Meesteres van de miniatuur

Bedwelmend vestzakproza, verfijnde observaties – met vier boeken in dertig jaar verwierf Hedda Martens een eigen positie in onze letteren....

‘Er is een woord voor. Het wil me alleen niet te binnen schieten.’ Hedda Martens (1947) kijkt naar buiten, maar het woord dat haar nu zo van pas zou komen, staat niet in de lucht geschreven, noch ligt het onaangeroerd op de binnenplaats van uitgeverij Querido in Amsterdam, waar we hebben afgesproken. ‘Straks misschien.’ Want soms wordt geduldig wachten met een inval beloond.

Eén foto bestond er tot dusver van de schrijfster die publiceert onder het pseudoniem Hedda Martens, en die prijkte achterop haar debuut Sjibbolet en andere verhalen (1982). Of het portret van die jonge vrouw de auteur wel was, wist bijna niemand zeker. Een wat schuwe studente stelde zich in die zes verhalen voor, iemand die zich ernstig concentreerde op de taal, teneinde zich met anderen en met zichzelf te kunnen verstaan.

Die indruk werd versterkt toen tien jaar later Een naald op het water verscheen, met andermaal secuur en melodieus proza, waarin en waarmee een vertelster in het reine moet zien te komen met het vertrek van haar geliefde. Wie Hedda Martens was kon dan niemand zeggen, maar wel dat een passage als de volgende alleen van haar kon zijn: ‘Je belt iemand op om een afspraak te maken en verheugt je omdat je het nummer niet hoeft op te zoeken; vaardig danst één vinger over de toetsen van de telefoon en in de hoorn beluister je het welluidende deuntje van zes tonen, iedere vriendschap een andere melodie. Soms ken ik ze allemaal uit mijn hoofd, een prachtig vermogen waarmee, de hoorn aan het oor, rapsodieën van vriendschap zijn de componeren.’

Sinds ze ruim dertig jaar geleden haar eerste verhaal in het tijdschrift De Revisor publiceerde, voelde Hedda Martens geen aandrang zich publiekelijk te vertonen.

‘In de krant moet er een portret bij,’ zegt de schrijfster, die voor één keer een interview toestaat, ‘en daar zag ik tegenop. Maar ik moet daar bij zeggen dat ik ook nooit werd gevraagd. Jammer vond ik dat niet. Integendeel, ik had het idee dat ik de dans ontsprong. Bij de eerste twee boeken was ik er ook niet op gebrand dat ik naar mijn privé-leven zou worden bevraagd.’

Er zijn critici geweest die suggereerden dat Hedda Martens de schuilnaam was van Nicolaas Matsier. ‘Dat heb ik ook gelezen, en vond ik een compliment. O nee, ook toen voelde ik me niet geroepen mij bekend te maken.

‘Hoewel mijn eerste twee boeken in de ik-persoon staan geschreven, bén je het nooit zelf. Veel van de omstandigheden in dat werk zijn niet de mijne. In Sjibbolet reist de vertelster alleen per vliegtuig naar Florence. Maar daar ben ik nooit geweest, en ik heb nooit alleen in een vliegtuig gezeten.

‘Ik maak iets, omdat het een boeiend verhaal of een mooie serie beelden kan opleveren, en laat me daarin dingen gebeuren die mijzelf niet zijn overkomen. Dat is het aardige en fijne van schrijven, dat je jezelf zo’n rol kan toekennen. Je bouwt een eigen wereld op waarin je kunt ronddolen, of je nu ‘ik’ heet of niet. Dat is soms echt een geschenk.’

~

Door te verdwijnen achter haar werk dwingt Martens de lezer zich tot haar teksten te beperken. ‘Het gaat mij erom dat de lezer het verhaal voor zichzelf heeft, en zich desgewenst kan identificeren met de gewaarwordingen van de ik-figuur. Ik kan precies beschrijven wat ik zie en denk – als je bij een lamp zit, hoe het licht dan valt, en het zich zo kan verscherpen dat het iets angstaanjagends krijgt. Er zit niets tussen de lezer en het beeld, geen persoonlijkheid die er ook nog buiten bestaat.

‘Kijk, je kunt thee schenken in een mok of in een glas. Ik prefereer een glas, want dan valt het licht er door, en dat vind ik mooi. Als ik dat beschrijf, schenkt de ‘ik’ dus thee in een glas, waar een lamp op schijnt. Dat transparante beeld zou je autobiografisch kunnen noemen. Alleen drínk ik helemaal nooit thee! Echt nooit.

‘En met koffie kun je zoiets niet doen, vanwege de donkere substantie. Dat theeglas maakt een bepaalde gevoeligheid of belangstelling zichtbaar die van mij is – maar de voorwerpen zelf verzin ik, die rangschik ik; als met een magneet in mijn ogen of gedachten worden die er dan bijgehaald. Of ik zelf heb meegemaakt wat ik beschrijf of niet, is dan niet langer van belang.

‘Maar ik ben die ‘ik’ dus niet, zo leef ik niet, daar heb ik ook doorgaans de tijd niet voor, om zo intens en in mijn eentje bij alles stil te staan. Schrijvend kan ik datgene doen waaraan het mij ontbreekt in het dagelijks leven, waarin ik werk – drie dagen per week, op de documentatieafdeling van Artis – en mensen ontmoet. Als ik niet schrijf, leef ik te snel.

‘Ik kan moeilijk zonder schrijven. Dan spreek ik de kern van mezelf niet aan. Zelfs met vakantie blijf ik er altijd mee bezig. En als ik eenmaal iets heb staan, kan ik er heel lang op terugkijken en aan blijven werken. Heb ik de beelden nauwkeurig genoeg beschreven? Mijn laatste boek De postbode beschrijft een betoverende stad in een imaginair land, het was bijna alsof ik een tekenfilm aan het schrijven was. Een feest. Ik wilde de kleuren en het geluid zo exact mogelijk weergeven.

‘Kan een ander het volgen, vraag ik me dan af. Ziet de lezer hetzelfde? Het personage Felix voert tegen het eind een Fred Astaire-achtige dans uit. Zoiets schrijf ik snel op, dat is de inspiratie, maar dat vormt hooguit de helft van het werk, want daarna begint het piekeren en volgen er nog zeker tien versies voordat ik tevreden ben. Zijn de zinnen niet te lang of te kort, drukken de woorden die dans zo uit als ik het heb bedoeld? Het is meer voelen dan denken. Heerlijk om te doen.’

Grote romans waarin de auteur iets over zijn tijd kan zeggen – Martens kan ze waarderen, en zou soms ook wel zoiets willen. ‘Maar dat zit er gewoon niet in. Ik herken soms wel iets bij andere schrijvers, bijvoorbeeld hoe Nabokov de lichtval door de glas-in-loodramen van een serre beschrijft in Speak, Memory!.

‘Toen ik dat las, dacht ik: daar kun je het dus óók over hebben.’

~

Veel van de vijftig miniaturen uit haar derde boek Iemandsland (2005) verschenen vooraf in afleveringen van het tijdschrift De Gids. Korte, vaak geestige en bizarre verhaaltjes die telkens beginnen met ‘Iemand’, een neutraal heerschap, geen ik-figuur. ‘Vijftig verschillende personen zijn het. De een houdt niet van reizen, de ander kan niet tegen feestjes. Als je op je werk zegt dat je naar een verjaardagsfeest gaat, is de reactie altijd: ‘Leuk!’

‘Een feest is per definitie iets prettigs. Maar er zijn ongelooflijk veel mensen voor wie dat niet geldt, maar die houden daar hun mond over. Dat fascineerde mij.

‘Die stukjes moesten in de hij-vorm. Waarom, vroeg ik me af. Als je een bizar personage beschrijft, en je maakt daar een vrouw van, ontdekte ik, dan is ze meteen niet neutraal meer. Probeer het maar. Als je zegt: De mens, zij houdt erg van soep, dan valt dat meteen als typisch op. Toen ik die Iemandslanders in de zij-vorm zette, om te kijken of dat werkte, werden het een soort koddige vrouwtjes. Of hoe noem je dat ook weer?

‘Er is een term voor. Vrouwen die een beetje raar zijn. Een typetje*. Ik zit te zoeken naar een woord. Hopelijk kom ik er nog op.

‘Maar bij een man, een hij, heb je dat niet. Dan denk je: dat kan, die man heeft een baan, hij doet zus of zo, hij ligt niet al meteen vast als een dwaas. Een van die Iemandslanders gaat over een man die niet van feesten houdt, hij zit op een fiets en het regent hard, hij heeft een cape om en zit heel gelukkig in die cape op zijn fiets. Daar kun je je iets bij voorstellen. Hij is nog niet ingevuld.

‘Bij vrouwen lukt dat niet, het worden onmiddellijk typetjes, zoals de Twee oude vrouwtjes van Toon Tellegen. Meneertjes zijn er volop in de literatuur, maar mevrouwtjes niet of nauwelijks. Alleen in poëzie kan het, bijvoorbeeld met Mevrouw Despina van Marjoleine de Vos; in proza lukt het niet zonder dat het meteen dwaze vrouwtjes worden.

‘Eén van die Iemandslanders merkt dat hij steeds scherpzinniger wordt, naarmate hij angstiger is. Wat heel goed waar kan zijn. Ik vertrek steeds vanuit een zin die me invalt– ‘Iemand zal binnenkort door zijn vrouw worden verlaten’, ‘Iemand heeft zo onnoemelijk veel excuses op zijn naam staan dat hij er voorgoed vanaf wil’–, en volg dan wat er gebeurt.

‘Het schrijven van die karakterstudies was een buitengewoon plezier.

‘Net als De postbode, die op het omslag ‘roman’ wordt genoemd, maar dan is het er een waarin de beelden het verhaal maken. Achterin staat de inhoudsopgave van de beelden die per hoofdstuk zo’n rol spelen, ontleend aan Monet, Beatrix Potter, Tracey Emin, Tele-tubbies, Andersen. En natuurlijk aan een film als Jour de fête van Tati, die prachtige postbode, of Les enfants du paradis, met de Pierrot van Barrault, een mimespeler. Levende vormen van inspiratie. Die beelden gaven houvast.’

Is de sprookjesachtige landstreek die Martens in woorden schildert, de stralende stad met blinkende poorten en pinakels, het licht en het water, een gebied waar maar weinigen toegang toe hebben, haar weergave van de verbeelding, of misschien de hemel? ‘De mensen die er in zitten kunnen niet meer terug, het is een soort na-leven. Door mooie zintuiglijke ervaringen kunnen ze eerder opgedane pijn en zelfverwijten achteraf verzachten. Een en al begoocheling.

‘De hemel? Ik weet het niet. Het is een fase vóórdat die mensen uiteindelijk opgaan in het licht, dat in die landstreek alle touwtjes in handen heeft. Ze worden niet meer afgeleid, praten ook niet meer met elkaar, ze hoeven zich alleen te laven aan de betovering.

‘Om daar te komen, is een voorwaarde dat die mensen een bepaalde concentratie bezitten. Ze moeten zich aan die beelden kunnen overgeven. Ja, dat kun je met al mijn boeken verbinden: alleen wie uiterste precisie in acht neemt, net als de personages, zal er optimaal toegang toe krijgen.’

~

In de dagen na dit gesprek vroeg ik Hedda Martens per email of ze het gezochte woord nog had gevonden. Haar antwoord: ‘Ik vrees inmiddels, na veel afwachten en rondvragen, dat het woord eenvoudigweg niet bestaat. Zou dat vaker voorkomen, dat een begrip bestaat zonder het bijpassende woord?’

Waarop ik haar vroeg of dit gegeven niet een mooi onderwerp was voor een nieuwe prozatekst. Haar antwoord: ‘Een goed idee. Bij het schrijven aan De postbode had ik ook al dat idee: dat de taal vol gaten is, waar je telkens vakkundig overheen springt, in het dagelijks gebruik.

‘Je went eraan, ziet ze niet meer, maar ze zijn er volop en bij het schrijven blijf je er steeds in steken & moet eromheen draaien. Met excuses hoor, en beste groet.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden