Matisse tussen eigen collectie Stedelijk werkt

Grote expositie in Amsterdam

In een grote Matisse-expositie hangt het Stedelijk Museum Amsterdam de werken van de Franse schilder tussen de eigen collectie. Dat werkt.

Odalisque, 1921. Foto Collectie Stedelijk Museum Amsterdam

De arabesk. De sierlijke lijn. Oogstrelend. Zinnenprikkelend. De beweeglijke lijn die kijkers in vervoering kan brengen. Want ja, hoe mooi kan de arabesk zijn? Héél mooi! Betoverend zelfs. Je oog meandert mee met de slingerende beweging. Over een heuvelachtige horizon. Langs de bladeren van een vingerplant. De contouren van een vaas. Een vrouwendij.

Als er één kunstenaarsnaam aan die arabesk verbonden kan worden, móét worden, dan wel: Henri Matisse (1869-1954). Fransman, natuurlijk. Levensgenieter. Lekkerbek (zoals de meeste Fransen). Revolutionair, als het gaat om de beginjaren van zijn kunst. Relaxed, tijdens de jaren daarna. Omnivoor, als het om de variatie binnen die hele kunstproductie gaat.

Le goûter (Le golfe de Saint-Tropes), 1904. Foto Kunstsammlung Nordrein Westfalen, Düsseldorf

Vanuit zijn rolstoel

De man kon bijna alles: schilderen en tekenen, hij maakte drukwerk en beelden, ontwierp kleding en glas-in-loodramen. En knipte tegen het einde van zijn leven vanuit zijn rolstoel ook nog eens een papieren wereld van planten, bloemen, dieren en vrouwen bij elkaar die hij door assistentes tegen de muur liet prikken - assistentes die natuurlijk even aantrekkelijk waren als de arabeske vormen van zijn knipsels.

Een van die knipsels en tegelijk het mooiste voorbeeld daarvan is La perruche et la sirène (De parkiet en de zeemeermin), uit 1953. De wandvullende collage is het trotse bezit van het Stedelijk Museum in Amsterdam. Ook hierbij: de geknipte granaatappels, de bladeren, de parkiet en naakte vrouw - alles is één grote hulde aan de arabesk. De vloeiende lijnen. Het beweeglijke patroon van roze, blauw, groen en oranje. Je oog danst over het hele werk heen.

Het kostbare bezit, door de vroegere directeur Edy de Wilde in 1967 aangekocht, maakte het voor het Stedelijk mogelijk nu een groot overzicht van Matisse's werk te geven. Door het uitlenen van de collage aan het MoMA in New York en Tate Modern in Londen, voor hun grote exposities van de papiers découpés van Matisse, kreeg het Amsterdamse museum andere kunstwerken van de Fransman in bruikleen.

Intérieur rouge: nature morte sur table bleue, 1947. Foto Walter Klein

Uit nood ontstaan

Liefst honderd schilderijen, tekeningen, collages, textielwerken en glas-in-loodramen laat het Stedelijk nu zien. Geen geringe prestatie. En voor velen een eerste of hernieuwde kennismaking met zijn oeuvre, dat nu in al zijn gevarieerdheid is te zien. Voor de scherpslijpers onder ons misschien iets té gevarieerd.

Omdat de tentoonstelling lichtelijk uit nood is ontstaan - het Stedelijk kon niet alle geknipte collages uit Londen en New York krijgen; ze waren te kwetsbaar om ze nog langer uit te lenen - moest het museum een ander plan maken. Oplossing: naast de knipsels veelal schilderijen en tekeningen laten zien. En dat werk combineren met de collectie van het Stedelijk Museum zelf.

Zo 'hangen' de vrouwen van Matisse tussen de gesoigneerde dames van Sluijters en Chagall. De befaamde Odalisque bij die van Picasso, Brusselmans en Laurens. Een stilleven met sinaasappels bij vergelijkbaar werk van Cézanne en Vuillard. Nu au bord de la mer (Naakt aan zee) bij soortgelijke 'natuurtaferelen' van Kirchner en Pechstein. Het oeuvre van Matisse is opgedeeld in brokjes die resoneren bij de collectie van het Stedelijk. De zalen waarin deze gemengde opstelling is te zien, ogen eigenlijk als een 'normale' collectiepresentatie. Het werk van Matisse hangt tussen dat van het Stedelijk, zonder dat het al te veel opvalt.

Femme en Bleu, 1937. Foto Philadelphia Museum of Art

Continuïteit

Voordeel van deze benadering is dat de verzameling van het Stedelijk extra aandacht krijgt door de vergelijkingen met Matisse. En andersom wordt Matisse in zijn veelzijdigheid in een bredere historische omgeving geplaatst. Nadeel is dat het oeuvre van de Fransman in delen wordt opgeknipt; de continuïteit is weg en een mogelijke rode draad verdwenen.

Natuurlijk, uiterlijke overeenkomsten zijn er wel degelijk; daarin heeft het Stedelijk gelijk. In stijl, kleurgebruik en vormentaal zijn er meerdere parallellen te trekken tussen Matisse en zijn tijdgenoten. Maar door alles over dezelfde formalistische kam te scheren, doet de opstelling geen recht aan waar bepaalde kunstwerken vandaan komen. De drijfveren van Cézanne, Kirchner, Pechstein, Brusselmans en anderen zijn nu eenmaal niet die van Matisse geweest. De tentoonstelling krijgt de neiging alle kunst uit de periode 1890-1960 tot één uiterlijke parade van schilderstijlen te maken, los van de tijd waarin het is ontstaan, of wat de inhoudelijke motieven en specifieke overwegingen van al die verschillende kunstenaars zijn geweest. Je zou daar - terecht - heel moeilijk over kunnen doen. Maar ook weer niet. Was het niet Matisse zelf die alles tot één grote decoratieve vrolijkheid verschilderde en verknipte? Want laten we eerlijk zijn: in de eerste én laatste plaats is hij eenvoudig een verleidelijk kunstenaar. Aantrekkelijk op een basale manier. Het spreekt je aan op een haast biologische manier. Wat niets aan zijn werk afdoet, hoewel dat veelal wél wordt gesuggereerd. Dat het té decoratief is. Te veel jolijt en joie de vivre. Oppervlakkig.

Misschien verklaart het wel waarom de laatste expositie van Matisse in het Stedelijk vijftig jaar geleden was. Of waarom in Nederland zo weinig schilderijen en tekeningen van hem zijn aangekocht. Het is niet doorwrocht genoeg. Te weinig serieus. Matisse heeft niets van de zwoegende Cézanne, de ploeterende Mondriaan of agressieve Appel - terwijl het daar in het begin van Matisse's carrière wel even op leek.

Matisse in het Stedelijk Museum Amsterdam. Foto EPA

Jugendstil

Aan het begin van de 20ste eeuw was hij de nieuwkomer die met een knal en veel rookwolken zichzelf de kunstgeschiedenis in lanceerde. Door zijn op het eerste gezicht onbehouwen werk, zeker voor die tijd. Niet delicaat van vorm, in de periode dat de fijnzinnige jugendstil hoogtij vierde. Wel uitgesproken gemeen van kleur; grof van verfopbreng. Expressionistisch. Misschien was het achteraf zijn manier om een plaats voor zichzelf te midden van andere kunstenaars te reserveren. Wat hem is gelukt.


Hij vestigde zijn naam als fauvist, een 'wild dier'. Naakten leken in zijn handen te verworden tot geboetseerde melkkoeien; een kamerplant tot een oerbos. Kleuren streden met elkaar wie het felst kon zijn (met het gemene gifgroen als winnaar). Conventies van goede smaak en naturalistische gelijkenis lapte hij aan zijn laars.


Het duurde al met al maar enkele jaren. Daarna was de revolutie voorbij. Niet dat Matisse op zijn lauweren ging rusten. Hij is tot zijn dood een zoeker naar nieuwe stijlen gebleven en een harde werker geweest (en gooide zijn assistente, de bevallige Paule Caen-Martin, eruit omdat die niet genoeg bij de les was). Toch: na de bravoure kwam de rust. Of, zoals hij een van zijn bekendste schilderijen uit 1904 noemde: Luxe, calme et volupté. Weelde, kalmte en wellust.

Jarenlang woonde Matisse in Hôtel Régina in Nice. Opmerkelijk: zijn atelier was te klein om zijn collage La perruche et la sirène voluit aan de muur te hangen. Als oplossing liet Matisse het in een hoek van de kamer spelden. Uit ruimtegebrek hing het tussen andere knipsels: het touwtjespringende naakt, het blauwe naakt met groene kousen en een kerkraamontwerp. Die vier werken zijn nu in het Stedelijk weer bij elkaar gebracht in hun originele samenstelling.

Fysieke vermoeienissen

En gek genoeg bleek de jugendstil, met zijn retoriek van gekrulde lijnen en geëxalteerde vrouwen via de achteringang toch in zijn werk te zijn doorgedrongen. Gemoderniseerd en minder verfijnd dan in het origineel, maar wel sierlijk en met smaak. Let op de kleuren die Matisse na zijn wilde jaren ging gebruiken: lichtblauw, zachtroze, roestig rood en grassig groen. In die jaren - we schrijven 1907 - ontstond ook die geweldige, verleidelijke, sensuele arabesk. Om daarna nooit meer weg te gaan.

In het Stedelijk spat de genoeglijkheid van de muren en uit de vitrines. Schreef Matisse in 1908 al niet zelf dat hij een behartiger was van 'een evenwichtige, zuivere, rustgevende kunst, zonder verontrustend of preoccuperend onderwerp'? Kunst die voor iedereen, zakenman of literator, 'een verzachting, een kalmerend middel voor de geest is, iets wat lijkt op een goede leunstoel waarin hij kan bijkomen van zijn fysieke vermoeienissen'.

Het is in zijn werk sindsdien niet anders meer geweest. Opzienbarend is wel dat zo'n wellustige kunstenaar als Matisse zo veel manieren van uitbeelden vond waarin hij die wellust kon etaleren. Geen kunstenaar die zo veel luierende, slapende of anderszins relaxende vrouwen heeft geschilderd en getekend. Zo veel uitzichten over lommerrijke landschappen en kabbelende watertjes. Stillevens met rijpe vruchten die de speekselvorming als vanzelf laten ontstaan.

In stijlen en met materialen die constant veranderen. Met kwast en potlood, als litho en sculptuur, ontworpen voor textiel, geknipt uit papier. Want ondanks het uitreisverbod zijn ze er wel: de collage's voor kerkramen, kazuifels, boeken. En de papieren knipsels die enkel zichzelf dienen. Of, in het beste geval, ter kalmering van de kijker.


De oase van Matisse
Beeldende kunst
Stedelijk Museum, Amsterdam. T/m 16/8.

Meer over