RecensieInventaris van enkele verliezen

Materiaal voor een mythe ★★★★☆

Beeld Max Kisman

Door te schrijven over zaken die verloren zijn gegaan houdt Judith Schalansky ze op een ontroerende manier levend.

Leven betekent verliezen meemaken, als voorbode van het uiteindelijke afscheid van de wereld. Niets is tegen verval en ondergang bestand. Of zou dat het boek zijn, het aloude medium waarin tekst en vormgeving er samen voor zorgen dat in de afgesloten ruimte van het object het verleden kan blijven spreken alsof het volop leeft, en de tijd is opgeheven?

Vanuit deze gedachte schreef Judith Schalansky (1980), die eerder furore maakte met De atlas van afgelegen eilanden (vertaald in 2014) en de roman over een biologiedocente in de vorm van een geïllustreerd biologieboek (De lessen van mevrouw Lohmark, vertaald in 2012), haar jongste boek: Inventaris van enkele verliezen, een wederom hoogst oorspronkelijke mengeling van verhaal en verhandeling, waarin ze geschiedenissen opdist over smartelijke verliezen. Van gebouwen en een eiland, tot dieren en schilderijen die zijn verbrand of anderszins vergaan, en die door haar bijna precieuze aandacht alsnog een naleven krijgen. 

 Daarbij moeten we denken aan de Kaspische tijger, de zeventiende-eeuwse Villa Sacchetti in Rome, de gedichten van Sappho (600 voor Christus) van wie welgeteld één voltooid gedicht en verder alleen fragmenten zijn overgeleverd, de stomme film, de boeken van Mani (Babylonische stichter van het manicheïsme), de haven van Greifswald zoals vastgelegd door Caspar David Friedrich, en de maantekeningen die een negentiende-eeuwse Duitse dominee maakte gedurende een diepgaande en vergeefse studie van dertig jaar.

Judith Schalansky.Beeld Juergen Bauer

Een willekeurige keuze? Zo ziet het eruit. Er is natuurlijk geen einde aan het catalogiseren van wat verloren is gegaan, aangezien afsterven en uitdoven de dagelijkse praktijk is. Maar deze onconventionele inventaris pretendeert dan ook niet volledigheid te bieden. Het is de combinatie van toewijding en vergeefsheid die Schalansky lijkt te hebben geïnteresseerd: de precisie waarmee voorgangers aan een project hebben gewerkt, soms decennialang, dat daarna werd vergeten, afgebroken of in de fik ging, is zo aandoenlijk en herkenbaar dat een schrijver er materiaal voor een mythe in kan zien. Die wordt immers alleen maar groter bij ontstentenis van overblijfselen.

Met dien verstande: er moet iemand zijn die de handschoen oppakt, en er een stuk over schrijft. Schalansky is geboren in Greifswald in de voormalige DDR, met die haven die door de grote romantische schilder werd vastgelegd (maar niet vereeuwigd, want het doek verbrandde in 1939) en als kleintje woonde ze met haar ouders in de gemeente Behrenhoff, waar zich de schaarse restanten bevinden van een negentiende-eeuws kasteel, en het park dat er destijds omheen lag: ‘Het park was groot en hoorde bij het kasteel, dat er niet meer was.’ De suggestie moge duidelijk zijn; dáár moet de fascinatie zijn geworteld voor iets dat voorbij is, maar toch niet geheel verdwenen – mits je daar gevoelig voor bent, en op onderzoek uitgaat.

‘De wereld treurt alleen om het bekende’, schrijft ze ergens, en dat kan een ander motief zijn geweest om in enigszins archaïsche volzinnen deze inventaris op te maken: ook het onbekende heeft recht op ons verdriet. Prachtig is de schets van de eertijdse stomme-filmactrice die in de jaren vijftig door New York dwarrelt (‘Ach, wat zou ze graag een keertje verlof nemen van zichzelf’), werkloos, eenzaam, en van wie vanaf dat moment al steeds minder mensen weten dat zij Greta Garbo is (die nog tot 1990 zal leven). Even indrukwekkend is de zoektocht van Schalansky zelf in de Alpen naar de eenhoorn, het fabeldier dat zomaar uit de mist zou kunnen opdoemen.

En ze maakt nog maar eens inzichtelijk dat papyrusrollen met de overgeleverde woordjes van Sappho van Lesbos (‘en niet… verlangen… plotseling… bloesem… verlangen… verheu…’) misschien des te meer intrigeren vanwege die onvoltooidheid: ‘Als fantoomledematen lijken die puntjes met de woorden vergroeid en te verwijzen naar een verloren voltooidheid. Intact zouden Sappho’s gedichten voor ons even vreemd zijn als de ooit kakelbont beschilderde antieke beelden.’

Beeld Merediaan Uitgevers

Een van de topstukken in deze hoogstaande verzameling is het laatste, over de maantekeningen waaraan een Duitse dominee zich in de negentiende eeuw overgaf, vele jaren lang, in de vaste overtuiging ‘dat hij die de krachtige botanische tak aan de boom der kennis tot de laatste vertakking wil beklimmen, omhoog moet reiken naar de grootste verschijnselen van de alles overwelvende hemel’. De dominee verzaakte zijn wereldse plichten, en zijn huwelijk, opgaande in het ideaal dat hij in de avond en nacht hoog tussen de sterren zag hangen.

Maar het was voor niets. De maan bleek geen ideale versie van de chaotische aarde, maar zelf minstens zo woest, en bovendien ledig. En toch weten wij nu hoe die bevlogen zwoeger heette, Gottfried Adolf Kinau, en zijn wij in staat om in 2020 zijn hoop uit 1848 te ervaren. Dat is een vorm van magie. 

Zoiets kan in een boek; en zoiets gebeurt ook, wanneer de auteur van dat boek de naam Judith Schalansky draagt.

Judith Schalansky: Inventaris van enkele verliezen. Uit het Duits vertaald door Goverdien Hauth-GrubbenMeridiaan Uitgevers; 252 pagina’s; € 26,99

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden