Maskerades in het interbellum

ALS DE wereld juist in de twintigste eeuw met zijn opkomende beeldcultuur steeds meer een schouwtoneel is geworden, dan werd het spannendste bedrijf misschien wel in het Berlijn van de jaren twintig en dertig opgevoerd....

In dat Berlijn situeert de Zweedse schrijver Per Holmer zijn grote roman Duizeling. De held van het verhaal, de 22-jarige Herschel Meier, komt in 1918 in de Duitse hoofdstad terecht nadat hij in de loopgraven mank en halfblind is geworden. Wat hij allemaal meemaakt totdat hij in de volgende oorlog in Amsterdam onderduikt, is nauwelijks na te vertellen. Overal waar in dit turbulente tijdperk geschiedenis wordt geschreven duikt hij op.

Toevallig is Herschel in Parijs op de eerste dag van de Franse mobilisatie in 1914. Hij wordt als soldaat gestationeerd in Antwerpen, waar tijdens de bezetting het variété in de music-halls gewoon doorgaat. Hij stort zich in het nachtleven en ontmoet de dandyeske dichter Hendrik van Engelen, die hij in de eerste winter na de oorlog opnieuw in Berlijn tegenkomt.

Zelf is Herschel ook gedichten gaan schrijven, en op aanraden van Van Engelen stuurt hij ze naar Georg Lewin, de leider van de expressionistische 'Orkaan'-beweging. Die reageert niet erg bemoedigend, als hij hem meedeelt dat hij op een dag de 'waarachtige uitdrukking voor zijn geestelijke ontreddering' nog wel zal vinden. Herschel, die op dat moment in een club werkt, waar flinke hoeveelheden cocaïne en champagne de dansvoorstellingen opluisteren, verliest vervolgens zijn baantje en gaat het bij het toneel proberen.

Ondanks zijn gebrek aan talent verkeert hij weldra tussen beroemde acteurs in het kunstzinnige café Rachmonines, waar 'tout Berlijn' gezien wil worden. Daar ontmoet hij de actrice Elly Erlanger, met wie hij in het huwelijk treedt. Zij maakt snel carrière. Ze wordt de eerste ster van de geluidsfilm, maar hem zit het niet zo mee. Hij krijgt hooguit van tijd tot tijd een figurantenrol en daarbij moet hij met lede ogen aanzien hoe de fascistische propagandaleider Odenhausen, die filmsterren verzamelt als poppen, zijn zoontje op schoot neemt en zijn vrouw versiert. Herschel verlaat haar en gaat werken in de garderobe van het Sportpaleis, waar hij angstig naar de fascistische redevoeringen luistert.

De stad wordt steeds gevaarlijker en onrustiger en lijkt nooit meer tot rust te komen: 'Het was alsof niemand wilde, niemand kon slapen. Wie per ongeluk indommelde, miste misschien wel iets.' Herschel verlaat Berlijn en duikt in Amsterdam onder met zijn nieuwe vriendin, de mooie Deborah de Haan, die hij al in 1914 bij het graf van Heine in Parijs had ontmoet. De eenzame dood van de verbannen Duitse dichter lijkt een voorafschaduwing van wat Herschel te wachten staat.

Herschel is verzonnen, maar verder is vrijwel alles in dit boek 'echt gebeurd' en heeft iedereen werkelijk bestaan. Hoe grondig Holmer zich heeft gedocumenteerd, blijkt wel uit de passages die hij wijdt aan Hendrik van Engelen, de Vlaamse dichter Paul van Ostaijen. De aard van diens verhouding met de gescheiden Emma Clement, zijn pogingen voet aan de grond te krijgen in de Berlijnse kunstwereld en zijn vriendschap met de schilder Campendock worden door Holmer tot een lopend verhaal aaneengesmeed, terwijl hij voor zijn couleur locale het werk van de dichter ingenieus gebruikt. Antwerpen weet hij bijvoorbeeld op te luisteren met citaten uit Van Ostaijens gedicht 'Bezette stad' en in Berlijn stuiten we op verhulde citaten uit 'De Feesten van Angst en Pijn', het gedicht waaraan Van Ostaijen in deze periode werkte.

Maar het gaat verder: staat er bijvoorbeeld iets in dat gedicht over een val van de vierde verdieping, dan laat Holmer in Van Ostaijens flat iemand van de vierde verdieping springen. Zelfs honderden pagina's verder, als de dichter allang in Vlaanderen is overleden, wordt nog geknipoogd naar zijn filmscript 'Het bankroet van de jazz'. Dat gebeurt in een gesprek tussen Hitler en Goebbels: 'Die is binnenkort bankroet.' 'Wat?' 'Die jazz.'

Zulke verwijzingen verleiden tot gepuzzel waaraan kenners van dit tijdperk plezier kunnen ontlenen. Maar Holmer heeft er meer mee op het oog dan een spelletje. Door zijn geschiedschrijving te doorspekken met literaire citaten, stuurt hij de lezer het grensgebied tussen fictie en historische werkelijkheid in. Hij creëert een romanwereld waarin het helemaal niet zo zeker is wat er eerst was: de gebeurtenis of het woord. Schijn en wezen gaan elkaar overlappen, en dat is ook een gevolg van de talloze maskerades die Holmer hanteert. Historische namen gaan schuil achter mystificerende aliassen: Der Sturm heet 'De Orkaan', Hitler 'Braunau', de Dada-beweging is omgedoopt tot 'Popo'; ze wordt geleid door 'Hannes Adeldorf' (Richard Hülsenbeck), 'Billy Way' (John Heartfield) en 'Dolf Schaeffer' (Georg Grosz). Toch blijft Holmer tot in de details de feiten trouw. Het kan niet voorkomen dat de geschiedenis steeds meer op een toneelstuk gaat lijken.

Om het fictieve gehalte te verhogen, stelt Holmer zich op als een regisseur die te weinig acteurs tot zijn beschikking heeft. Telkens zet hij ze weer een ander masker op. Een goed voorbeeld is Herschels kapitein in Antwerpen, Götz Löhring. Die mag de moordenaar van Rosa Luxemburg spelen, maar is ook Herschels redder wanneer die dreigt te worden doodgeslagen door een fascistische knokploeg. Bovendien is Löhring de minnaar van de vriendin van Van Ostaijen, en eindigt hij, in 1943, als rechterhand van Seyss-Inquart in Amsterdam. Er zijn tientallen van zulke acteurs, die steeds in een andere rol hun opwachting maken. Steeds weer lopen de personages elkaar 'toevallig' tegen het lijf.

Op die manier maakt Holmer zijn eigen voorstelling. Wat hij ermee beoogt, wordt duidelijk wanneer hij een filmsterretje de kleedkamer in laat verdwijnen met De wereld als wil en voorstelling van Schopenhauer in haar hand. Dat boek begint met de zin: 'De wereld is mijn voorstelling' en dat blijkt de sleutel tot deze ingewikkelde roman. De filosofische lading, knap met de vertelde gebeurtenissen verweven, houdt in dat in Duizeling, net als bij Schopenhauer, de wereld niet alleen een voorstelling is, maar ook op de wil berust.

De figurant Herschel lijdt aanvankelijk onder zijn 'absurde vrijheid', hij is 'overbodig, niemand verwachtte dat hij zou ingrijpen of zelfs maar een vinger zou uitsteken'. Later ontdekt hij dat hij als individu wel degelijk over een wil beschikt, zodat hij aan het eind van het verhaal in elk geval zijn eigen sterfscène kan regisseren.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden