Meedogenloze filosofische acrobatiek

De Franse filosoof Gilles Deleuze (1925-1995) voerde oorlog tegen de Verlichting en elk streven naar helderheid en harmonie. Het troebele en het Verschil moesten vooral woekeren....

Weinig boeken die bij lezing zoveel herinneringen bij me loswoelden als dit werk. Nee, geen dichtbundel of roman die me zo acuut terugvoerde naar mijn verleden. Het gaat om dit boek, met de prozaïsche titel Deleuze compendium, over het denken van de Franse filosoof Gilles Deleuze (1925-1995). U kent het verhaal van de ‘madeleine’, het kaakje dat Marcel Proust laat werken als een tijdmachine, waardoor de verteller via smaak en bloesemgeur wordt teruggevoerd naar zijn jeugd, zo onmiddellijk, als alleen een zintuiglijke ervaring kan bewerkstelligen? Dit compendium is mijn onwaarschijnlijke ‘madeleine’, ik ben weer twintig, ik lees me suf aan Franse filosofen, die toen de rigueur waren. Michel Foucault, natuurlijk, de opperhoofdman van het Franse clubje, die niets minder voorspelde dan dat de volgende eeuw ‘Deleuziaans’ zou worden.

Gilles Deleuze was, het hoeft geen betoog, bevriend met Foucault, en Franse denkers zijn nooit teruggeschrokken voor wat we in goed Nederlands wel een sweeping statement noemen.

Deleuze was eind jaren ’70, begin jaren ’80 dus al heilig verklaard, hij zou de rol vervullen die Nietzsche voor de twintigste eeuw heeft gehad, en wij, jonge studenten, konden niet wachten om deel uit te maken van die ‘Deleuziaanse eeuw’, die de onze zou worden. Bovendien had Deleuze met de psychoanalyticus Felix Guattari in 1972 het boek Anti-Oedipe geschreven, en dat was voor mijn vrienden en mij min of meer een bijbel.

Iets over die vrienden: ik verkeerde in de gelukkige omstandigheid veel om te gaan met de Rooie Flikkers, mannen die iets ouder waren dan ik, en die contacten hadden in Parijs met mensen als Foucault, Hélène Sixous en Guy Hocquenghem, de ‘homofilosoof’ van het Franse post structuralisme. Zij voerden mij die Parijse cirkel binnen, en dus mocht ik handen schudden met de grootheden van die tijd. Parijs is een metropool, maar het Parijse filosofieleven was een dorp, iedereen kende iedereen, en Gilles Deleuze hoorde bij deze dorpsgemeenschap.

Stel u een tengere man voor à la minister Plasterk, met altijd een hoed op zijn hoofd, maar dan met een geheel ander, veel weerbarstiger brein. Voilà, Gilles Deleuze.

Waarom was Anti-Oedipe zo belangrijk, voor ons en voor vele andere denkers en studenten? Omdat daarin onderhuids de aanval werd geopend op die andere Franse held, de psychoanalyticus Jacques Lacan, wiens hoogtijdagen al achter de rug waren, en die volgens Deleuze veel te slaafs het werk van Freud had gevolgd, met zijn ‘Wet van de Vader’ en ander patriarchaal gedoe. Daartegenin schreven Deleuze en Guattari Anti- Oedipe, met als ondertitel capitalisme et schizophrénie. Voor de goede orde: die schizofrenie, dat was geen schrikbeeld, maar een bevrijdingsbelofte – de werkelijke aard van het kapitalisme dat ons omringde was schizofreen, en het kwam er nu op aan die in volle omvang uit te leven. Ja, de anti-psychiatrie sprak ook nog een woordje mee.

En waarom moest die arme mythologische vaderdoder Oedipus het ontgelden? Omdat die man, die mythe, de mensen vasthield in het pappa-mama-kind-concentratiekamp, dat neurotiserend was en trouwens politiek gesproken fascistoïde.

Sorry, mensen, voor minder deden we het niet.

Deleuze en Guattari stelden daar hun ‘rizoom’ tegenover, het beeld van de wortelstok, waarin ‘ondergronds knoppen ontspruiten op de knopen om vervolgens op onvoorstelbare plekken boven de grond te komen’.

Kijk, dit ondergrondse wortelstelsel, met zijn oneindige mogelijkheden aan sociale, amicale en seksuele verknopingen en verbindingen – dat was de manier om aan de Gezinsterreur te ontsnappen. Oedipus moest worden onttroond. De mythe van de genitale seksualiteit, als sublieme eindfase van een voorbeeldige ontwikkeling, moest ontzenuwd worden. En juist het anale, bestiale, fetisjistische, kortom het hele ‘perverse pakket’ was toe aan een herwaardering, want daarin school de kracht van de ‘tegenmacht’, het werkelijke revolutionaire potentieel.

Freud en Lacan hadden het nog over desire, verlangen, en dat was een gevaarlijk begrip, waarbij dokters en psychiaters klaarstonden om het te medicaliseren. Maar Deleuze, Guattari en Foucault stelde daar plaisir tegenover, en dat was een ongrijpbaar genot, dat niet kapot geanalyseerd kon worden, laat staan gedisciplineerd.

Ik las alles braaf in het Frans, heb minstens de helft niet begrepen, maar wist intuïtief: dit is wild en gevaarlijk denken, en bovendien: dit gaat in tegen de braaf geformuleerde eisen van het COC, die ‘integratie’ of zelfs ‘acceptatie’ van homoseksualiteit voorstonden. Ja, hoe truttig kon je worden. Met Deleuze in de hand wees je dat soort reformistische eisen resoluut van de hand, en zette je in op... ja op, wat eigenlijk? De totale transformatie van de samenleving, waarbij de marge (de homo, het kind, de vrouw, de schizofreen) niet langer getolereerd zou worden, maar als het ware een eigen centrum zou worden, dat zich niet hoefde te verhouden tot een andere, belangrijkere grootheid.

Ontsnappen, dat was het parool. Ontsnappen aan het bipolaire denken van arbeid en kapitaal, van het bewuste en onderbewuste, van staat en burger, man en vrouw, homo, hetero. Deleuze was in die zin een filosofische versie van de wereldberoemde acrobaat Houdini; iemand die zich telkens wist te bevrijden uit het systeemdenken, dat zo lang de filosofie en de psychoanalyse had bepaald.

Marx en Freud, dat waren de denkers van het ‘wantrouwen’ geweest. Daar tegen in werd de vitale en soms onnavolgbare Nietzsche op de troon gehesen, en diens enige echte opvolger heette: Gilles Deleuze.

Ik weet nog goed hoeveel weerzin ik voelde jegens het marxistische denken, dat alles opdeelde in tweeën (arbeider-bourgeois enzovoort), en in die zin een directe voortzetting was van de Hegeliaanse dialectiek, met zijn these en antithese, waaruit dan weer die synthese moest voorkomen. Deleuze was de grote anti-Hegeliaan, die het hele dialectische systeem aan stukken scheurde, en stelde dat er helemaal geen synthese was. Er waren brokstukken, ervaringen, botsingen van het denken en de werkelijkheid, en precies in die confrontatie werd er ‘echt gedacht’, zonder een vooropgezette uitkomst.

Naast anti-oedipaal was ik ook fel anti-communist, dus dat kwam mooi uit. (Dat de ‘Rooie Flikkers’ de ‘Rooie Flikkers’ heetten, daar stapte ik maar even overheen).

Nu, bijna 28 jaar later, vind ik die anti-Hegeliaanse, anti-dialectische opstelling van Deleuze nog steeds de meest interessante. Het boek dat mij wat dat betreft het meest geleerd heeft is Difference et répétition, geschreven in 1968, en, terugkijkend, waarschijnlijk toch het hoofdwerk van Deleuze.

Ger Groot heeft over dat boek in Deleuze compendium een helder, toegankelijk hoofdstuk geschreven, en dat zijn geen complimenten, dat zijn in Deleuziaanse termen even zoveel verdachtmakingen. Want Deleuze vond: ‘wie werkelijk denkt, moet de evidentie, klaarheid en ogenschijnlijke onweerlegbaarheid durven loslaten die de geest veiligheid en zekerheid leken te beloven’.

Ger Groot heeft dus iets gedaan wat eigenlijk helemaal niet mocht, en ik ben hem daar zeer dankbaar voor.

Wij hadden ons gespecialiseerd in het soort jargon, dat wellicht heel waarachtig was, maar voor buitenstaanders zo goed als onleesbaar. Een voorbeeld, mild nog, uit die tijd: ‘Wij willen de differentie als zodanig denken en de betrekking van het differente met het differente, onafhankelijk van de vormen van de representatie die ze reduceren tot het Zelfde, en ze door het negatieve heen te laten gaan.’

Parbleu.

Toch snap ik nog wat daarmee werd bedoeld. Hegel had met zijn dialectiek eigenlijk een podium gebouwd: op plaats drie stond de these, op twee de anti-these en de ereplaats was gereserveerd voor de Synthese. Die synthese ging voorbij aan het Verschil. Het Verschil werd ‘opgeheven’, werd verdonkeremaand in handen van de meester-tovenaar. Als de grote goochelaar Hegel zijn truc beëindigt had, was het Verschil weg en bleef alleen de Synthese over.

Dit denken, dat Deleuze als ‘totalitair’ betitelde, maakte van het Verschil niets anders dan een opmaat naar het Ene, de Synthese, waarin alles moest samenkomen. Maar, schreef Deleuze, er moet helemaal niets samenkomen, het verschil is onherleidbaar tot iets anders, het moet verschillend blijven, en zich mogen en kunnen herhalen, zonder tot een accolade te leiden.

Als Deleuze deze samenvatting zou lezen, zou hij zijn hoofd schudden, ik weet het zeker, maar het zijn mijn woorden, en ze benaderen denk ik redelijk wat de filosoof veel omslachtiger verwoordde.

Naast Hegel was er dan nog zo’n grote opponent van Deleuze, en dat was René Descartes, de man die met zijn ‘cogito, ergo sum’ (‘ik denk, dus ik besta’) het denken had opgesloten in de ‘Ik-identiteit’. Deleuze zocht naar een manier van reflecteren die ‘altijd in beweging is, en nooit helemaal bij zichzelf’. Bovendien was Descartes de grote rationalist, die het nu juist begonnen was om ‘clarté’, helderheid, en zoals we zagen moest Deleuze daar niets van hebben.

Dat was dus het programma: Descartes, Hegel, Freud (en zijn neefje Lacan) wegvagen, de grote denkers die de moderniteit hadden bepaald. Daarvoor in de plaats kwam het ‘differentie-denken’, dat alleen maar verschillen zag, verschillen die niet tot een vergelijk moesten worden gebracht, maar juist moesten voortwoekeren: inderdaad, als die ‘rizoom’, die wortelstok.

Wauw. Als ik het nu opschrijf, ben ik er nog steeds een beetje van onder de indruk.Maar ook niet te veel, omdat ik inmiddels grote bezwaren heb tegen dit ‘differentie-denken’. Om het cru te stellen: Ja, de 21ste eeuw dreigt Deleuziaans te worden, zoals Foucault voorspelde, maar daar zou niemand om moeten juichen. Het is eerder een politiek doodvonnis.

Want Gilles Deleuze heeft zich altijd geafficheerd als een politiek filosoof, die zich sterk engageerde met de Palestijnen en zich even sterk tegen Israël keerde (heel anders dan zijn vriend Foucault, die, het was vloeken in die tijd, pro-Israël was). En als politieke filosoof is Deleuze nu juist van nul en generlei waarde. Hij had minachting voor de democratie en de rechtstaat, hij zag dat als even zoveel zelfrechtvaardigingen van het kapitalisme, die bestreden moesten worden. Zijn denken was anarchistisch, hij wilde Nietzsche zijn, met een hamer in de hand, en Bakoenin, die juist van de ‘destructieve krachten’ alle heil verwachtte. Nu, die dromen zijn uitgekomen. De mensen zijn zich gaan opsluiten in het verschil: het etnische, het seksuele, het religieuze, het gender- en het clan-verschil – en de wereld ziet er onheilspellender uit dan ooit.

Tegen het terroristisch islamisme had Deleuze niets in kunnen brengen. Ik maak me sterk dat, had ie nog geleefd, hij 9/11 een heel interessant, heel ‘differentieel’ project had gevonden. De ‘Taliban’ – hij zou daar een bijna exotisch plezier aan beleefd hebben. Alles wat inging tegen de vermolmde, Franse democratie en haar Staatsterreur had zijn sympathie. Dat er nog veel ergere vormen van terreur zijn, als in Iran, die niet op de Verlichting steunen – hij zou er geen begrip voor hebben gehad.

En dat brengt me tot de grote makke van dit Deleuze compendium: nergens wordt de denker politiek afgerekend op zijn standpunten, nergens wordt de balans opgemaakt waartoe dit differentiële denken in de praktijk zou leiden.

Dat is niet een omissie, dat is een misdaad, want juist Deleuze, de revolutionair, die zichzelf als pragmatist en vitalist omschreef, zou met zijn neus op de stront moeten worden gedrukt, die hij politiek-filosofisch gezien heeft voortgebracht.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden