InterviewMassih Hutak

Massih Hutak: ‘Voor veel van mijn buren is de blonde bakfietsmoeder geen symbool van onschuld en neutraliteit’

Massih Hutak in zijn atelier in Noord  Beeld Valentina Vos
Massih Hutak in zijn atelier in NoordBeeld Valentina Vos

Schrijver, columnist en muzikant Massih Hutak heeft één enkel doel: strijden tegen de voortrazende gentrificatie van zijn buurt, waar de mensen zonder middelen genadeloos moeten wijken voor de mensen mét.

Massih Hutak is nog geen 30, maar heeft de uitstraling van een oudere buurtvader, zo eentje die alles in de gaten heeft, iedereen kent en groet. Een man met een melange van aaibaarheid (de bolle winterjas vergroot dit effect) én een onmiskenbare met-mij-moet-je-niet-sollen-blik. Op de stoep fietsen? Dacht het niet, zegt zijn blik. Voor de lol iets slopen? Ik ken je moeder. Hutak spreekt over ‘vroeger, toen ik nog voor de klas stond’, alsof hij al vijf decennia meegaat. Zijn stem klinkt zacht en warm, met een timbre voor in de avonduren op de radio.

Als mensen vragen waar hij vandaan komt, antwoordt hij: Amsterdam-Noord. Als ze daarna vragen waar hij écht vandaan komt, zegt hij: Buikslotermeerplein. Noord is de plek die de schrijver, columnist en muzikant (28) thuis noemt, sinds hij er twintig jaar geleden met zijn uit Afghanistan gevluchte vader en broers neerstreek.

Voor wie de hoofdstedelijke stadsdelen niet direct paraat heeft: Noord is het deel van Amsterdam dat, bezien vanaf het centrum, aan de andere (Noord-bewoners zullen zeggen ‘goede’) kant van de rivier het IJ ligt. Een soort Rotterdam-Zuid, of, met iets meer fantasie: Brooklyn.

Het is van oorsprong ook dat deel van de stad waar mensen zelden vrijwillig gingen wonen. Al ruim voor de Tweede Wereldoorlog plaatste de gemeente ongeschoolden en arbeiders in dit stadsdeel. Noord groeide in de 20ste eeuw uit tot het armoede-eiland van Amsterdam, met zelfs een zogenoemd ‘asodorp’ waar ‘ontoelaatbare’ gezinnen een heropvoeding dienden te ondergaan. Die sociaal-economische isolatie heeft er ook toe geleid dat veel noordelingen, zoals ze zichzelf noemen, hun herkomst als een vaandel dragen. Wat dat betreft staat Hutaks voorliefde in een rijke traditie.

Sinds een jaar of wat staat ‘thuis’ echter onder druk. Gentrificatie – het proces van opwaardering van verwaarloosde stadswijken, waarbij zittende, arme bewoners, kleine ondernemers en bruine kroegen moeten wijken voor de welgestelde middenklasse en hun middenstand en horeca – trok als een olievlek door de hoofdstad naar steeds verder van het centrum gelegen stadsdelen.

Soms gebruiken mensen het woord ‘activist’ als ze het over Hutak hebben. Hij corrigeert ze niet, al zou hij het woord zelf niet snel gebruiken. Hij noemt het liever ‘maatschappelijk betrokken’, iets wat eigenlijk eenieder hoort te zijn, in zijn optiek. ‘Strijder’ vindt hij dan wel weer mooi klinken, een benaming die hij en zijn vrienden van jongs af aan gebruikten om elkaar te begroeten. ‘Fawaka, strijder.’

Strijden doet hij, de voorman van bewonersgroep Verdedig Noord, vóór het behoud van de ‘oude’ gemeenschap (‘waarin naar elkaar wordt omgekeken’) in zijn stadsdeel, een melange van kleuren (oude Amsterdammers, migranten uit alle windstreken, voormalige vluchtelingen) en politieke voorkeuren met twee gemene delers: het ontbreken van geld en het ontbreken van bestuurlijke invloed. Hutaks wapens: zijn pen en zijn stem.

Geen terra incognita

Sinds 2017 schrijft hij columns in de Amsterdamse krant Het Parool, waarin hij zich meermaals direct richt tot het Amsterdamse stadsbestuur, woningcorporaties die sociale huurwoningen slopen en vervangen voor onbetaalbare koop, of nieuwe kapitaalkrachtige bewoners die bewust of onbewust vergeten dat ze niet als ‘pioniers’ terra incognita betreden, maar een reeds bewoond terrein.

Hij maakte een toneelstuk, Verdedig Noord. Er is een visueel hiphopalbum in de maak, waarvan de vijfde muziekvideo net online staat en, sinds vorige week, een boek, met de titel Jij hebt ons niet ontdekt, wij waren hier altijd al. In het boek belicht de schaduwzijde van de gentrificatie.

Zo komt hij op voor bewoners van het seniorencomplex Fokkemast, allemaal ver in de 80 of 90, die uit hun sociale huurwoningen dreigen te worden gezet door woningcorporatie Rochdale, die de woningen wil slopen voor nieuwbouw. Hutak treedt samen met een collega van Verdedig Noord op als woordvoerder; de verbale en schriftelijke communicatie met de corporatie is voor veel van de oude bewoners ‘te vermoeiend en verwarrend’.

‘Hun woningen zijn in prima staat en zo’n beetje de enige basis in hun leven’, schrijft hij afgelopen september in Het Parool. ‘Ik roep hierbij wethouder Ivens en burgemeester Halsema met klem op de bewoners van de Fokkemast te beschermen. Bouw die nieuwe flats rondom de Fokkemast en laat de senioren met rust. Want zoals zij zelf zeggen: oude bomen moet je niet verplanten.’

Het is november, we wandelen door de wijken die als personages in zijn boek opduiken: de Vogelbuurt (‘het Groningen van Noord, een dorp dat graag stad wil zijn’), Floradorp (veelal witte arbeidersklasse, jongeren die zich per Canta verplaatsen) en Molenwijk (veel nakomelingen van Turkse gastarbeiders).

In zijn boek zoomt Hutak beurtelings uit en in. Hij schrijft over buurvrouw Annie die haar huis uit moet. Over voetbalclub Kadoelen die veld voor veld moet afstaan aan de naastgelegen hockeyclub, omdat de welgestelde witte ouders het bestuurlijk lobbyen beter beheersen dan clubvrijwilliger en coach Ali. Over snackbar Puntje van Uzi die door een mega-investeerder uit Qatar dreigt te worden weggeconcurreerd. Als ludieke actie wilde Hutak met een stel vrienden de hele voorraad patat, grillburgers, frikandellen en kipcorn van Uzi in één avond opkopen. Uiteindelijk kozen ze ervoor - gespreid, want duurzamer - voortaan zo vaak mogelijk en louter snacks van Uzi te consumeren.

Massih Hutak verdedigt de inwoners van Noord met zijn stem en zijn pen.  Beeld Valentina Vos
Massih Hutak verdedigt de inwoners van Noord met zijn stem en zijn pen.Beeld Valentina Vos

We staan stil in de Van der Pekstraat, een straat die oogt als de entree van het Gentrificatie Openluchtmuseum. Het is maandagochtend, de meeste zaken zijn dicht. Een typerende ondernemersmelange van oud (‘nog wel’) en nieuw: een Marokkaanse supermarkt tegenover een winkel met gerecyclede kinderkleding, vishandel Royalvis (‘hier halen we straks vissoep’), wasserette De Roos (gerund door Roos, waar Hutak zijn liefdesadviezen kreeg in de tijd dat hij nog geen wasmachine had), maar ook: restaurant Smaaqt (blik van Hutak: ‘met een q’) en een vestiging van luxe kaashandel Kef.

Wijzend: ‘Hierachter zat ik op school, op dat pleintje heb ik veel gechilld. Nu kun je op de meeste pleinen niet meer zitten zonder te consumeren.’

Hij is niet tegen verandering, wil Hutak benadrukken. Of tegen de herontwikkeling van de stad. Wat hij echter niet begrijpt: dat al die verbeteringen ervoor zorgen dat juist arme bewoners weg moeten. ‘Het ontbreekt aan solidariteit, verantwoordelijkheid en menselijkheid. Veel problemen in arme wijken zijn het resultaat van decennialange verwaarlozing door de overheid en woningcorporaties. Sociale huurwoningen zijn ontstaan om mensen met lage inkomens veilige en betaalbare woningen te bieden. Maar het is handelswaar geworden.’

In zijn boek beschrijft hij de slinkse tactieken waarmee bewoners uit hun sociale huurwoningen worden gelokt. Hoe een onafhankelijke partij (betaald door de woningbouwcorporatie) van deur tot deur gaat voor een tevredenheidsonderzoek. Uw huis is brandgevaarlijk, beseft u dat? Zou u niet liever goed geïsoleerd wonen, niet meer slapen op de tocht? Of groter, met een tuin wellicht?

Natuurfenomeen

Een opvallende stem in het publieke debat over gentrificatie is wetenschapper en stadsgeograaf Cody Hochstenbach (Universiteit van Amsterdam). Net als Hutak - de twee kennen elkaar - benadrukt hij dat gentrificatie geen natuurfenomeen is, maar het gevolg van beleid. Hij maakt zich zorgen over toenemende dakloosheid, de onbetaalbaarheid van woningen in steden en het ontbreken van middenhuur. Afgelopen zomer schreef Hochstenbach in een zijn column bij RTL Z dat een deel van de hoofdstedelijke appartementen alleen voor ‘een extreem vermogende bovenklasse’ bereikbaar is. ‘Op het moment van schrijven stonden in de hoofdstad 602 ‘objecten’ te koop tot drie ton. Ik zeg objecten, want daaronder bevinden zich ook 92 parkeerplekken en één opslagruimte. Let wel, voor een hypotheek van drie ton moet je zo’n 60 duizend euro bruto per jaar verdienen.’

Bij de aankondiging van grootschalige renovaties zijn bewoners blij. Tot ze horen dat ze ‘tijdelijk’ moeten verhuizen. ‘Helaas, zonder terugkeergarantie. Wel met voorrang bij het kopen, mevrouw.’ Hoofdschuddend: ‘Maar mensen kunnen helemaal niet kopen. En de nieuwe huren zijn veel te hoog. Zeg dan nog maar eens nee tegen die huurwoning in Zaandam of Purmerend, mét tuin. Dan heb je wel een huis, maar je thuis ben je kwijt.’

Hutak is geboren in Afghanistan, als jongste van drie jongens. Zijn vader is een in Rusland opgeleide ingenieur, wat onder de Taliban geen aanbeveling is. Zijn moeder is docent Engels. Als Massih (‘messias’ in het Farsi) 2 jaar oud is, vlucht het gezin naar Pakistan, waar zijn moeder een jaar later overlijdt aan borstkanker. Ook in Pakistan kan het gezin niet blijven. Vader Hutak vlucht met zijn zoons naar Nederland, waar ze in de zomer van 1998 aankomen, ‘tijdens het WK’. Daar, in het asielzoekerscentrum in Zevenaar, ziet de 6-jarige Massih op tv hoe Bergkamp Argentinië in de kwartfinale naar huis schiet. Het jongetje denkt: een land waar ze zo goed kunnen voetballen, daar wil ik bij horen.

Na een jarenlange rondgang van azc naar azc in alle uithoeken van het land (Hoogeveen, Crailo, Helmond) komt het gezin met een verblijfsvergunning in Amsterdam terecht. Eerst in Osdorp, daarna in Plan van Gool in Noord. Schrijven deed hij als kind al, toch duurde het even voor Hutak zijn pad vond. De middelbare school verliep vlot, tot hij in 5 vwo bleef hangen op wiskunde (‘kan ik oprecht niets mee’). Uiteindelijk verliet hij met een havo-diploma op zijn 19de het ouderlijk huis om een zwerftocht door de stad te beginnen.

Noem het een tussenjaar voor de minder welgestelden. Niet naar Australië, Bali of Colombia, maar werken als nachtportier, de stad verkennen, slapen in een oude Peugeot. In die tijd verscheen zijn eerste boek, de verhalenbundel Toen God nog in ons geloofde. Hij begon met een opleiding tot leraar Nederlands en werkte vier jaar als docent Nederlands en maatschappijleer op een vmbo in, hoe kan het ook anders, Amsterdam-Noord. Tot hij besloot: ik moet meer doen.

Hutak wijst richting het IJ. ‘Voor veel mensen die hier wonen is dát bedreigend.’ Het zicht wordt ontnomen door een reeks karkassen in aanbouw, ‘luxe woontorens’, zo meldt de site van de vastgoedontwikkelaar, met elk een eigen ‘woonconcept’. The Cube met ‘hotelsuiteconcept’, gedeelde binnentuin en atrium of de ‘residentiële krachtpatser’ The Wave, met ‘verschuifbare urban jungle-muren’.

Bakfietsmoeders intimiderend

In zijn boek vertelt Hutak dat zijn buren bakfietsmoeders als ‘intimiderend’ ervaren. ‘Mensen moeten lachen als ik dat zeg, maar niemand vindt het gek om een groepje jongens op een pleintje intimiderend te noemen. Het is maar net vanaf welke kant je kijkt. Voor veel van mijn buren is de blonde bakfietsmoeder geen symbool van onschuld en neutraliteit, maar van: straks moet ik mijn huis uit. Ik hoop dat zo’n opmerking mensen laat reflecteren op hoe anderen hen kunnen zien. Op hoe ze ruimte innemen in de buurt, door zich niet te verhouden tot wat er al was, maar een eigen, afgesloten wereld te creëren.’

Er was een tijd dat Massih Hutak enige weerzin voelde bij hipsters, koffietenten en broedplaatsen.  Beeld Valentina Vos
Er was een tijd dat Massih Hutak enige weerzin voelde bij hipsters, koffietenten en broedplaatsen.Beeld Valentina Vos

Wie zijn boek of columns leest kan het gevoel bekruipen dat Hutak het niet zo heeft op de hipsterman met AirPods (sarcastisch: ‘vermoedelijk luisterend naar een podcast over de inclusieve samenleving’) die op een designerfiets voorbijraast naar zijn creatieve flexwerkplek. Toch is dat niet het geval, zegt hij stellig.

‘Er was een tijd dat ik enige weerzin voelde bij hipsters, koffietenten en broedplaatsen. Dat is een menselijke neiging, maar ook gevaarlijk. Het maakt cynisch, machteloos. Dat noem je de ‘gentrificatieparadox’: je vergeet dat het allemaal slechts symptomen zijn van een systeem. Terwijl je je juist moet richten op dat systeem, het doelbewust antisociale woonbeleid. Gemeenten wereldwijd, van New York tot Tokio, hebben gentrificatie decennialang voorgesteld als een opwaardering van verloederde stadswijken en verzwegen wat het eigenlijk is, namelijk: keihard kapitalisme, met een monocultuur in de wijken tot gevolg.’

Nice White Parents

Een van Massih Hutaks favoriete podcasts is Nice White Parents, waarin journalist Chana Joffe-Walt, zelf moeder van twee in New York, de rol van ‘progressieve, welwillende witte ouders’ (zoals zij zelf) in de segregatie op Amerikaanse openbare scholen onderzoekt. Ze laat zien hoe de ‘nice white parents’ met ouderinitiatieven, collectieve acties en een grote bemoeizucht vooral zichzelf en hun eigen kinderen een dienst bewijzen en met hun handelen andere ouders en hun kinderen intimideren. Het zijn volgens Hutak dezelfde goedbedoelende ouders die in Amsterdam-Noord verantwoordelijk zijn voor de oprichting van nieuwe basisscholen (‘terwijl er genoeg scholen waren’), met een overwegend wit leerlingenbestand.

Een veelgebruikte marketingkreet die Hutak veracht: Ontdek Noord. Vandaar het ‘Jij hebt ons niet ontdekt’ in de titel van zijn boek. Het is ook een ode aan de Amerikaanse filmregisseur Spike Lee, die rijke nieuwelingen in gekleurde New Yorkse stadswijken een ‘columbussyndroom’ verweet en een personage in zijn moderne klassieker Do the Right Thing uit 1989, toen al, liet zeggen: ‘Motherfuck Gentrification!

Hutak: ‘Iedereen heeft het recht hier te komen wonen. Maar ik zeg wel: ‘Integreer. Wees een mens, ontmoet.’ Het Duitse woord voor gedragen is verhalten, hoe mooi is dat. Verhoud je tot je omgeving, dat is alles wat ik vraag. In theorie vinden mensen het vaak leuk, zo’n diverse wijk. Maar als je je kinderen dan niet op een gemengde school zet (de afgelopen jaren zijn er twee nieuwe vrije scholen opgericht en de montessorischool groeide uit haar gebouw – beide scholen hebben een overwegend wit leerlingenbestand, red.), dan handel je tegenstrijdig en werk je segregatie in de hand.’

Hutak beseft dat migranten, zoals hijzelf, ook ooit ‘nieuwkomers’ in de wijk waren. ‘Maar mijn komst had geen economische consequenties voor de bewoners van toen.’ Noord is nooit een paradijs geweest, zegt hij. ‘Maar het is wel een gemeenschap, ondanks onderlinge verschillen. Van kwetsbaren, bij gebrek aan een beter woord, die naar elkaar omkijken. Wie welgesteld is, is minder afhankelijk van zijn buren, individualistischer – dat verzwakt de gemeenschap.’

De eerste keer dat Massih Hutak het g-woord hoorde was in 2008.  Beeld Valentina Vos
De eerste keer dat Massih Hutak het g-woord hoorde was in 2008.Beeld Valentina Vos

De eerste keer dat Hutak het g-woord hoorde, moet ergens in 2008 zijn geweest, toen hij 16 was. Toen opende de Kentucky Fried Chicken zijn deuren op het Buikslotermeerplein, waar hij tegenover woonde. ‘Een gebeurtenis waar de hele buurt naartoe had geleefd.’ In dezelfde tijd verrezen de eerste nieuwbouwhuizen. Zijn vader, in Afghanistan werkzaam als stedenbouwkundig ingenieur (en taxichauffeur in Nederland), drukte de pret. ‘Hij had door wat het betekende. Hij zei: ze knappen de buurt op nadat ze er jaren niets aan hebben gedaan, voor wie denk je dat ze dat doen?’

Het stijlmiddel ironie

Niet lang daarna zag Hutak de film Boyz n the Hood (1991), waarin de strenge maar rechtvaardige alleenstaande vader Furious Styles (‘hij deed me aan mijn eigen vader denken’) zoon Tre leert over etnisch profileren, cultureel bevooroordeeld onderwijs en gentrificatie.

We zijn inmiddels vlak bij zijn oude huis, in Plan van Gool. Een stukje verderop, in de Vogelbuurt, bewoont hij sinds een paar jaar een huurhuis met zijn ‘lievelingsmeisje’ (zoals hij zijn vrouw in columns noemt) en hun zoontje van 1. Met zijn naam op de voordeur en een washok zo groot als zijn oude slaapkamer.

Dan: ‘O man, daar heb je hem, mijn vader!’ Op de taxistandplaats neemt een man in zijn auto met blauw kenteken net een hap van zijn broodje. Het blijkt vader Hutak (56, goede bos grijzend haar, dezelfde amberkleurige ogen als zijn zoon). Hij stapt uit, lachend, de mannen omhelzen elkaar. Vrijwel direct volgt een fanatiek betoog – van Hutak senior – over ‘beleid van bovenaf zonder eindgebruikers erbij te betrekken’ en een onveilige verkeerssituatie voor fietsers, aan de andere kant van het plein, waarvan hij nu al een paar keer bij het stadsdeelkantoor melding heeft gemaakt. ‘Ik zei: ik ben civiel ingenieur, ik bied u gratis advies aan. Niemand luistert.’

Hutak junior: ‘Ze nemen bewoners niet serieus. Mijn vader ging vaker naar het stadsdeelkantoor, om te vertellen hoe je woningen met kleine goedkope ingrepen beter kon isoleren. Ik vind het pijnlijk dat zo’n bevlogen en hoogopgeleide man niet wordt erkend en gezien.’

Even later, uitkijkend op zelfbouwkavels en een kakelverse speeltuin (‘Hier moet ik heen met Zahir’), zegt Hutak: ‘Van huis uit heb ik meegekregen dat we zichtbaar dankbaar moesten zijn, dat we de eeuwige gast zijn. Ik ben daarmee gestopt, heb tegen mezelf gezegd: je bent mens en daarmee per definitie waardig.’

Het verklaart ook zijn gebruik van het stijlmiddel ironie. ‘Nooit ten koste van mijn boodschap. Alleen om naar boven te schoppen.’ Na een korte stilte: ‘Ik weet dat veel leeftijdsgenoten dat doen, jezelf en dat wat je belangrijk vindt met ironie presenteren. Maar ironie is soms ook een privilege, waardoor je nooit echt ergens voor hoeft te staan: je houdt een veilige afstand tot je onderwerp. Dat doe ik niet, waar ik ben opgegroeid deed niemand dat. Ik vind het juist krachtig om ergens echt voor te staan. In alle ernst, zonder ironie.’

Massih Hutak: Jij hebt ons niet ontdekt, wij waren hier altijd al. Uitgeverij Pluim; 232 pagina’s; € 19,99.

Lees verder over gentrificatie

Stadsgeograaf Cody Hochstenbach mengt zich nadrukkelijk in het debat over de woningmarkt en gentrificatie. Hij maakt zich zorgen over toenemende dakloosheid, de onbetaalbaarheid van woningen in steden en het ontbreken van middenhuur. Zijn oplossing is een pleidooi voor meer regie, in de traditie van beleid uit de jaren zeventig.

Het succes van de grote stad kent volgens geograaf en journalist Floor Milikowski te veel verliezers. In 2018 verscheen haar boek Van wie is de stad over de explosieve groei van Amsterdam (waarin emeritus hoogleraar stadssociologie Jan Rath de stad ‘een pretpark voor hogeropgeleiden’ noemde), in 2020 verscheen haar tweede boek: Een klein land met verre uithoeken. Over kloven, krimpdorpen, groeikernen, themawijken, gentrificatie en stedelijk verval.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden