Interview Jon Fosse

Meester van het langzame proza Jon Fosse voltooide zijn monsterproject: ‘Dit nooit weer’

Vijf jaar werkte Jon Fosse (60) aan de 1.500 pagina’s van zijn Septologie, veelal in volledige afzondering. Nu verschijnen de eerste twee delen wereldwijd. De Noorse meester van het langzame proza is blij dat het erop zit. ‘Dit was eens en nooit weer.’      

Jon Fosse. Beeld Christopher Olssøn

De zon wil wel, maar mag nog niet. Halfnegen in de ochtend, Oslo wrijft zich de ogen uit, als Jon Fosse (60) – grijze haren, staartje, heldere ogen achter een rond brilletje – de koffiebar binnenkomt waar we hebben afgesproken. Hij heeft zojuist zijn 7-jarige dochtertje naar school gebracht. Er zijn geen andere bezoekers. Vriendelijk maar beslist voert hij me mee naar een binnenplaatsje, want ‘daar is ook niemand, maar daar kómt ook niemand’, en verklaart zich bereid een paar vragen te beantwoorden.

Overal in de stad hangen posters met zijn markante beeltenis. Het internationale Fosse-festival is net achter de rug, gezelschappen van over de hele wereld speelden zijn toneelstukken. Nee hoor, hij is niet gaan kijken, zegt hij zonder enige pose, met een nerveus lachje. De gedachte dat hij de aandacht trekt, zou hem danig benauwen.

Deze wonderlijke man heeft de afgelopen vijf jaar een gigantische klus geklaard. In zijn huis, een residentie die hem in 2011 is geschonken door de regering en die goed verscholen ligt in het park rond het koninklijk paleis in Oslo, heeft hij dit voorjaar de laatste hand gelegd aan het monstrueuze prozaproject Septologie, waarvan de eerste twee delen nu wereldwijd zijn verschenen. Ook in het Nederlands: De andere naam. Het gekke is dat we hierin een man en een stem ontmoeten die ons bekend voorkomen uit zijn eerdere romans en toneelstukken, maar dat het tóch weer een unieke belevenis is.

We zitten in het hoofd van een schilder, de weduwnaar Asle, een solitaire figuur die staart naar zijn meest recente doek waarop slechts twee strepen staan, het zou een kruis kunnen zijn. Zijn gedachten malen maar door, het stikt van de herhalingen, aan de zinnen van Fosse komt geen einde, het is er donker, Kerstmis nadert, vrienden en geliefden zijn alcoholist of dood, iedereen zwoegt en ploetert, Asle voert gesprekken over ruimte, tijd en God met een visser die met Kerst naar zijn eenzame zus gaat. Afgrondelijke Scandinavische zwaarmoedigheid alom. Maar ondanks dat alles gloort er iets, smeult er hoop. Zolang de stem praat, is er een kans op verlossing en verzoening. Ook in Melancholie I, de vorig jaar verschenen Nederlandse vertaling van Fosses roman uit 1995, over de dodelijk eenzame, schizofrene, manisch in zichzelf pratende, geniale landschapsschilder Lars Hertervig (1830-1902), die in het armenhuis stierf en postuum roem verwierf, bereikte de auteur dat effect met proza waarvoor je veel moeite moet doen, want het schiet bepaald niet op, maar waar je ten slotte versteld van staat.

Voordat u de eerste delen publiceerde, wilde u de hele Septologie voltooid hebben?

‘Dat moest. Want zo werk ik: als ik iets wil veranderen op pagina 500, dan moet ik ook weer iets veranderen op pagina 22, bij wijze van spreken. Het zijn geen zeven romans die ik heb geschreven, het is één grote tekst die ik in delen heb opgesplitst. En zo wordt die nu ook gepubliceerd, in delen. Ook om de mensen niet af te schrikken.’

En u schreef die 1.500 pagina’s hier in de paleistuin?

‘Een groot deel schreef ik in Hainburg an der Donau, waar ik ook een huisje heb en volkomen anoniem ben. Niemand herkent me daar. Heel aangenaam. Hoewel laatst een taxichauffeur in Wenen me herkende. (Lachend) Het leven blijft gevaarlijk. Maar inderdaad, ook in het huis hier heb ik gewerkt.’

Is koning Harald V zo’n fan van u?

‘Geen idee wat hij van me vindt. Ik kreeg het huis acht jaar geleden aangeboden door de regering – sinds de jaren dertig mag daar een kunstenaar verblijven, zo lang hij wil. Zo lang ik leef. Mijn vrouw, dochter en ik leven daar. Er scharrelen dagelijks veel bezoekers rond in de paleistuin, zoals u hebt gezien, maar het huis ligt tamelijk aan de rand en is niet gehorig. Ik kan me er afzonderen.’

De hoofdpersoon van De andere naam is wederom een schilder, net als in Melancholie.

‘Dat zijn de enige twee keren dat ik een schilder heb gekozen. Heel lang geleden heb ik een tijdje geschilderd, maar ik heb geen ambities in die richting. Wel ben ik, net als de verteller in De andere naam, gefascineerd door olieverf op canvas. Het ouderwetse handwerk.’

En de schilder, die naar zijn doek kijkt, kunnen wij hóren denken, honderden pagina’s lang.

‘Het is een eigenaardige vorm, al zeg ik het zelf: geen echte stream of consciousness, geen gewone ik-vertelling. En toch een verhaal. Er bestaat geen naam voor wat ik doe. Ik heb nog nooit zoiets gelezen. Wat niet wil zeggen dat ik de eerste ben. Ooit zei ik dat schrijven voor mij zoiets is als bidden. Veel later las ik dat Franz Kafka precies hetzelfde heeft gezegd. Dus ik was allesbehalve origineel.’

Je kunt slechtere collega’s treffen.

‘Dat vind ik ook. Maar ik haalde hem niet aan.’

Met bidden bedoelde u een bepaalde vorm van concentratie?

‘Daar heeft het mee te maken. Concentratie, meditatie, een manier om het leven te begrijpen, om ergens naar te reiken. Ik denk niet aan de lezer als ik schrijf. Toen ik jong was, heb ik eens iets heel doms gezegd, toen mij werd gevraagd voor wie ik schrijf. Voor God, was mijn ietwat kribbige antwoord. Dat werd prompt de kop boven het stuk: ‘Fosse schrijft voor God.’ Dat vond ik beschamend. Dat hoort u mij niet meer zeggen.

‘Ik schrijf voor iets of iemand en kan het niet nader definiëren. Ook het schrijven zelf niet: dat ontstaat als ik het doe. Het komt tot mij – ik weet niet vanwaar – en ik ben de secretaris die luistert en het geconcentreerd moet noteren. Niets mag mij daarvan afleiden. Dus wanneer ik schrijf, leef ik, buiten het gezinsleven, zeer geïsoleerd. Geen optredens in de buitenwereld. Geen interviews. Alleen dan kan ik het universum betreden dat een nieuw boek of toneelstuk wordt en dat strikte regels en wetten, of geboden en verboden heeft, die ik alleen intuïtief ken en waaraan ik me moet overgeven.

‘Het was vier uur ’s nachts toen ik aan Septologie begon. Ik weet het nog goed. En om kwart over acht, toen ik mijn dochter naar school moest brengen, zat ik erin. Zonder te weten wáárin.’

Uw eerste zin hier herhalen is ondoenlijk, maar die begint zo: ‘En ik zie mezelf staan kijken naar het schilderij met de twee strepen, één lila en één bruin, die elkaar in het midden kruisen, een langwerpig schilderij, en ik zie dat ik die strepen langzaam heb geschilderd en met dikke olieverf, en die is uitgelopen, en waar de bruine en de lila streep elkaar kruisen is de kleur mooi vermengd en biggelt de verf langs het doek en ik denk bij mezelf dat dit geen schilderij is, en toch is het zoals het zou moeten zijn, het is af, er hoeft niets meer aan te gebeuren (…).’ Is deze langzame, repetitieve gedachtengang ook de manier waarop u schrijft?

‘Ja. Toen ik 14 jaar was, speelde ik gitaar in een bandje. Maar ik besefte dat ik niet goed genoeg was om een echte muzikant te worden. In diezelfde tijd schreef ik liedteksten en korte gedichten. Volgens mij ben ik later altijd in proza blijven uitdrukken wat ik ervoer toen ik muziek maakte: de herhalingen, de thema’s en variaties, de coupletten en refreinen. Slow prose, zeggen ze in het buitenland; de Duitsers hebben de term langsame Prosa, die ik prefereer, omdat daarin de traagheid al hoorbaar is.’

U schrijft over een schilder in proza dat op muziek lijkt.

‘Zo gaat dat bij mij. Ik heb het me eigen gemaakt. In mijn beginjaren hoorde ik: jij schrijft zoals Thomas Bernhard, maar ik heb hem pas twintig jaar na mijn debuut ontdekt. Bijzonder was dat. Ineens voelde ik me minder alleen. Een groot toneelschrijver en romancier, maar inmiddels ben ik een beetje afgeknapt op Bernhards ironie en agressie, en denk ik dat Samuel Beckett een nog groter schrijver is.’

Tegenwoordig bent u een vermaard toneelschrijver en prozaïst. Maar in die vroege jaren had u alleen uw talent. Was het moeilijk om zelfvertrouwen te bewaren?

‘Niet als ik schreef. Wel daarbuiten, in sociale situaties ben ik nooit goed geweest. Daarom werd ik een zware drinker. Die gewoonte heb ik gelukkig afgezworen en ik heb geleerd dat ik sociale situaties gewoon moet zien te vermijden. Zo kan ik doorwerken, ben ik nuchter en hoef ik ook bijna niemand te zien. Dat is ideaal. U zult mij nooit in een café tegenkomen. Dit etablissement, ’s ochtends vroeg, en dan ook nog op de stille binnenplaats met een kop koffie en een glaasje water – dat gaat nog nét.’

Ik dank u. In De andere naam regeren donkerte en somberte. Anderzijds is er de voortdurende hoop op licht en verlichting, en zelfs de gedachte dat alle mensen, de dode én de levende, met elkaar verbonden zijn. Dat laatste klinkt als een klef cliché. Kan een kunstenaar die idee weer doen leven, waar maken?

‘Eerlijk gezegd: ik weet het niet. Ik ben niet Asle. Ik luister naar zijn stem. Ik maak iets en weet zelf niet wat het betekent. Mijn interpretatie van wat Asle zegt, is niet interessanter dan de uwe.’

Toch nog deze vraag: Asle zegt dat hij schildert om zich van beelden te ontdoen: ‘Ik probeer de beelden die zich hebben ingeprent weg te schilderen.’ Kunt u zich daarbij iets voorstellen?

‘Dat is een kerngedachte: in Septologie, in Melancholie. In mij. Ik schrijf niet om me uit te drukken, maar om me van mezelf te ontdoen. Ik schrijf niet autobiografisch. Ik doe precies het omgekeerde: ik ontken het, of transformeer het, of transcendeer het in een vorm. Nietzsche zei dat wat de vorm is voor een kunstenaar, de inhoud is voor de kijker of lezer. Van het autobiografische of bekende maak ik iets nieuws, ook voor mezelf. Achteraf kan ik dan constateren dat wat deze Asle opmerkt – dat zijn geschilderde beeld niet helemaal van deze wereld lijkt, zoals literatuur tussen de zinnen en regels door iets wezenlijks kan zeggen of tonen, iets stils, een onzichtbaar licht dat niettemin voelbaar is – dat dat natuurlijk óók iets zegt over mij en waar ik in mijn werk op uit ben. Maar als ik schrijf, heb ik het gevoel dat ik me op onbekend terrein begeef. Het spijt me dat ik het niet duidelijker kan zeggen.’

Beeld Christopher Olssøn

U ontwikkelde uw eigen stijl. Is schrijven te doceren?

‘Nee. Onmogelijk.’

Uit de boeken van Karl Ove Knausgård weten we dat u hem lang geleden schrijfles hebt gegeven.

‘Dat herinner ik me goed, jaren tachtig, in Bergen. Hij was 20, ik was 27. We kletsten veel en dronken veel bier. Ik gaf les, ja, of probeerde dat, om wat te verdienen. Ik had geld nodig. Daardoor heb ik het zes jaar uitgehouden. Op die schrijfacademie zei ik hetzelfde als ik u daarnet vertelde: dat je niet autobiografisch moet schrijven, want dan kopieer je de werkelijkheid alleen maar. Je moet haar transformeren tot iets anders. En wat doet mijn wijze pupil Karl Ove, in de zes kolossale delen van zijn gelauwerde cyclus Mijn strijd? (Lacht) Precies het omgekeerde. Hij stort zijn hele leven uit.’

Hebt u dan gefaald als docent?

‘Dat geloof ik niet. Karl Ove is misschien mijn beste leerling geweest in dat ene jaar, 1988. Hij heeft zijn eigen vorm en stijl gevonden, al heeft dat een tijdje geduurd. Maar dat is waar het om gaat. Ik bedoel: zijn methode is de autobiografische, akkoord, maar ook hij maakt daar iets nieuws en anders van. Zijn manier van schrijven maakt zijn boeken bijzonder – níét het gegeven dat alles wat hij beschrijft, ook in werkelijkheid heeft plaatsgevonden. Maar het was… apart ja, om mijzelf als de stotterende, zweterige, onhandige, verloren maar goedaardige docent Jon Fosse tegen te komen in Schrijver, deel 5 van Mijn strijd. Zo was ik toen. Ik deed iets wat ik niet kon. Pas een paar jaar later, toen ik toneelstukken ging schrijven, die meteen werden verkocht, ook in het buitenland, kreeg ik een inkomen. Tot mijn verbazing kon ik er vanaf dat moment van leven.’

Hebt u een redacteur kunnen gebruiken bij Septologie?

‘Die was ik zelf. Ik schreef 1.750 pagina’s, liep toen nog eens door de hele tekst heen en schrapte de 250 pagina’s waarin ikzelf meer aan het woord was, vond ik, dan mijn hoofdpersoon Asle. Mijn redacteur bij uitgeverij Samlaget heeft daarna nog een paar wijzigingen voorgesteld, details, en daar had ik ook wat aan.

‘Gelukt, dacht ik toen Septologie af was. En ook: zoiets omvangrijks als dit was eens in mijn leven. Omdat ik nog in de flow zat, heb ik in een week tijd nog een toneelstuk geschreven, Strong Wind. Dat beleeft volgend jaar hier in Oslo de wereldpremière. Het is nog een goed toneelstuk ook. Misschien doordat ik een beetje ontspannen was.

‘Soms kan een stuk je zelf dierbaar zijn. Op het Fosse-festival is laatst een Franse bewerking opgevoerd van mijn kinderboek uit 1990 dat Kant heet, net als de filosoof. Over een jongetje van 8, dat in bed Donald Duck ligt te lezen. Maar intussen denkt hij aan de ruimte, het heelal. Er moet toch een kánt aan het universum zitten, een hoek, ergens moet het ophouden. En wat zit er dan áchter die kant? (Glimmende ogen) Kristoffer heet die jongen. Ik mag hem.’

Jon Fosse: De andere naam (Septologie I en II)

Uit het Noors vertaald door Marianne Molenaar. Oevers; 357 pagina’s; € 21,95.

De volgende delen, Ik is een ander (Septologie III-V) en Een nieuwe naam (Septologie VI-VII), verschijnen respectievelijk in 2021 en 2022.

Jon Fosse

1959: geboren op 29 september in Haugesund

1983: eerste roman Rood, zwart

1988: docent creatief schrijven in Bergen, onder meer van Karl Ove Knausgård

1990Kant, kinderboek

1994: eerste toneelstuk Scheiden zullen we toch nooit

1995: roman Melancholie I (Nederlandse vertaling 2018)

1996: roman Melancholie II

2000: kinderboek Zuster (Jeugdliteratuurprijs 2007)

2000: roman Ochtend en avond (Nederlandse vertaling in 2005)

2007: roman Slapeloos (Nederlandse vertaling in 2010)

2010: te gast op Poetry International in Rotterdam en winnaar van de Ibsen Award voor zijn toneeloeuvre

2015: Literatuurprijs van de Noordse Raad (voor Andvake-trilogien, proza)

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden