Meer Rembrandt dan oh-la-la

Als klein jongetje vond hij Parijs direct al prachtig. De Hongaarse fotograaf Gyula Halász - beter bekend als Brassaï - vestigde zich er op z'n 25ste....

ONDER het wateroppervlak verschuilt zich het Parijs waar Brassaï door de nacht zwierf, foto's makend van de lichtekooien en hun klanten, van clochards en kroeglopers. Alleen de puntige wolkenkrabber van Eiffel heel in de verte, de Tour Montparnasse en een paar kerktorens weerspiegelen in de vijver bovenop het immense Centre Pompidou. In de zalen die uitkijken op het watertje krijgt de fotograaf Brassaï - altijd op zoek naar de flonkering van de stad - het grootste eerbetoon in Frankrijk tot nu toe.

Er is geen mooiere plek denkbaar voor het retrospectief dan de bovenverdieping van het pas gerenoveerde museum, op de plaats waar vroeger het rumoer van de Hallen klonk: 450 foto's, fotocollages en enkele tientallen sculpturen zijn er te zien. Dichter dan hier kunnen stervelingen de hemel niet naderen, waar vermoedelijk iedere Parijsenaar Brassaï (1899-1984) een kamer met uitzicht op de Seine toewenst. Of liever nog: met zicht op de straten, de biotoop van de nachtvlinder Brassaï.

Ver van de toeristische trekpleisters, in de volksbuurten en langs de rivier fotografeerde Brassaï. En steevast eindigden zijn omzwervingen in het café waar hij, zo schreef hij eens, het ochtendgloren afwachtte 'met hete koffie en verse kranten'.

Verslingerd aan Parijs was de in Hongaars Transsylvanië geboren Gyula Halász - later Brassaï - vermoedelijk vanaf zijn eerste bezoek aan de stad. Hij was vijf jaar toen hij aan de hand van zijn vader, universitair docent Frans, voor het eerst in de stad kwam. Na zijn schooltijd in zijn geboorteplaats Brasso studeerde de getalenteerde Gyula in Boedapest en ging naar de kunstacademie in Berlijn, waar hij al snel in artistieke kringen belandde en bevriend raakte met kunstenaars als Kokoschka, Kandinsky, Moholy-Nagy. Maar het verlangen naar Parijs doofde niet, en in 1924 vestigde hij zich er, om er nooit meer weg te gaan.

De eerste jaren kwam hij rond als correspondent voor Duitse kranten. Toen al nam hij zich voor om, zodra zijn financiële situatie dat toestond, een camera te kopen, zodat hij eigen foto's zou kunnen leveren bij zijn artikelen. Via een kennis kwam hij in contact met Eugène Atget, de vermaarde fotograaf van het Parijs aan het einde van de negentiende eeuw. De kennismaking met diens werk had een betoverende uitwerking op Gyula.

Geïnspireerd door Atget begon hij Parijs te fotograferen. Eind 1929, begin 1930 kocht hij zijn eerste professionele camera, en slechts enkele maanden later verscheen bij uitgever Charles Peignot het eerste fotoboek van Gyula Halász: Paris de nuit, nachtelijk Parijs. Het was meteen ook zijn doorbraak; hij hoorde er vanaf dat moment bij, bij de artistieke elite van Parijs. Niet veel later nam Halász het peseudoniem Brassaï ('uit Brasso') aan.

Wie de nachtfoto's van Brassaï bekijkt, voelt de opwinding en het uitgelaten ongeduld waarmee hij, camera op de borst, door Parijs struinde. Geen mens te zien op de bruggen over de Seine, de kades langs het kanaal Saint-Denis of in de passage van Palais-Royal. Toch ontbreekt de verstilling die meestal van dergelijke beelden uitgaat. De lijnen, veelal diagonaal, de bogen van de bruggen en gebouwen, het ritme van licht en schaduw hebben een verrassende, optische dynamiek.

'De nacht suggereert, zij onthult niet. De nacht verwart ons en verrast ons door haar vreemdheid. Ze maakt krachten in ons vrij die overdag door de rede worden onderdrukt', schreef Brassaï. Het geldt bij uitstek voor het Parijse uitgaansleven en meer bepaald de prostitutie. Brassaï begaf zich midden tussen de hoeren en hun klanten en fotografeerde hen op een, zeker voor die tijd, onbeschroomde manier.

Een vrouw staat in de Rue de Lappe geleund tegen een lantaarnpaal, sigaret in een mondhoek, het hoofd licht naar achteren - zelfverzekerd en uitdagend. Een andere belle heeft met haar opbollende buik en meer dan stevige heupen de uitstraling van een bootwerker. Een derde, een hoer op leeftijd, heeft haar handen behangen met glinsterende kettinkjes en ringen. Zwoel en een beetje triestig kijkt ze in een café vanonder haar hoedje de lens in, glaasje en asbak binnen handbereik.

Wat die foto's laten zien is Brassaï's vermogen door te dringen tot de persoonlijkheid van de vrouwen. De hoeren hóren bij de stad, zoals de arbeiders, de artiesten en de brave burgers. Brassaï portretteerde ze als individuen en niet als lachwekkende danwel zinnenprikkelende stereotypen, zoals de oh-la-la-fotografen uit het Moulin Rouge-circuit deden. Ook de sjouwers, de handelaren, de slagers en groentenverkopers bij de Hallen behouden op zijn foto's hun eigenheid. De gezichten van de slagers lichten Rembrandtesk op in het duister. En de werklozen die in een groepje samenscholen, hebben de lol in het leven nog niet verloren, ondanks de economische depressie. Vrolijk lachen ze, kletsen wat of rollen een sigaretje - bij Brassaï voldoet niemand aan een clichébeeld.

Brassaï weet de paartjes, verliefd verstrengeld in cafés, de danseressen, hoeren en arbeiders zelfs een religieuze glans mee te geven. Verwachtingsvol en vol ontzag turen bouwvakkers naar eenzelfde punt aan de hemel. Alsof ze een engel zien neerdalen, terwijl ze waarschijnlijk gewoon een zwenkende hijskraan in de gaten houden. En het couple d'amoureux dans un petit café, quartier Italie - de bevallige houding en de blik van het meisje, de stiekem strelende hand van de jongen - straalt een en al gelukzaligheid uit. Het moment waarop Brassaï dat tafereel fotografeerde, was een hemels ogenblik.

Brassaï's foto's van nachtelijk Parijs maakten hem in korte tijd tot ver buiten Parijs beroemd. In 1932 kreeg hij zijn eerste opdrachten van het Amerikaanse geïllustreerde blad Harper's Bazaar. In Frankrijk publiceerde hij in het toonaangevende Vu. Hij werd opgenomen in de kring kunstenaars rond het kunsttijdstrift Minotaure en raakte bevriend met Picasso, Salvador Dalí, André Breton, Alexander Calder en Henry Miller. De Amerikaanse schrijver schreef veelvuldig over Brassaï, zijn eerste tekst kreeg de vleiende titel L'oeil de Paris, het oog van Parijs.

In zijn Minotaure-jaren (1933-1939) portretteerde hij zijn beroemde vrienden. Hij maakte naaktstudies, en close-ups van mineralen, koralen, gebruiksvoorwerpen als punaises, paperclips en vingerhoeden - meesterwerken misschien in technisch opzicht, maar weinig bezield.

In de oorlogsjaren zou van zijn passie, het fotograferen van de straat, uiteraard niets terechtkomen. Hij kreeg zelfs een fotografieverbod omdat hij weigerde een loyaliteitsverklaring aan de nazi's te tekenen. In het geniep fotografeerde hij - op diens verzoek - Picasso's kunstwerken. Brassaï maakte ook enkele foto's van de bevrijding van Parijs. De indrukwekkendste is die van een verbrijzelde spiegel en een gat in een muur. Vlak voor die spiegel had Brassaï vanuit een raam staan fotograferen, en de kogel was rakelings langs zijn hoofd gegaan. In die kogelkrater in de muur zag hij het overtuigende argument dat hij nooit oorlogsfotograaf moest worden.

Na de bevrijding zette Brassaï zijn werkzaamheden voor Harper's Bazaar voort. Een aanzienlijk deel van de expositie is gewijd aan die foto's, die in doorsnee braver zijn dan het rauwe werk uit het begin van zijn carrière. De meeste daarvan ontberen de 'vreemdheid van de nacht', die mysterieuze sfeer, domweg omdat ze overdag zijn gemaakt.

Toch zijn het stuk voor stuk beelden die je in het hart raken, omdat ze deel uitmaken van het collectief geheugen van de twintigste eeuw. Het tafereel van een rondreizende fotograaf die op de stoep bezig is met een portret van een Parijs gezin vertedert, door die trotse moeder en haar kinderschare in zondagse kledij. Hilarisch is het beeld van de schilder, omringd door publiek, waarbij van ieders gezichtsuitdrukking de mate van waardering is af te lezen voor het kunstwerk in wording.

Hard en realistisch is de reeks foto's die Brassaï maakte van iemand die sterft op straat. Een groepje mensen verzamelt zich rond een lichaam dat bij een boom is neergevallen. Iemand sjort wat aan het lijf. Er komt een ambulance en het lijk wordt afgevoerd. Op de laatste foto heeft het stadsleven zijn onverschillige ritme hernomen, en herinnert alleen een donkere vlek op het plaveisel aan het drama dat heeft plaatsgevonden.

Die foto's van het alledaagse stadsleven evenaren het werk van grootmeesters als Henri Cartier-Bresson en Robert Doisneau. Ook bij Brassaï vind je die kenmerkende mengeling van melancholie en humor. De wandelaars op de Rue de Rivoli lijken als de Verlosser op water te wandelen, wanneer zij in een regenbui over het asfalt lopen. En wat doet die eenzame damesschoen op de grond bij de slapende man op het bankje? Maar lang niet alle foto's voor Harper's Bazaar hebben die lichtelijk absurde toets. Een aantal is te braaf voor woorden. Zoals het gedrentel van een schoothondje op de trappen bij Montmartre. Als er katten of honden opduiken in zijn foto's is het resultaat ronduit kitscherig.

Nog op hoge leeftijd, tot in de jaren zeventig, bleef Brassaï proberen zijn stijl te vernieuwen; even experimenteerde hij nog met kleurenfotografie. Zijn detailopnamen van verweerde, afgebladderde muren zijn minimalistisch, abstract, en ook een beetje treurig.

Maar ze getuigen ook van de levenslange liefde van Brassaï voor het gewone en alledaagse. In de jaren dertig beklaagde hij zich eens over het gemak waarmee stadsbestuurders de oude straten opofferden voor stadsvernieuwing of grootse monumenten. 'Voor straten bestaan geen musea', zei hij dan. Maar zijn foto's hebben de straten, stegen en kades toch nog tot de eregalerij van Centre Pompidou gebracht.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden