verdwenen, de crisis dankzij Drees voorgoed bezworen, nooit meer München, geen rampspoed geboren ofschoon Indië verloren, de samenleving ongepolariseerd, en iedereen in feite op dezelfde gezellige, inventieve manier bezig het eind van de maand te halen. Het 'Amsterdams Dagboek' had een afdeling 'Goed zo' voor wie een kat uit de sloot had gered en een afdeling 'Foei' als iemand een oud vrouwtje niet over het drukke Rokin had geholpen. Kronkel ontsloot voor iedereen het universum van kroeg en koffiehuis. Han G. Hoekstra reisde voor 75 gulden in een dagjesmensenbus naar Parijs op en neer. Annie Schmidt werd moeder van Jip en Janneke, Jeanne Roos ontwierp 'Voor u, mevrouw', en Willem volgde (of verzon) zaken bij de politierechter. In dat klimaat had de journalistiek iets voorwaardelijks. Ze was meer een zaak voor de hoofdartikelenschrijver en de buitenlandredacteur, dan voor al die getalenteerde stilisten die, tussen fictie en werkelijkheid, het dagelijks leven in kaart brachten, en die in hun vrije tijd meededen aan cabaret De Inktvis, of zelfs gedichten schreven. Ze ledigden hun kelkjes in gezonde scepsis. Cynisch werden ze er nooit van. Er zat geen kwaadsappigheid in hun wereld, die ook niet veel verder leek te reiken dan van café Scheltema aan de overkant tot aan De Kring om de hoek van het Leidseplein. Daarbuiten wemelde het in Nederland van meneren Leefpul, vredig in hun achtertuintjes. Maar het heeft niet mogen blijven. TEGEN DE TIJD dat de roem van Het Parool begint te tanen - Provo, Maagdenhuis, langharigheid, Vietnam: het onheil nadert de voordeur - wordt de wacht gewisseld bij het weekblad Vrij Nederland, en ontwikkelt zich aan de Raamgracht een nieuwsgierigheidscultuur waarvan de Nederlandse pers voorlopig niet terugheeft. De nieuwe hoofdredacteur heeft weliswaar een cabaretverleden (en zal later als Douwe Trant op eigen wijze zijn tol betalen aan de Camera), maar hij is een geboren wantrouwer, en hij verzamelt om zich heen een 'Gideonsbende' van onderzoekende en onthullende verslaggevers, die geen tijd hebben om aan een literaire carrière te denken, want ze hebben zich als journalisten tot taak gesteld de Augiasstal te reinigen van het autoritaire, zelfgenoegzame en pseudo-democratische regentenkoninkrijk der Nederlanden. Het is uit met de fictie. In de werkelijkheid is werk aan de winkel. Lees na het verzameld werk van Willem Wittkampf de memoires van Igor Comelissen, en je ziet hoe in journalistieke termen de scheiding der geesten zich heeft voltrokken. Cornelissen is op de redactie van Vrij Nederland waarschijnlijk altijd net zo'n 'loner' geweest als Wittkampf bij Het Parool, maar dat maakt zijn observaties in zekere zin des te betrouwbaarder: hij hield gepaste afstand - ten aanzien van de ruïneuze conflicten die de krant in de jaren tachtig zouden gaan teisteren, kun je zelfs zeggen dat hij zich welbewust gedeisd hield - en werd niemands uitgesproken bondgenoot; geen kwaad uitgangspunt in het krantenvak. Zijn waarde als ooggetuige ontleent hij voor een deel ook aan zijn verleden als actief trotskist: jarenlang in de gaten gehouden door de BVD, en met achterdocht bejegend door Den Uyl. Hij kende het paranoïde klimaat van extreem- links, en hij heeft het in een aantal prachtige portretten van oude en jongere radicale figuren met weldadige ironie geschilderd. Dat was zijn specialiteit bij de krant: hij leefde er zijn zwak uit voor voorbije mensen in de politiek, de literatuur en de muziek, en hoe breekbaarder hun verleden, des te mooier de stukken. Maar de paranoia heeft hem zelf nooit helemaal onberoerd gelaten, getuige de vele complottheorieën die hij in z'n memoires ontvouwt. Als het op argwaan aankwam, kon hij Rinus Ferdinandusse misschien wel in z'n zak steken. In deel II van de memoires - Raamgracht 4, ondertitel: Mooie jaren bij het weekblad - zijn de roemrijke jaren van de krant vooral aan bod gekomen: de anatomie van de nieuwe journalistiek, waarin de VN-redacteur niemand vredig in z'n achtertuintje kon zien zitten zonder onmiddellijk te vermoeden dat daar een hoop leed en onrecht achter moet schuilen, en voortvarend op onderzoek uit te gaan. Geen twee kranten hebben het in die periode ook zo slecht met elkaar kunnen vinden als Vrij Nederland en Het Parool. MAAR AL door die terugblikken heen had Cornelissen z'n twijfels aan de hechtheid van het 'team' geregen, compleet met voorbeelden van sluimerende machtsconflicten, persoonlijke rancunetjes en individuele angsthazerij: 'Ik heb ze bijna allemaal zien buigen, zweten, wringen en opnieuw buigen. Een rare combinatie van bewondering en angst. De angst om buiten de boot te vallen.' Dat was blijkbaar de prijs die men moest betalen voor de totalitaire democratie die men intern bij Vrij Nederland met elkaar overeen was gekomen. In het net verschenen derde deel (Terug naar Zwolle) maken we de ontknoping mee: de zaak van de anonieme brieven, die het 'team' definitief verscheurde, en waarvan de geheimzinnige afzender nooit bekend is geworden. Rinus Ferdinandusse zelf? Daar houdt Cornelissen het in feite op - zonder zekerheid te hebben, en zonder de mogelijkheid te opperen dat het bijvoorbeeld ook weleens Martin van Amerongen kan zijn geweest, die zich indertijd onder de schuilnaam Ir. Schuringa als een bekwaam mystificator had laten kennen. Maar Van Amerongen was zijn 'maatje', zou hij langs z'n neus weg geschreven hebben als het niet om hemzelf was gegaan. Langs z'n neus weg schrijven is Cornelissens grote kracht - en feiten zijn, anders dan Wittkampf beleed, zijn grote liefhebberij: hij grossiert erin, en goochelt ermee door ze (altijd smakelijk, want op de rand van achterklap) te pas en te onpas met elkaar in verband te brengen. 'De neergang van Vrij Nederland' had hij z'n nieuwe deel kunnen ondertitelen. Hij heeft het gelaten bij Dwarsliggers en ander volk. Op de cover zit hij, met een stevige herder op schoot, in de serre van een achtertuintje. Als een dwarsligger, dus niet echt vredig. Maar wel een kelkje onder handbereik, want zo radicaal is de journalistieke werkelijkheid van vijftig jaar na Wittkampf nou ook weer niet veranderd.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden