Mea culpa

Na het debat over de Iraniërs gaat de Tweede Kamer 'over tot de orde van de dag'. Zelfs een motie van afkeuring van de voltallige oppositie leidt niet tot scheuren in de coalitie....

HET IS - om het eens in verhullend politiek jargon te stellen - niet onwaarschijnlijk dat Wim Kok met zijn eerste kabinet lukt wat zijn voorganger Ruud Lubbers in geen twee perioden voor elkaar kreeg: met marginale schade haalt zijn ploeg de eindstreep. Slechts staatssecretaris Linschoten stapte op. Rest de vraag: plakt het paarse pluche?

Tijdens het debat over de Iraanse asielzoekers riepen de woordvoerders van de oppositie veelvuldig de uitspraken in herinnering van twee paarse fractieleiders: Bolkestein en Wallage. De oppositie, uit op de scalp van Schmitz en Patijn, wilde weten wat er terecht komt van het voornemen van VVD-leider Bolkestein om op Paars I de 'Carrington-doctrine' van toepassing te verklaren: een bewindsman moet zijn verantwoordelijkheid nemen, ook voor fouten waarvoor hij geen persoonlijke verantwoordelijkheid draagt.

Bolkestein deed zijn uitspraak in 1994, in het debat over de regeringsverklaring. Er moest geen drama worden gemaakt van tussentijdse vervanging van bewindslieden. Wallage was daarvan evenzeer overtuigd. In navolging van Bolkestein zei hij: 'Wie een fout maakt, hoort het; wie een paar fouten achter elkaar maakt, heeft een probleem.'

Drie jaar na dato valt op dat het team van Kok het regeren kennelijk zo behaagt, dat de één na de ander in de media zijn kandidatuur stelt voor een nieuwe periode. Sorgdrager was twee weken een van de opvallende gezichten op dit punt. Zij is gekwetst en beschadigd in de politiek, maar wil straks toch nog dolgraag dóórgaan.

Zalm wil een 'volgende ronde', Wijers, Borst, Melkert, Jorritsma, De Boer, Van Aartsen, Voorhoeve en Van Mierlo ook; graag blijven ze zitten waar ze zitten. En de meeste adjudanten denken er precies zo over.

Ieder zichzelf respecterend lid van de oppositie citeert Bolkestein en Wallage over terugtredende ministers uit het hoofd. De afgelopen drie jaar is dit in politiek spannende debatten tientallen keren gebeurd. D66 wordt pesterig in de discussie betrokken. Is dat niet de partij die de mond vol heeft van bestuurlijke vernieuwing? Dan houden ze er daar merkwaardige normen op na, klinkt het meesmuilend.

In het debat over de monitoring van Iraniërs gebeurde iets dat onder paars niet eerder tot stand is gebracht: een motie van afkeuring, gesteund door de voltallige oppositie. Maar opnieuw haalde het niks uit: VVD, PvdA en D66 gingen en bloc staan voor 'hun' Schmitz (PvdA), Patijn (VVD) en Van Mierlo (D66). De excuses werden gemaakt, de orde-van-de-dag moest snel hersteld.

Onder de kabinetten Lubbers ging dat toch anders. Lubbers I haalde ongeschonden het einde van de rit, maar tijdens zijn tweede regeerperiode sneuvelden minister Van Eekelen en staatssecretaris Van der Linden op het paspoort; staatssecretaris Brokx op de woningbouwsubsidies; en zijn collega Evenhuis op dubieuze onroerend-goed transacties.

Bij Lubbers III ging het nog harder: de ministers Hirsch Ballin en Van Thijn struikelden over de IRT-affaire; Braks over de visfraude; staatssecretaris In 't Veld (binnen negen dagen) over de bijklussende hoogleraren, en staatssecretaris Ter Veld over de uitvoering van de WAO.

Ook onder Kok hebben zich in de afgelopen drie jaar rond ministers en staatssecretarissen taferelen afgespeeld die de schijn wekten dat aan een glanzende politieke carrière een vroegtijdig einde zou kunnen komen. Maar steeds was er een reden nét-niet het politieke woord van Bolkestein en Wallage bij de daad te voegen.

Negen van de 26 bewindslieden belandden op enig moment serieus in de gevarenzone. Waar die gevarenzone precies moet worden gelokaliseerd op de kaart van politiek Den Haag is overigens vaag. Soms waren het vooral de media die het functioneren van een bewindspersoon ter discussie stelden. In andere gevallen verloor (een deel van) de oppositie haar vertrouwen en werd het impliciet door de regeringspartijen ter discussie gesteld. Twee ministers, Sorgdrager en Van Mierlo, legden de vertrouwensvraag zelf op tafel.

Alleen staatssecretaris Linschoten trad af. Hij bleek niet opgewassen tegen de personele en organisatieproblemen bij het College van Toezicht Sociale Verzekeringen (Ctsv) en kwam telkens met nieuwe halve waarheden om ze te verklaren. De oppositie was laaiend en eiste zijn hoofd.

Maar Linschoten ging vooral kopje onder omdat hij met zijn arrogante stijl zijn gezag bij het grote publiek had ondermijnd. Voor de VVD was hij daardoor van getalenteerd stemmentrekker tot een 'risicofactor' geworden.

Minister Voorhoeve van Defensie was, met de Verenigde Naties, medeverantwoordelijk voor de gebeurtenissen in Srebrenica en zeker voor de politieke afwikkeling daarvan. Hoge militairen spraken hem openlijk tegen.

Het drama dat zich in Bosnië afspeelde werd door hen gebagatelliseerd, terwijl zij wisten dat de bewindsman daar anders over dacht. Voorhoeve liet dit over zijn kant gaan; de grote partijen in de Kamer, inclusief het CDA, zwegen. Alleen in de media werd zijn aftreden geëist.

SORGDRAGER is in dit kabinet de enige minister die haast continu door affaires is geplaagd. Ze kwam snel in de problemen door het verstrekken van een gouden handdruk aan haar oud-collega en procureur-generaal Van Randwijck.

De minister maakte de beginnersfout kritiek uit de Kamer te vertalen in wantrouwen. Zij stelde in het debat over Van Randwijck pardoes 'de portefeuillekwestie'. Bolkestein en Wallage moesten tijdens het paars crisisberaad verzekeren dat er met haar écht niks mis was.

Sorgdrager werd gered, maar Bolkestein wees er op dat zich hier een staatsrechtelijk unicum voordeed: bewindslieden genieten het vertrouwen tot het wordt opgezegd.

De minister raakte in nog twee andere serieuze 'affaires' verstrikt: de Securitel- en de Bouterse-affaire. In beide gevallen was daarbij ook een andere bewindspersoon van D66 betrokken, en in beide gevallen was voor een meerderheid van de Kamer het sop de kool opnieuw niet waard.

Sorgdragers partner in crime in het Bouterse-debat, haar partijleider, minister van Buitenlandse Zaken en vice-premier Van Mierlo was tijdens de eerste jaren van zijn ministerschap al een geliefd politiek doelwit van politiek rechts. CDA en VVD konden het jennen niet laten.

Van Mierlo praatte te veel, hij zou zijn dossiers niet kennen, niet tegen zijn taken opgewassen zijn en vooral verkeerde beslissingen nemen. Toen na de zomer bleek dat de minister een stokje had gestoken voor een poging tot arrestatie van Bouterse, waren de rapen gaar.

'Bouterse' bleek een gevoelige kwestie. Niet omdat Van Mierlo en Sorgdrager zulke grote fouten hadden gemaakt, wel omdat vrijwel de voltallige Kamer de moraal (de arrestatie) belangrijker achtte dan een prudent buitenlands beleid.

Voor de scheidend D66-leider was het genoeg geweest. En dat liet hij merken ook. Hij creëerde zijn eigen pseudo-crisis. Net als eertijds Sorgdrager vroeg Van Mierlo de Kamer om steun. De VVD werd tot een terugtocht gedwongen. Wat bleef hangen, was het beeld van een doorgewinterd maar overgevoelig politicus.

De staatssecretarissen Schmitz, Tommel en Patijn hebben gemeen dat ze alledrie aanvaringen met de Kamer achter de rug hebben waarin de vertrouwensvraag aan de orde kwam.

De Kamer, PvdA-kamerlid Duivesteijn voorop, tergde staatssecretaris Tommel (Volkshuisvesting) drie jaar lang. Maar toen afgelopen zomer duidelijk werd dat Tommel de Kamer had misleid bij een voorgenomen versoepeling van nieuwe huursubsidieregels, kwam de D66-bewindsman toch nog met de schrik vrij.

Schmitz en Patijn, de hoofdrolspelers van de afgelopen dagen, werden er bij de Schengen-affaire - falende grenscontroles op Schiphol - van verdacht de Kamer onvolledig geïnformeerd te hebben.

BEWINDSLIEDEN die ondanks aantoonbaar falen blijven zitten, roepen bij het grote publiek het beeld op van een gesloten ons-kent-ons-cultuur: Daar in Den Haag houden ze elkaar de hand boven het hoofd.

Dat het pluche nu steviger plakt dan het onder Lubbers deed, valt niet te bewijzen. Het heeft voor een belangrijk deel te maken met de politieke atmosfeer in de coalitie. In het tweede en derde kabinet-Lubbers werd de verhouding tussen de coalitiepartners steeds slechter. In zo'n klimaat gaan politieke reputaties er gemakkelijker aan.

De frustratie bij de oppositie over alle kleine en grote affaires en het gebrek aan politieke gevolgen zijn inmiddels enorm. Vooral bij het CDA. Het aftreden van een minister wordt nu eenmaal als politieke winst beschouwd.

Patijn reageerde, toen hij dinsdag door het CDA werd herinnerd aan de Carrington-doctrine van zijn partijleider: 'Die doctrine moet op het juiste moment en de juiste plaats worden toegepast. Het verschil tussen mij en Carrington is dat Engeland door een ambtelijke fout in het Britse Foreign Office in oorlog raakte. De discussie over de Carrington-doctrine zou aan kracht winnen als het element van proportionaliteit wordt meegewogen.'

Die proportionaliteit weegt voor regeringspartijen altijd zwaarder. Maar of het Bolkestein het louter over zaken van oorlog en vrede had, valt te betwijfelen. Trouwens, ook bij paars ging het ooit om oorlog en massamoord; in Srebrenica. Toen werd noch door VVD-minister Voorhoeve, noch door VVD-leider Bolkestein, noch door een Kamermeerderheid lang aan lord Carrington gedacht. Carrington, who?

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden