Boekrecensie

Maryse Condé laat in deze roman zien wat veerkracht is ★★★★☆

Maryse Condé schreef met Tot het water stijgt een roman als een wervelstorm. De personages krijgen het zwaar te verduren, maar maken er altijd het beste van in dit verhaal vol ironie en levenslust.

null Beeld Leonie Bos
Beeld Leonie Bos

De Franse auteur Maryse Condé (Guadeloupe, 1937) is nog lang niet uitgeschreven, zo verzekerde zij de Volkskrant twee jaar geleden. Maar we rekenen er niet al te vast op: de 84-jarige schrijfster wordt geplaagd door een ziekte waardoor ze niet meer kan lopen en nauwelijks nog kan lezen; haar laatste boek, Het onwaarschijnlijk droevige lot van Ivan en Ivana (2019) heeft ze moeten dicteren. Met een oeuvre van zo’n vijftig romans hoeven we daar niet al te erg om te treuren. Haar werk staat opnieuw in de schijnwerpers sinds ze in 2018 de alternatieve Nobelprijs voor Literatuur kreeg. En eerdere Nederlandse vertalingen zijn bij uitgeverij In de Knipscheer nog altijd leverbaar.

Uitgeverij Orlando brengt nu, tegelijk met de Engelse versie, een roman uit 2010 uit in de Nederlandse vertaling van Martine Woudt – een naam die garant staat voor kwaliteit. Tot het water stijgt is vintage Condé. De zoektocht naar een manier om waarachtig te leven, trouw aan ‘jezelf’ te zijn, een thema dat haar bezighoudt vanaf haar romandebuut in 1976, is waar het ook hier weer om gaat. Het is een roman als een wervelstorm, vol personages wier levens compleet overhoop worden gehaald door krachten die groter zijn dan zijzelf. Dan hebben we het nog niet eens over natuurrampen. Voorlopig, ‘tot het water stijgt’, hebben ze vooral te maken met dictators, bendes zwaarbewapende jongeren, armoede, angst en hoop.

Bonte stoet personages

Hoofdpersoon Babakar Traoré heeft niet veel op met politiek. Hij heeft zich ook nooit verbonden gevoeld met zijn geboortegrond in Mali. We treffen hem op Guadeloupe, waar zijn moeder vandaan komt, tijdens een nacht die zijn leven zal veranderen. Al vanaf de eerste pagina’s trekt een bonte stoet personages voorbij die zich, vanwege hun afkomst en huidskleur, allemaal op een andere manier tot elkaar verhouden. Movar en Reinette, illegale Haïtianen, kunnen op misprijzen rekenen van het schoolhoofd Aristophanes, een volbloed Guadelouper. Babakar, half Afrikaans en donker, wordt minzaam geduld en alleen omdat hij gynaecoloog is. Zijn enige vriend is zijn buurman Hugo Moreno, een bejaarde Colombiaan. Zijn maîtresse Carmen is een kapster ‘die net als alle kapsters uit Santo Domingo kwam’.

Het boek zit vol met dit soort grapjes en allerlei (soms zelfverzonnen) verwijzingen, die in meer of mindere mate inside jokes zijn. Maar ook zonder voorkennis van de Franse Antillen valt er genoeg te halen voor wie bereid is zich door verschillende vertellers op sleeptouw te laten nemen. De roman bestaat voornamelijk uit levensverhalen, verteld door de personages zelf, waardoor er een warreling aan geschiedenissen en perspectieven ontstaat. Deze manier van vertellen – in plaats van gebeurtenissen te ‘laten zien’ – is wel even wennen: als lezer word je wat op afstand gehouden.

De meeste ruimte krijgt Babakar, die een directe afstammeling blijkt van de illustere Traorés uit de monumentale roman Ségou (1984), waarmee Condé wereldberoemd werd. De dokter vertelt zijn verhaal aan Movar, een jonge Haïtiaan die zijn pad kruist en met wie hij bevriend raakt. Movar overtuigt hem ervan dat hij Reinettes baby, over wie hij zich na haar dood in het kraambed heeft ontfermd, moet terugbrengen naar haar moederland Haïti.

Maryse Condé in 2019.  Beeld Arnold Jerocki / Divergence
Maryse Condé in 2019.Beeld Arnold Jerocki / Divergence

Erbarmelijke omstandigheden

Is Ségou geprezen als de grote roman over Afrika en Het valse leven (1994) als die over Guadeloupe, dan zou je Tot het water stijgt – met de vele verwijzingen naar schilderkunst en muziek – Condés grote Haïtiaanse roman kunnen noemen. Veerkracht, dat is het woord dat boven komt als je dit boek uit hebt. De gruwelijkheden die Movar, Babakar en de Palestijnse Fouad, die een hotel runt in Port-au-Prince, eerder in hun leven hebben meegemaakt, weerhouden hen er niet van om er het beste van te maken, ondanks de erbarmelijke omstandigheden waarin het eiland verkeert door wanbeleid en ­corruptie.

Condé suggereert zelfs dat Babakar juist gedijt onder deze omstandigheden wanneer ze schrijft dat hij zich meer thuis voelt in een armoedig soort weeshuis dat hij gaat leiden, dan in een luxekliniek voor de rijken: ‘Babakar vond de sfeer terug waar hij van hield. Hij herkende het kwijnende uiterlijk van de patiëntes en het uitgeputte, zorgelijke gezicht van de artsen en van het handjevol verpleegsters en lokale vroedvrouwen dat hen bijstond.’ Ironie is een beproefd stijlmiddel van Condé. Ze vermaakt zich op speelse wijze met onze verwachtingen en zet haar lezers zo steeds op het verkeerde been.

Met humor en nuance vat Condé grote thema’s in literatuur: uitsluiting en racisme, migratiestromen, de misère in voormalige koloniën. Deze problemen zijn in de loop van haar 45-jarige schrijverschap niet verdwenen, waardoor haar boeken onverminderd actueel zijn en ook jongere generaties lezers zullen aanspreken. Toch is wat ze uitdraagt in haar werk een hoopvolle boodschap. Afkomst hangt af van toeval, maar wat je doet is wat jou jou maakt.

null Beeld Orlando
Beeld Orlando

Maryse Condé: Tot het water stijgt. Uit het Frans vertaald door Martine Woudt. Orlando; 364 pagina’s; € 22,99.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden