Meer wegen leidden naar de vernietigingskampen

Dat is weleens anders geweest. Tijdens de naoorlogse jaren kwam het holocaustonderzoek slechts schoorvoetend op gang. Voor compassie met het lot van de joden was jarenlang geen plaats. Alle aandacht ging uit naar de economische en politieke wederopbouw van het aangeslagen Europa. In 1950 lag de eerste studie naar de jodenmoord in de Nederlandse boekhandels, Kroniek der jodenvervolging 1940-1945 van Abel Herzberg, die zelf een verblijf in het concentratiekamp Bergen-Belsen kon navertellen.

Daarna volgden onderzoekers uit andere landen, zoals de Fransman Léon Poliakov die in 1951 zijn studie Brévaire de la haine publiceerde waarin hij een verklaring voor de genocide zocht in een doorgeslagen racistische ideologie die aanknoopte bij een jarenlange traditie van Europese jodenhaat. Of de Britse onderzoeker Gerald Reitlinger, die in zijn boek The Final Solution uit 1953 hoofddader Hitler afschilderde als een geestelijk gestoorde antisemiet, in 1961 gevolgd door het tot de dag van vandaag als standaardwerk betitelde The Destruction of the European Jews (herziene versie verscheen in 1985) van de Amerikaan Raul Hilberg, waarin deze de wijdvertakte en goed georganiseerde nazi-bureacratie aanwees als doorslaggevende factor voor de fabrieksmatig geleide massamoord.

Hoe verdienstelijk en baanbrekend deze studies ook waren, het onderzoek naar de shoah raakte in 1961 pas in een stroomversnelling na het proces tegen Adolf Eichmann in Israël, dat maandenlang een verbijsterde wereld in de ban hield. Sindsdien is de holocaust niet meer in de schaduw geweest. Nadat de eerste studies zich vooral richtten op het lijden van de slachtoffers onder het nazi-regime en in de kampen en de antisemitische aspecten van de nazi-ideologie, schoof het zwaartepunt van het onderzoek langzaam op naar werkwijze en motieven van de daders. Vervolgens kwamen de omstanders in beeld die toekeken en het lieten gebeuren, en niet te vergeten: de grootschalige roof van joods bezit.

Recente studies vertonen opvallende verschillen in hun verklaringen voor de toedracht van de holocaust. Schreef Philip Burrin in Hitler and the Jews (1989) de jodenmoord nog vooral toe aan Hitlers obsessie, Götz Aly zag het in Endlösung (1995), waarin hij de moordende werkzaamheden van de Einsatzkommando's onder de loep nam, vooral als een bijverschijnsel van de toenmalige bevolkingspolitiek. Omstandigheden en niet de ideologie zouden het lot van de Europese joden hebben bepaald. Nee, beweerde Daniel J. Goldhagen een jaar later in Hitler's willing executioners, de vernietiging van de joden voltrok zich met instemming van het Duitse volk tegen een traditionele achtergrond van hardnekkig antisemitisme en nationalisme. Met de studie van Saul Friedländer, Germany and the jews (1997), en Politik der Vernichtung (1998) van Peter Longerich lijkt het onderzoek zich opnieuw in de eerste plaats te richten op het verschijnsel van antisemitisme en het racisme van Hitlers ideeën.

Het zojuist verschenen boek De holocaust van de Amerikaanse historici Debórah Dwork en Robert Jan van Pelt sluit daarbij aan, maar wil tegelijkertijd completer zijn dan voorgaande studies. In dit boek is het niet alleen de omnipotente jodenhaat die aanzette tot de massamoord in de gaskamers, maar worden meer wegen genoemd die uitmondden in de vernietigingskampen. Een zo veelomvattend boek als dit werd node gemist, want een Nederlandstalige studie die een goed, recent en tamelijk volledig overzicht geeft van de jodenmoord, was er al jaren niet. Alleen al daarom valt de verschijning ervan bijzonder toe te juichen. De auteurs, die samen eerder een studie over Auschwitz publiceerden, hadden bij hun onderzoek wel het comfort dat zij konden kiezen uit een rijke bron van duizenden boeken waarin evenzoveel aspecten van de holocaust worden beschreven. Veel graafwerk in archieven is hun bespaard gebleven. Wel interviewden ze overlevenden en verwerkten die in de tekst.

Over keuzes en indeling vallen wel enige opmerkingen te maken. Zo ruimden Dwork en Van Pelt voor de holocaust zelf in hun boek slechts één hoofdstuk in van een magere dertig pagina's. Op een boek van vierhonderd bladzijden tekst oogt dat tamelijk gering, maar het ging de auteurs hier om iets anders, namelijk het verduidelijken van een context waarin die massale uitroeiing plaatshad. Met een inzichtelijke schets van de positie van de joden in Europa vanaf de Middeleeuwen zetten zij de anti-joodse ressentimenten in perspectief, die uiteindelijk leidden tot Hitlers verpolitiekte antisemitisme. Waarom zij daarbij voorbijgaan aan de wegbereiders van die opvattingen, is niet duidelijk. Theodor Fritsch bijvoorbeeld, de door de nazi's zo hoog gewaardeerde grootmeester van het Duitse antisemitisme, die met zijn reeds in 1893 gepubliceerde Handbuch der Judenfrage (voor het eerst verschenen in 1887 als Der antisemitische Katechismus en tot 1944 49 maal herdrukt) een arsenaal aan anti-joodse stellingen bood, ontbreekt geheel. Ook over conservatieve uitgevers als Eugen Diederichs Verlag en J.F. Lehmanns Verlag, die met hun uitgaven veel geestelijk grondwerk voor de nationaal-socialisten verrichtten, geen woord. Hetzelfde geldt voor Die Sünde wider das Blut. In deze uiterst vileine, antisemitische bestseller uit 1917 beschrijft Artur Dinter de verderfelijke invloed van interraciaal geslachtsverkeer, uitgevoerd door een rijke jood die de brutaliteit had een raszuivere Duitse vrouw te verkrachten. Goedkope clichés wellicht, maar toen behoorden dergelijke opvattingen tot het standaardgedachtegoed van de doorsnee antisemiet. Kort na Hitlers machtsovername haastten de nazi's zich dan ook om via hun Neurenbergse wetgeving 'ter bescherming van het Duitse bloed' dergelijke vormen van 'rassenschande' strafbaar te stellen.

Ook over de invloed van Hans F.K. Günther, de bekendste rassenvorser van het Derde Rijk, wordt de lezer niet geïnformeerd. De auteurs memoreren weliswaar een uitspraak van hem over Sinti en Roma, maar zijn belangrijke en in grote oplagen verspreide werken als Rassenkunde des deutschen Volkes en Rassenkunde des jüdischen Volkes worden genegeerd. Terwijl hij in het laatste werk toch voor een nazi-wetenschapper de opmerkelijke opvatting ventileerde dat er geen wetenschappelijk bewijs was voor het bestaan van een 'joods ras'. In hoeverre en in welke mate deze ideeën de bevolking hebben bereikt, zijn vragen die een antwoord zouden kunnen opleveren dat licht werpt op de geschiedenis van de antisemitische mentaliteit in Duitsland.

Dwork en Van Pelt hadden méér te beschrijven dan dat. Uitvoerig gaan zij in op brandende vragen, zoals: wat de geallieerden hadden kunnen doen om de joden te redden en waarom zij dat niet deden. Verder geven zij een beeld van de hoop die de vervolgden koesterden vanwege de onderduikacties die in heel Europa op touw werden gezet. Maar niets over het leven in de schuilplaatsonderduik, zoals dat door Anne Frank in haar dagboek is beschreven. Haar getuigenis en de invloed ervan op de perceptie van de holocaust in de rest van de wereld laten de auteurs onbesproken.

Datzelfde geldt voor de grootschalige beroving van de joden, waarover de laatste jaren veel onthullingen zijn gedaan. En voor de Historikerstreit en de discussies die naar aanleiding van Goldhagens boek internationaal zijn gevoerd. Maar ook dat zijn keuzes die 'een geschiedenis' van de holocaust niet minder verhelderend hoeven te maken.

De auteurs presenteren hun boek blijkens de ondertitel nadrukkelijk als een onderdeel van een doorgaand gesprek. Het laatste woord over de holocaust is nog niet gesproken, maar dit boek heeft beslist enige klaarheid gebracht in een lastige historische materie. Ondanks de vreemde plek die de auteurs toekenden aan hoofdstuk 14, waarin de lezer na afloop van de oorlog wederom de wereld van het concentratiekamp wordt binnengetrokken, biedt De holocaust een zeer brede en gevarieerde blik op het moeilijk te vatten, gruwelijke verhaal van de ondergang van zes miljoen joden.

Debórah Dwork en Robert Jan van Pelt: De holocaust - Een geschiedenis.
Boom; 504 pagina's; euro 29,90.
ISBN 90 5352 843 1.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.