Max Pam (70) schreef eindelijk zijn Grote Roman - 'wars van literatureluur'

Na acht jaar is het zover: de grote roman van columnist Max Pam is af. 'Als het boek doodvalt, ga ik vissen in Ierland.'

Max Pam Beeld Adrie Mouthaan

Er staat nogal wat op het spel voor Max Pam (70), columnist en schrijver, bij het verschijnen van Leviathan of Het hart in de steen. Het is zijn grote roman, zijn magnum opus. 'Zoiets moet ook weer met ironie worden uitgesproken. Maar inderdaad: ik heb nog nooit een roman van vijfhonderd pagina's geschreven, dus in die zin is het waar. In dit boek zit veel van mezelf, van mijn voorouders, mijn familie, mijn leven. Het zou me erg kwetsen als er maar tweehonderd van worden verkocht. Wat heb ik dan te zoeken in dit toch al uitstervende vak? Als het doodvalt, koop ik een huis in Ierland en ga ik daar zitten vissen in een bootje, en als ik de dagen zat ben, spring ik in het water en zien ze me niet meer terug.'

Er staat dus veel op het spel.

'Ja, dit boek is belangrijk voor mij. Ik heb hier acht jaar aan gewerkt. Ik wilde een grote roman schrijven, met verschillende verhaallijnen die op dramatische wijze bij elkaar komen. Op het einde zou de hoofdfiguur met lege handen komen te staan. En dat geschreven op een manier die voor iedereen verstaanbaar is, wars van literatureluur. Ik ben benieuwd naar de mening van de recensenten. Natuurlijk! Al verwacht ik in NRC een slechte recensie.'

40 jaar columnist

De nieuwe roman van Max Pam verschijnt, én hij is 40 jaar columnist. Ter gelegenheid daarvan organiseren de Volkskrant, Het Parool en uitgeverij Balans een middag met en rond Max Pam op zondag 10 september in de Rode Hoed in Amsterdam. Aanvang 16.00 uur.

Omdat ze een hekel aan u hebben sinds u er als columnist met ruzie vertrok?

'Ja, en die hekel zit diep, hoor, bij sommige redacteuren. En bij Bas Heijne, die ik een heel beperkte columnist vind. Ik vind het moeilijk te verkroppen dat hij de P.C. Hooftprijs heeft gewonnen, vooral omdat zijn romans zo slecht zijn.'

Volgens uw eigen theorie worden er per decennium in Nederland hooguit drie meesterwerken geschreven.

'Dat is zo. Misschien maar twee. Bonita Avenue van Peter Buwalda was het laatste boek dat de moeite waard was, en dat boek is uit 2010. Peter offert zich helemaal op voor de literatuur. Ik ben enigszins met hem bevriend geraakt omdat hij hetzelfde arbeidsethos heeft als ik. Hij komt haast nooit buiten. Dat is de enige manier van leven als je dit beroep wilt uitoefenen.'

Uw vrienden zeggen: 'Max ziet dit boek als zijn romandebuut.'

'Dat is ongetwijfeld een van mijn ironische opmerkingen geweest. Ik heb eerder een roman geschreven, De Herenclub (over de eetclub van Harry Mulisch, waar Pam ooit deel van uitmaakte, red.), alleen was die een stuk minder serieus. Dit boek gaat over zware onderwerpen. In feite gaat het gewoon over de dood. Dit is niet zomaar een boek over mijn vader of moeder, niet zo'n boek waar de Nederlandse literatuur bol van staat.'

Uw roman gaat over Theo van Gogh, met wie u goed bevriend was, maar ook over uw Joodse grootvader, over de diamantindustrie begin vorige eeuw, over de Holocaust en over het proces tegen Sobibor-kampbewaarder John Demjanjuk.

'Ja, ik wilde al die verschillende verhalen tot één plot smeden. Ik ben lang bezig geweest met het schrijven van een biografie van Theo van Gogh, wat door allerlei omstandigheden is mislukt. Maar ik had veel materiaal verzameld waarvan ik vond dat ik er, dan maar in romanvorm, iets mee moest. Uiteindelijk is Theo in mijn roman slechts een achtergrondverhaal, een tijdsbeeld. Het verhaal speelt zich af rond 2009, vijf jaar na de moord. Een man koopt een sieraad in een juwelierswinkel en komt erachter dat het onbegrijpelijk veel meer waard is dan wat hij ervoor heeft betaald, dat is het uitgangspunt. Waarom heeft die juweliersvrouw het sieraad voor zo weinig aan hem verkocht? Dat is de grote vraag waar de hele roman om draait, en zo kom ik uiteindelijk bij de geschiedenis van de diamantindustrie en bij de gaskamers van Sobibor. Het is een ingewikkeld boek, moeilijk om in één zin uit te leggen. Maar alles past op een natuurlijke wijze in elkaar, ben ik van mening.'

De roman

De hoofdpersoon van Leviathan of Het hart in de steen (Balans, euro 24,95) is Albert Steinberg, werkzaam aan een instituut dat conflicten onderzoekt. Hij werkt al jaren aan een boek over Theo van Gogh als hij in een juwelierswinkel in een opwelling een peperduur collier koopt. De zoektocht naar de herkomst van het collier leidt Steinberg naar de geschiedenis van zijn eigen voorouders (diamantbewerkers in de 19de eeuw), naar de container met de nalatenschap van Van Gogh en naar München, waar het proces tegen oorlogsmisdadiger John Demjanjuk plaatsvindt .

Waarom heeft het dan tot uw 70ste geduurd voor u een 'grote roman' schreef?

'Ik was in mijn jeugd geen werkbeest. Die tijd moet ik nu inhalen. Tot mijn 35ste lag ik in bed of zat ik in het schaakcafé. Slapen en schaken, dat was mijn leven - drinken niet, daar ben ik matig in. Maar ik leefde in ledigheid en onzin. Bridgen, poker, noem maar op.'

Voor geld?

'Ja. Mijn toenmalige vrouw zei: 'We hebben nu een kind, dus je moet maar eens carrière gaan maken.' Ik ging elk jaar een paar weken naar Vegas en daar verdiende ik dan een paar honderd dollar met blackjack en craps. Heel saai eigenlijk, ontzettend vervelend. Het was helemaal geen leuk leven.'

Keerde u zich bewust af van een burgerlijk bestaan?

'Ja, zeker. En dat heb ik volgehouden, want ik ben daarna altijd freelancer geweest. Ik heb het altijd zo geritseld dat ik een eenzaam bestaan kon leiden en toch niet in armoede hoefde te leven.'

Bent u in de loop van uw leven steeds ambitieuzer geworden?

'Ik geloof het wel. En ook steeds beter in mijn werk. Het is jammer dat ik zoveel tijd heb verkwist, ik was graag tien jaar eerder begonnen met serieus schrijven. Ik verving in die schaaktijd weleens een vriend die televisierecensies schreef voor Het Vrije Volk. Als hij weer laveloos in een goot werd aangetroffen, belden ze mij en moest ik in een halfuur een coherent stukje schrijven. Zo heb ik het vak geleerd. Ik begon het steeds leuker te vinden. Als journalist leer je dat je nooit over 'ik' moet schrijven - een heel goed principe. Alleen: als je ouder wordt, wordt die ik-figuur steeds belangrijker, hij komt vaker binnen, ook ongevraagd. Ik schaam me inmiddels niet meer voor die ik-figuur. Ik roep hem binnen, hij is welkom. En nu heb ik samen met die ik-figuur dit boek geschreven.'

U droeg het boek op aan uw vader, 'die er het zwijgen toe deed'.

'Eigenlijk heb ik een heel gelukkige jeugd gehad. Mijn vader was een leuke, aardige, zachtmoedige man, die zijn kinderen nooit heeft opgezadeld met de oorlog - in die zin deed hij er het zwijgen toe. Ik ben er pas later achter gekomen dat hij een soort spion was bij de Joodsche Raad. Op een avond zag hij daar zijn eigen arrestatiebevel binnenrollen. Die avond kon hij dus niet meer naar huis. Dat heb ik me vaak proberen voor te stellen, dat je opeens niet meer naar huis kunt. Mijn vader wist precies wat er zou gebeuren als hij gearresteerd werd, en doordat hij niet naar huis ging overleefde hij de oorlog. Ik vond dat hij die opdracht verdiende. Hij heeft mij in zorgeloosheid proberen op te voeden. Mijn moeder was een feminist avant la lettre, ze was al eens gescheiden en weigerde alimentatie te ontvangen. Het idee dat een vrouw niet zou werken, was bij ons thuis te bespottelijk voor woorden. Ze was stenograaf, mijn vader journalist, ze leerden elkaar kennen bij Het Parool. Mijn vader kon verder eigenlijk niks, hij kon niet autorijden en was niet handig. Mijn moeder sloeg de spijkers in de muur.'

Hoe heeft u de geschiedenis van uw grootvader gereconstrueerd?

'Ik heb alles gevonden bij het Instituut voor Sociale Geschiedenis. Ik vond daar een heel dossier over hem, vooral uit zijn vakbondstijd. Foto's van hem waarop hij arbeiders toespreekt in het Vondelpark. Een indrukwekkende figuur, leek mij, maar mijn vader had nooit iets over hem verteld. Ik wist niet eens hoe hij heette. Ik kwam een keer thuis, ik was een jaar of 8, en mijn vader zat in zak en as. Mijn grootvader was in de oorlog verdwenen, maar nu was het bericht gekomen dat hij in Sobibor was omgebracht, precies op de verjaardag van mijn vader. Die verjaardag is daarna nooit meer gevierd. Verder ging het er niet over. Mijn vader was een meester in verdringing, en daar ben ik hem dankbaar voor.'

U denkt niet dat het verstandig is om over dit soort gebeurtenissen te praten?

'Als je erover praat, ben je niet aan het werk. Je kunt beter aan het werk zijn.'

Zo bleef u ook vorig jaar tijdens uw scheiding stug doorschrijven, duizend woorden per dag, zei uw vriend Henk Steenhuis.

'Duizend is overdreven. Ik heb wel doorgewerkt. Je schrijft helaas wel slechter als het niet goed met je gaat, dus dat moet je op de een of andere manier buiten de deur houden. Maar daar ben ik goed in, geloof ik. Als ik schrijf, bestaat de rest niet meer. Dat is, zonder dat ik hier al mijn scheidingsperikelen uit de doeken wil doen, natuurlijk niet goed voor een huwelijk. Ik kan goed alleen zijn, dat is voor vrouwen lastig te accepteren. Ik kan een in mezelf verzonken hork zijn.'

Bent u de verlaten partij?

'Moeilijk te zeggen. Allebei, het is altijd allebei, na achttien jaar. Mijn ex heeft een huis hier om de hoek gekocht. Dat is voor onze zoon Lenny erg handig, al had ik liever gehad dat ze aan de andere kant van de stad was gaan wonen.'

Als u minder hard had gewerkt, had uw huwelijk dan standgehouden?

'Ja. Ik kan er spijt van hebben, maar ik kon en kan het niet veranderen.'

In het boek loopt het met de echtgenote van de hoofdpersoon niet goed af.

'Het loopt met niemand goed af.'

Ik dacht: misschien is dit uw manier van wraak nemen.

'Om eerlijk te zijn: dat personage lijkt wel enigszins op mijn ex-vrouw, maar ook op de ex-hoofdredacteur van De Wereld Draait Door (Dieuwke Wynia, red.). Dus het is zo eenduidig niet. Ik schreef die passage waarop je doelt vijf of zes jaar geleden, en toen was er nog helemaal geen sprake van een scheiding. Misschien heb ik op die manier mijn eigen scheiding voorspeld. Aan de andere kant: mijn hoofdpersoon moest in de gelegenheid worden gesteld een ander tegen te komen.'

U hebt zelf wel gedacht dat u voorspellende gaven had?

'Nou, misschien een beetje. Ik had het kunnen zien aankomen, want ik heb het zelf opgeschreven. In het werk kun je veel leren, denk ik, maar in het leven weinig, op de een of andere manier. Al denk ik dat mijn tweede huwelijk beter was dan mijn eerste. En als er ooit een derde huwelijk komt, zal dat weer veel beter worden dan het tweede.'

Luid geblaf, het geluid lijkt van de bovenverdieping te komen.

Is dat uw hond?

'Nee, dat is niet mijn hond. Mijn hond is dood, die is 21 geworden. Het is alweer jaren geleden, maar ik mis mijn hond nog steeds. Ik heb nu een poes, maar een poes is toch minder een mens dan een hond. Hoewel deze poes goed begrijpt wanneer ik droevig ben. De poes komt nu niet, omdat jij er bent - interessant. Een hond zou naast mij hebben gezeten, om mij te steunen tegen deze vreselijke vrouwelijke interviewer.'

U wilt geen andere hond?

'We hadden een andere hond, maar dat is door de scheiding in het ongerede geraakt. Die bleek mijn vrouw te hebben teruggegeven aan de fokker, waar ik natuurlijk zeer verbolgen over was.'

Volgens vrienden heeft u 'een boosaardige kant'.

'Zonder zo'n kant kun je niet schrijven. Ik ben rancuneus, wraakzuchtig. Ik onthoud alles. Als iemand dertig jaar geleden iets vervelends over me heeft geschreven, weet ik dat nog. En dan kan ik alsnog terugslaan, als een leeuw die plotseling uit zijn slaap ontwaakt. Maar ik heb wel besloten dat ik dat minder wil doen.'

Op wie bent u nog boos?

'Dat moet jij zelf maar zien uit te zoeken.'

NRC Handelsblad?

'Ja, bijvoorbeeld. Daar was ik 26 jaar columnist, moet je nagaan, en dat is op een heel onvriendelijke manier geëindigd. Ik werd de laan uit gestuurd terwijl ik herstellende was van mijn hersenbloeding. Ik kon nog niet eens lopen. Ik kreeg te maken met een afzichtelijke hoofdredacteur die mij deed beseffen dat de NRC helemaal niet de chique krant is die ze daar zelf denken te zijn. Daar ben ik lang rancuneus over geweest, maar dat slijt ook, op een gegeven moment.'

Toch zou u nooit meer voor NRC schrijven.

'Tot nu toe is het daar niet van gekomen, en ik denk niet dat het er ooit nog van komt.'

Heeft die hersenbloeding in 2002 uw leven veranderd?

'Het zal hebben bijgedragen aan het besef dat ik hard moet werken. Een verspilde dag is een schrikbeeld. Ik was toen net getrouwd en had een kind van nog geen jaar. De gedachte dat kwijt te raken, was ondraaglijk. Mijn grootste angst was niks meer waard te zijn, als vader, als schrijver, als man, als minnaar. Mijn vrouw was 36, wat zou zij moeten met een man in een rolstoel?'

Bent u er ook een ander mens door geworden?

'Ja. Ik ken nu angst. Angst voor de eindigheid. Het besef: het is binnenkort afgelopen en ik heb nog geen flikker gedaan.'

U vroeg aan uw vrouw: als je dit had geweten, doelend op uw hersenbloeding, was je dan ook met me getrouwd? Ze zei nee.

'Natuurlijk zei ze nee. Pijnlijk, maar logisch. Ik heb haar gezegd: als ik niet terugkom, moet je me in een inrichting stoppen, ik wil niet dat je mijn verpleegster bent. We hoeven niet meteen te scheiden, je kunt ook een minnaar nemen. Ik weet nog dat mijn vrouw na de hersenbloeding bij de artsen werd geroepen, die tegen haar zeiden dat ze rekening moest houden met een karakterverandering bij mij. Het aantal scheidingen na een hersenbloeding is hoog. Misschien is die voorspelling na achttien jaar toch uitgekomen.'

Heeft het daarmee te maken?

'Nee. Denk ik niet. Maar ik ben ongetwijfeld serieuzer geworden. De hersenbloeding vond plaats in mijn rechterhersenhelft. Daar zit je sociale cognitie, geloof ik - nou was dat gebied bij mij hoogstwaarschijnlijk al minder ontwikkeld, dus dat maakte niet veel uit. Mijn intellectuele vermogens zitten links en die zijn gespaard gebleven. Ik heb alleen een litteken in mijn hersenen, waardoor mijn linkerbeen stijf wordt als ik nerveus ben. Dus als ik in contact kom met iemand als jij, bijvoorbeeld, dan kan het zijn dat ik straks een beetje mank de kamer uit loop. Ik kan er een bètablokker voor slikken, wat ik soms doe als ik ergens moet spreken. Anders kan het in mijn been schieten, en dat staat zo lullig. Ik heb het bijvoorbeeld ook als ik ergens loop en iemand, meestal een vrouw, kijkt naar me. Gewoon de blik! Dan schiet het er ineens in, ooooh! Verschrikkelijk. Ik denk dat ik de rest van mijn leven vrijgezel blijf. Al kan ik ook een hoek om lopen en de vrouw van mijn leven tegenkomen, zo is het bij mij tot nu toe steeds gegaan. Zo ben ik ook twee keer vader geworden, omdat ik meteen dacht: dit is de liefde van mijn leven. Nooit spijt van gehad.'

Uw tweede vrouw was meteen zwanger.

'Hoe weet jij dat?'

Zei u in een interview in een damesblad, de Libelle geloof ik.

'Ja, na twee dagen ofzo. Helemaal gewild. We leken zo op elkaar. Zij was 35 en ik 53, als je dat omdraaide was het hetzelfde getal.'

Waarom schreef u die biografie van Theo van Gogh nou uiteindelijk niet?

'Ik vond dat het momentum voorbij was. Zo'n boek had een of twee jaar na Theo's dood moeten verschijnen, niet eindeloos veel later. En ik was er ook niet geschikt voor. Ik heb niet het karakter om me jarenlang aan een ander te wijden. Maar er was ook een belangrijk praktisch punt: de nalatenschap kwam niet vrij. De erven hadden onderlinge spanningen. De enige wettelijke erfgenaam, Lieuwe, de zoon, was minderjarig. Lieuwes moeder had ruzie met de ouders van Theo, de zusjes speelden ook een rol - doet er allemaal niet toe, maar ze konden niet met elkaar overweg en ik zat er middenin. Ik heb het project laten rusten. Een paar jaar geleden zocht ik alsnog contact met Lieuwe en hebben we samen de nalatenschap opgehaald. Alles stond, precies zoals ik in mijn roman beschrijf, opgeslagen in containers in Aalsmeer. Samen hebben we de spullen naar het Instituut voor Sociale Geschiedenis gebracht. Jaap Cohen - nota bene de zoon van Job Cohen, of all people, maar het bleek een heel goeie jongen te zijn - heeft gevraagd of hij ze mocht uitzoeken. Hij is nu met de biografie bezig. Daar sta ik volkomen achter.'

U noemt Van Gogh de laatste bohemien van Nederland. Waarom zijn bohemiens volgens u in Nederland een uitstervend ras?

'Ik ben opgegroeid in een tijd dat er echte bohemiens waren, zoals Apie Prins. Die woonde op Sociëteit de Kring, niet bij wijze van spreken, maar echt: hij sliep daar, waste zich daar - als hij zich waste. Ik weet nog dat we allemaal naar het ziekenhuis moesten omdat bij hem open tbc was geconstateerd. Theo was ook een echte bohemien. Die kon je 's ochtends om zes uur in een portiek aantreffen, omdat hij daar in slaap was gevallen. Zijn hang naar antiburgerlijkheid heeft mij altijd aangesproken.'

Maar waarom is het een uitstervend ras?

'De maatschappij is er niet meer op ingericht. Mensen leven in hun telefoontje, iedereen loopt almaar te communiceren, en als men uitgaat, dan is het met z'n duizenden naar een festival om daar samen te hossen. In zo'n wereld past de bohemien niet. Zelfs niet in de schaakwereld, want schakers zijn tegenwoordig ook alleen maar bezig met computers en met trainen in de sportschool. Alles is geprofessionaliseerd. Jammer.'

Waarom werd u vrienden met Theo van Gogh? Of was uw hang naar antiburgerlijkheid de enige reden?

'Hij was totaal open, had geen barrières. Ook lastig, af en toe. Dan maakte ik een grapje over Mabel en dan las ik de volgende dag in zijn column: 'Volgens Max Pam heeft Mabel in een bordeel gewerkt.' Hij nam zichzelf niet serieus, dus kon ik hem ook niet serieus nemen. Dat is jammer, want daardoor was echte intimiteit nauwelijks mogelijk. Hij heeft uiteindelijk niets uit zijn leven gehaald, vind ik, hij ging ten onder in clowneske onzin. De omslag van geintjes naar serieus gedrag heeft hij nooit kunnen maken.'

Omdat hij als bohemien die omslag misschien helemaal niet wílde maken?

'Het bohemienschap kan ook de opmaat zijn naar een groot kunstenaarschap. Hij had alle obsessies om een echte filmer te worden, zoals Fassbinder. Het is nooit wat geworden. Ik denk door zijn afkomst. Misschien dat dat mij ook heeft gehinderd bij het schrijven van die biografie, dat het boek zou gaan over iemand die in wezen is mislukt.'

Waarom heeft zijn afkomst iets met die mislukking te maken, volgens u?

'Hij kreeg te veel geld van zijn ouders. Daar kon hij weinig aan doen, aan die erfenis, maar het geld was er altijd. In mijn boek houdt iemand een redevoering en zegt: 'Het beste wat Theo van Gogh is overkomen, is dat hij werd vermoord.' Omdat dat zijn weg naar roem is geweest. Maar genoeg over Theo. Ik ben klaar met het onderwerp. In Nederland is men ook helemaal niet geïnteresseerd in die moord, dat heb ik allang gemerkt. Naar het toneelstuk over Theo ging niemand, die biografie gaat niemand lezen. Nederlanders willen het niet meer weten. Het past niet bij Nederland, dus wordt het langzaam uit het bewustzijn gewist. Als straks in de krant staat dat mijn boek over Theo van Gogh gaat, koopt niemand het.'

Dus voor de duidelijkheid: uw boek gaat niet over Theo van Gogh.

'Precies.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden