Meesterlijke schilderijen van toen het pas echt koud was

Een zorgvuldig gemaakte tentoonstelling met fijne bruiklenen uit de 19de eeuw, toen winters vermaak en ellende veroorzaakten. Wie Andreas Schelfhouts werk bekijkt, moet toegeven dat dit een meesterlijke schilder is.

Andreas Schelfhout, Winterlandschap, 1846, collectie Teylers Museum. Beeld Collectie Teylers Museum

Het was een barre, die winter van 1838. Vorst van november tot februari, ijs van 90 centimeter dik. Tussen Harlingen en Terschelling, zo gaat het verhaal, liepen paarden op het ijs. In Zaandam spanden ze de beesten voor een slee en hielden wedstrijden. Een paard genaamd De Koningin won. Kunstenaar Wouterus Verschuur zag het en maakte er een schilderij van.

Het werd best een geinig werkje. Het toont een fraai wolkendek waaronder een besneeuwde ijsvloer waarop een gezelschap het winnende paard ziet finishen. Wat de voorstelling de moeite waard maakt, wat véél Hollandse ijsgezichten de moeite waard maakt, is de rijkdom aan klein grut: het blaffende hondje, de zijn hoed lichtende pikeur, de ingevroren ijsblokken. Een kleinood, bon. Op Echte winters in Teylers Museum in Haarlem kun je het schilderij makkelijk voorbij lopen.

De tentoonstelling is zorgvuldig gemaakte met fijne bruiklenen die, geheel overeenkomstig de geschiedenis van Teylers Museum, zowel een kunsthistorisch als een populair wetenschappelijk karakter kent. Dat kunsthistorische deel gaat nu eens niet over die eeuwige 17de eeuw, maar over een relatief minder populaire periode, de 19de, toen het geschilderde winterlandschap, na een eeuw van veronachtzaming (schaatsen werd door de bovenklasse gezien als 'laag vermaak van den gemeenen man'), aan populariteit herwon. Het wetenschappelijke deel handelt over de Kleine IJstijd in algemene zin, over haar weerslag, 'de maatschappelijke impact'.

Die impact was groot. Tegenwoordig denken we misschien met weemoed terug aan strenge winters; voor 19de-eeuwers, vooral de minder vermogenden, waren zij een beproeving. Weinig werk, schaarste aan drinkwater, huizen met het wooncomfort van een koelkast: akelig, zoals gezegd. Maar het was niet alles tristesse. Winters boden óók ijspret in al zijn verschijningsvormen: sleetje rijden en schaatsen, individueel dan wel in groepsverband, het was een belangrijke volkssport voordat voetbal aan z'n opmars begon - en naar verluidt het enige tijdverdrijf waarin Nederland waarlijk klasseloos was. Ook boden ze vruchtbaar materiaal voor landschapsschilders.

Van die schilders stak er één met kop en schouders bovenuit: Andreas Schelfhout (1787-1870). Hij werd bij zijn leven al beschouwd als de Lorrain van het winterlandschap, en wie zijn olieverfschilderijen en ook zijn aquarellen en vlot neergezette pentekeningen in Teylers bekijkt, kan tegen die lof niets inbrengen: dit is een meesterlijke schilder. Dat zit hem in de details, die altijd fris en naar het leven ogen: vastgevroren platbodems, afzettende schaatsers, stuifsneeuw die verspreid ligt over het ijs als cokerestjes op een spiegel, en ook in het decor waarin al die dingen zich bevinden: het land en de lucht en het licht. Dat licht kleurt de hemel geel en de wolken roze, een roze dat vervolgens weerspiegeld wordt in de ijsvloer, maar bijvoorbeeld ook in de rietpluimpjes en de gezichten van de schaatsers. Het maakt de landschappen coherent en waarachtig. Je kunt er echt in.

Barre winters in de 19de eeuw

Hoe de gevolgen van de barre winter van 1855 eruitzag, liet Johan Veltens zien.

De winter van 1838 was erg, maar die van 1830, 1845, 1849, 1891 en 1895 mochten er ook zijn. En die van 1855 - die was ook pittig. In Scheveningen lag de zee vol drijfijs. Dat was misschien merkwaardig, maar niet per se bedreigend. Dat gold wel voor de overstromingen die in maart na een korte periode van dooi ontstonden en die in het rivierengebied leidde tot een watersnood die zijn weerga niet kende. De Grebbedijk brak, waardoor de Gelderse Vallei volliep en 20 duizend mensen moesten vluchten; op zeker moment stonden grote delen van de Betuwe en Noord-Brabant onder water.

De Amsterdamse tekenleraar Johan Veltens (1814-1894) vereeuwigde de ramp in 25 kleine tableaus, gebaseerd op etsen van kunstenaars van kunstenaarsvereniging Arti & Amicitiae. Je ziet ijsschotsen die als een kudde zeeleeuwen het land op kruipen. En kerken gevuld met waslijnen. En reddingsbootjes.

Dat was moeilijk te evenaren, ook voor Schelfhouts leerlingen. Voor iets van vergelijkbaar niveau moet je je wenden tot schilders later uit die eeuw, de Haagse en Amsterdamse Scholers, zoals Mauve, Breitner, kunstenaars die het winterlandschap van zijn gezellige karakter ontdeden en er iets meer impressionistisch en onbarmhartigers voor in de plaats stelden. Soms ook iets grafischer. Jan Mankes (1889-1920), om zo'n modernere kunstenaar te noemen, schilderde tijdens zijn jaren in het Friese dorp De Knipe een prachtig klein landschap met grijze lucht en een klassiek polsstok-spring-slootje dat in zijn desolaatheid neigt naar het abstracte. Erboven cirkelende kraaien. Besneeuwde weilanden tot zo ver het oog reikt. Daar ga je niet voor je plezier klunen.

Echte winters: het winterlandschap in de negentiende eeuw, Teylers Museum, Haarlem, t/m 3/3. Catalogus (uitgeverij Thoth Bussum): 17,90 euro.


Ontvang elke dag de Volkskrant Avond Nieuwsbrief in uw mailbox, met het nieuws van vandaag, tv-tips voor vanavond, en alvast zes artikelen uit de krant van morgen. Schrijf u hier in.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden