Analyse

Martin Scorsese en Robert De Niro wisten met Raging Bull zeker: een goede boksfilm staat met de rug naar de ring toe

Ruim veertig jaar na de première is er een groot boekwerk verschenen over de totstandkoming van boksfilm Raging Bull (1980), de ‘beste sportfilm ooit’. Het geeft antwoord op interessante vragen zoals: al dat bloed, hoe deden ze dat?

Robert De Niro als bokser Jake LaMotta in Raging Bull (1980).  Beeld Getty
Robert De Niro als bokser Jake LaMotta in Raging Bull (1980).Beeld Getty

Het was Bobs idee geweest. Bob is Robert De Niro, die zich in de hoofdrol van een boksfilm droomde. In 1974 had hij de autobiografie van voormalig wereldkampioen middengewicht Jake LaMotta cadeau gekregen, gesigneerd en al. ‘Voor de enige acteur ter wereld die mijn idiote leven zou kunnen spelen.’ De titel: Raging Bull: My Story (1970), oftewel de memoires van Jake ‘De Razende Stier’ LaMotta uit de Bronx. 106 partijen: 83 keer winst, waarvan dertig door knock-out, negentien keer verlies, vier onbeslist.

De Niro stapte naar Martin Scorsese, maar de beoogde regisseur was niet onder de indruk. Een boksfilm? Dat was al honderd keer gedaan. Ja, hij wist ook wel dat boksen in feite schaken met je lijf is. Maar nee, bedankt. ‘Het idee van: laten we twee kerels in de ring zetten die het vervolgens maar uitvechten, kon mij niet echt boeien. Geen enkele sportfilm, eigenlijk. Ik was meer van de muziek.’

Het omslagpunt kwam toen zijn musical New York, New York (1977) aan de kassa flopte, waarmee Scorsese na hitfilms als Mean Streets (1973), Alice Doesn’t Live Here Anymore (1974) en Taxi Driver (1976) zelf tegen een fikse opdoffer aanliep. Hij toonde alsnog interesse in het plan van zijn vriend Bob. ‘Na New York, New York was ik ervan overtuigd dat mijn Amerikaanse filmcarrière wel klaar was. Ik wilde naar Europa vertrekken om daar kleinere films te gaan draaien. Raging Bull zou mijn allerlaatste Amerikaanse film worden. Ik heb me aan geen enkele regel gehouden. Kamikaze. Ik wilde de beste film van mijn leven maken. Daarna zou ik in vlammen opgaan.’

Ruim veertig jaar later staat Raging Bull (1980) met zijn acht Oscarnominaties nog steeds bekend als onversneden meesterwerk, geboren uit overlevingsdrang van de regisseur. Een wanhoopsoffensief. Terugkijken op dvd leert nog maar eens dat alle gecanoniseerde lof niet overdreven is. Krachtige scènes, sterke rolbezetting en geweldige montage ook. Het onheilspellendste shot is als het bloed letterlijk van de touwen druipt. Een beeld als een retorische vraag van de regisseur: ‘En dit noemen ze een spelletje?’

 Raging Bull: My Story (1970), de memoires van Jake LaMotta.

 Beeld
Raging Bull: My Story (1970), de memoires van Jake LaMotta.

In 2008 werd Raging Bull door het American Film Institute uitgeroepen tot ‘beste sportfilm ooit’, net voor Rocky (uit 1976, van regisseur John G. Avildsen). Meer nog dan Goodfellas (1990) ademt de film in alles Scorsese: de ongepolijste dialogen, de brutale cameravoering, de liefde voor het straatleven in New York. Precies de reden waarom nu bij de Britse uitgeverij Coattail Publications – zelfverklaarde specialisten in limited editions – een giga koffietafelboek is verschenen: Raging Bull: The Making Of by Jay Glennie. Oplage: 1.980 exemplaren. Groot formaat. Gewicht: een kilo of 3. Adviesprijs: 100 Britse ponden.

Voor zijn boek heeft de auteur iedereen die bij deze film van enig belang was gesproken, inclusief Scorsese en De Niro. Uitputtende interviews – de quotes hierboven komen er ook uit – die worden afgewisseld met het complete archief van setfotograaf Brian Hamill, de storyboards van de regisseur en flarden van het script met annotaties. Eerder verschenen in deze reeks al vergelijkbare boeken over The Deer Hunter en Performance; een nieuwe episode over Trainspotting staat op de rol. Aan de prijs, ja, maar voor filmfanaten zijn dit natuurlijk wel unieke documenten.

Met deze stoeptegel in de hand worden kwesties opgelost. Waarom is Raging Bull eigenlijk in zwart-wit gedraaid? Het juiste antwoord luidt: na het onverwachte Oscarsucces van Sylvester Stallones Rocky (1976) waren boksfilms bij de verzamelde Hollywoodstudio’s plots weer helemaal in. Naast Raging Bull waren er nog drie in voorbereiding: The Main Event (1979), met Barbra Streisand en Ryan O’Neal, Rocky II (1979) en de comedy The Prize Fighter (1979). Scorsese: ‘Zwart-wit was een extra manier om ons te onderscheiden van die andere producties.’

En al dat bloed dan? Hoe deden ze dat? Chocoladesiroop, blijkt. De neusprothese van De Niro werd ermee volgestopt, zodat het alle kanten op kon spetteren. Als het moest in slow motion. Maximaal effect. ‘Chocoladesiroop doet het op zwart-witfilm beter dan bloed.’

Wat Scorsese en De Niro vooraf in elk geval zeker wisten: een interessante boksfilm gaat niet per se over de sport. Een interessante boksfilm staat met de rug naar de ring toe. Hij portretteert de hoofdpersoon in kwestie in zijn dagelijks bestaan en schetst zo het milieu waaruit die voortkomt.

In het geval van de Siciliaanse Amerikaan Jake LaMotta: in de ring was hij koning in incasseren, maar diezelfde koppigheid en datzelfde temperament zouden hem buiten de ring vernietigen. Herhaaldelijk huiselijk geweld. Zeven huwelijken. Met iedereen ruzie. Totdat zijn jongere broertje Joey, die lang zijn manager was geweest, niet meer met hem wenste te spreken. De bokskampioen als tragische figuur. Zijn grootste verdriet was dat hij te kleine knuisten had om ooit voor de titel in het zwaargewicht op te kunnen gaan. Hij eindigde als uitsmijter in de New Yorkse horeca en begon – inmiddels 50 kilo zwaarder – een gammele act als stand-upper voor niemand in het bijzonder.

Ook kocht LaMotta zijn eigen nachtclub in Miami, maar hij werd al snel gearresteerd voor het aan de man brengen van minderjarige meisjes: zes maanden dwangarbeid in de chain gang, met zo’n loden bal aan je voet. Daarmee was de cirkel wel rond. In zijn jonge jaren was Jake na een mislukte roofoverval al eens naar de tuchtschool gestuurd. Daar had hij zijn haat jegens het gezag opgebouwd. Geen filmpersonage om van te houden, Jake LaMotta. Maar wel een slice of life uit een zelden geziene wereld. ‘Een zondaar die verlossing zoekt’, naar de smaak van de katholiek opgevoede regisseur.

Castingdirector Cis Corman was al op pad gestuurd voordat een definitief scenario gereed was. Als eerste mocht Mardik Martin ermee stoeien, de schrijver van Scorseses Mean Streets en New York, New York. Ja hoor, hij had daar wel ideeën over. ‘Ik zie die boksers als gladiatoren uit het oude Rome, vechtend in de ring. Op de eerste rij zitten allemaal rijkelui en penose in hun bontmantels en smokings. Bobbie krijgt een klap op zijn neus, en vervolgens spuit het bloed over die eerste rij, op hun dure kleren en juwelen.’

Scorsese: ‘Okay. You’re in... haha.’

Martin kreeg het uitdrukkelijke verzoek om alle schone schijn uit LaMotta’s autobiografie te schrappen – die de bokser met twee ghostwriters had geconcipieerd. Samen met De Niro bezocht hij in Miami Vikki (in de film: Vickie) LaMotta, ze was op dat moment 25 jaar gescheiden. Of ze herinneringen wilde ophalen aan een huwelijk dat ze had proberen te verdringen. De vragen waren niet mals: ‘Waarom was Jake toch zo jaloers toen jullie getrouwd waren? Weet je wel zeker dat je niet elders aan het rotzooien was?’ Ze stond perplex, maar ze kwamen overeen dat ze haar gedachten over die tijd zelf zou inspreken op tape en nog eens haar dagboeken ging raadplegen.

Robert De Niro met de ‘gebroken’ neus van Jake LaMotta, gemaakt door visagist Michael Westmore.

 Beeld
Robert De Niro met de ‘gebroken’ neus van Jake LaMotta, gemaakt door visagist Michael Westmore.

Mooi materiaal, toch kwam de scenarist er niet helemaal uit. ‘Zijn werk was goed’, herinnert De Niro zich, ‘maar het was niet speciaal.’ De regisseur sloeg ook weer aan het twijfelen. Project in de koelkast. Scorsese ging eerst maar eens zijn concertfilm The Last Waltz (1978) over The Band afmonteren. De Niro moest naar Thailand voor de opnamen van Michael Cimino’s The Deer Hunter (1978). Wel waren ze zo slim om Paul Schrader – scenarist van Taxi Driver – te vragen nog eens naar het script te kijken. ‘Dat boksen interesseerde mij geen reet, maar het idee van een film over een klassieke broedertwist beviel mij wel.’

De scriptdokter verrichtte wonderen. Joey was uit de autobiografie van Jake geretoucheerd, maar Schrader besloot hem op te zoeken. Joey reageerde nukkig, geen oud zeer graag, totdat hij met spijt in zijn stem vertelde dat hij zijn eigen veelbelovende boksloopbaan – 32 winstpartijen, waarvan 22 door knock-out, vijf keer verlies, twee partijen onbeslist – had opgegeven om manager van Jake te worden. Daar ga je al, dacht Schrader. En hij bracht dit conflict in als hét centrale thema in de nieuwste scenarioversie. De strijd tussen die broers, dat is waar Raging Bull over gaat.

Tweede plotpunt, ook naar waarheid opgetekend: Jake wordt door de gokmaffia gevraagd om tegen de onbeduidende bokser Billy Fox met opzet te verliezen, zodat zij hun zakken kunnen vullen. Doet hij dat niet, dan zal er voor Jake nimmer een gevecht om de wereldtitel in het middengewicht komen, want zij beheersen de hele handel. Schoorvoetend stemt Jake toe, maar in de ring maakt hij er een statement van. Eerst deelt hij een paar plaagstootjes uit, en vervolgens laat hij zijn verdediging zakken. Het is niet eens een gevecht meer. Met zijn harde kop vangt hij alle klappen op, verliest op punten, maar weigert neer te gaan: ‘I ain’t goin’ down, no, not for nobody.’ Jake LaMotta in een notendop.

Iedereen enthousiast, ook de producers Irwin Winkler en Robert Chartoff, eerder het team achter de succesfilm Rocky. Maar bij studio United Artists wisten ze het allemaal niet zo zeker. Aan de top was net een wisseling van de wacht geweest en de nieuwe directie zag weinig heil in het Raging Bull-project. Het veto: de man is een kakkerlak. Obsceen taalgebruik ook, met veel te veel fuck dit en fuck dat. En dan die scène waarbij LaMotta vlak voor een gevecht ijswater in zijn sportbroek gooit, omdat hij met een erectie niet kan boksen. ‘Nou heren... het is heel simpel’, antwoordde Winkler, die het allemaal beleefd had aangehoord. ‘Als jullie Raging Bull schrappen, krijgen jullie ook de sequel van Rocky niet.’ Daarmee was de zaak wel geregeld. Vrijgemaakt budget: 18 miljoen dollar (zou vandaag zo’n 54 miljoen dollar zijn).

Met dat groen licht werden ook de bevindingen van castingdirector Corman weer relevant. Omdat Scorsese een felrealistische film voor ogen stond, wilde hij rond De Niro graag een aanvullende cast van amateurs en nieuwkomers zien. Jongens van de straat, Corman had er wel een paar gevonden. Wij kennen de kleine gifkikker Joe Pesci nu als vaste kracht binnen Scorseses misdaaduniversum – denk aan Goodfellas (1990), Casino (1995) en The Irishman (2019) – maar toen ze hem verzochten om auditie te doen voor de rol van Joey in Raging Bull, was hij manager van het Italiaanse restaurant Amici’s in de Bronx. Naar volle tevredenheid, en met zijn gefnuikte Hollywoodambities ver achter hem. Hooguit trad hij af en toe op als zingende ober in de zaak. De makers moesten hem echt omkletsen, voordat hij zijn eerste grote filmrol accepteerde. Boel gedoe, maar ja: zo straatwijs en authentiek vond je ze maar zelden.

Martin Scorsese (links) en Robert De Niro tijdens de opnamen van Raging Bull (1980). Beeld
Martin Scorsese (links) en Robert De Niro tijdens de opnamen van Raging Bull (1980).

Voor het personage van Vickie LaMotta – Jakes grote liefde – werd de 17-jarige Cathy Moriarty benaderd, voormalig Miss Badpak van de Bronx. Ze werkte als receptionist en was ’s avonds serveerster in een hamburgertent, en op meer dan een paar rolletjes bij het schooltoneel kon ze niet bogen. Maakte niet uit, ze had precies de juiste eigenwijsheid. Ze gingen van haar een jonge Lana Turner maken, zo beloofden ze.

Om de laatste losse eindjes in het scenario aan elkaar te knopen vertrokken De Niro en Scorsese vervolgens naar het resort La Samanna op Sint Maarten, waar ze drie weken aan de dialogen sleutelden. Het zijn de curieuste kiekjes uit het boek, die twee met strooien hoeden op, cocktails voor hun neus, lachend in de camera.

Vijf jaar nadat De Niro de autobiografie van LaMotta had ontvangen, kon er dan eindelijk worden gedraaid. Eerst de boksscènes. We spreken 16 april 1979. De locaties: Culver Studios in Los Angeles, en met publiek in de olympische sporthal van 1932. De Niro, die al maanden met Jake LaMotta had gespard, verkeerde in de vorm van zijn leven, fysiek gesproken. Die draaidagen begonnen als volgt:

De Niro: ‘Wat doe ik in dit shot?’

Scorsese: ‘In dit shot krijg je een dreun.’

Klaar. Volgende shot.

De Niro: ‘Wat doe ik nu?’

Scorsese: ‘In dit shot krijg je een hoek.’

Director of photography Michael Chapman en de regisseur hadden het zo uitgekiend dat de camera zich vrijelijk door de ring kon bewegen, zelfs kon zweven als het moest, maar de ring mocht nooit worden verlaten. Het bioscooppubliek moest het gevoel krijgen daar zelf op het canvas te staan: ontsnappen was geen optie. Meerdere partijen, allemaal tegen geoefende amateurboksers, werden in de film versneden, en elke pas en iedere uithaal was vooraf gechoreografeerd. Buiten beeld stond in de ring een boksbal opgesteld, zodat De Niro zich tijdens de changementen, terwijl loeihard de muziek van The Clash opklonk, in het zweet kon blijven werken. Met zweet zag het er op camera beter uit. De vervreemdende effecten – het perspectief van een bokser in nood met afnemend gezichtsvermogen – werden bereikt door de ring vier keer zo groot te maken als normaal: zo leken de touwen, geschoten met een groothoeklens, eindeloos.

Tien weken geploeter. Daarna stonden de boksbeelden erop. Vanaf dit punt zou De Niro zich moeten gaan volvreten – pasta, heel veel pasta – om de latere LaMotta te kunnen spelen. Op 14 november 1980 was de feestelijke première in New York. Vier maanden later, op 31 maart 1981, kon De Niro zijn Oscar afhalen in Los Angeles. Scorsese was ook genomineerd. Toen hij in het Dorothy Chandler Pavilion even naar het toilet ging, vielen drie mannen met oortjes binnen: FBI, hij moest worden verhoord. Een dag eerder had John Hinckley Jr. in Washington D.C. president Reagan neergeschoten. Hij deed dat na vijftien keer Taxi Driver te hebben gezien en wilde indruk maken op Jodie Foster – prostituee Iris in die film – voor wie hij een erotomane obsessie koesterde. Of hij dan ten minste nog even de hoofdprijzen mocht afwachten, vroeg Scorsese. ‘Nah, niet nodig. We hebben het even nagevraagd. Beste film en Beste regie gaan naar Ordinary People van Robert Redford. Dus kom maar mee.’

Over die film hoor je vandaag werkelijk niemand meer.

Raging Bull: The Making Of by Jay Glennie.

Coattail Publications; 320 pagina’s; £ 100.

null Beeld

Grondleggers van de boksfilms

Recente boksfilms als Michael Manns Ali (2001), Clint Eastwoods Million Dollar Baby (2004) en David O. Russells The Fighter (2010) staan ons nog helder voor de geest. Het genre werd in gang gezet met deze klassieke titels:

Body and Soul (1947) – regie: Robert Rossen. Tegen de zin van zijn moeder wordt de jonge Charley (John Garfield) bokser. Hij stapt een wereld vol gangsters en femmes fatales binnen. Zal hij zijn ziel verkopen?

Champion (1949) – regie: Mark Robson. Doorbraakfilm van Kirk Douglas. Op weg naar de top verloochent hij zijn manager, zijn liefje en zijn manke broer. Het opportunisme wordt niet beloond. Weliswaar wint hij de wereldtitel, maar na het gevecht zijgt hij in de kleedkamer ineen.

The Harder They Fall (1956) – regie: Mark Robson. In zijn allerlaatste film is Humphrey Bogart sportjournalist Eddie Willis die door een louche bokspromotor wordt ingehuurd als pr-man.

The Great White Hope (1970) – regie: Martin Ritt. Eerste boksfilm over een zwarte wereldkampioen: Jack Jefferson. Glansrol voor James Earl Jones.

Fat City (1972) – regie: John Huston. De oude bokser Billy (Stacy Keach) heeft een mooie carrière achter zich, de jonge bokser Ernie (Jeff Bridges) koestert nog aspiraties. Allebei zijn ze gedoemd.

null Beeld
null Beeld
null Beeld
null Beeld
null Beeld

Requiem voor een zwaargewicht

De Nederlandse speelfilm verkent zelden het boksmilieu. David Lammers kwam in 2006 met Langer licht over de norse boksschoolhouder Lucien (Raymond Thiry) en zijn 15-jarige zoon Lucien (Dai Carter), gesitueerd in Amsterdam-Noord. Wel zagen we Jack Wouterse verwikkeld in een kooigevecht (Temmink, 1998), Marwan Kenzari was kickbokser (Wolf, 2013) en in de jeugdfilm Vechtmeisje (2018) volgt ook Aiko Beemsterboer kickbokstraining om beter haar mannetje te staan. Gaat het puur om boksen, dan komen we uit bij tv-geschiedenis: Ko van Dijk maakte in 1959 grote indruk met de bewerking van Requiem voor een zwaargewicht (regie: Walter van der Kamp)

Aiko Beemsterboer en Noa Farinum in Vechtmeisje (2018). Beeld
Aiko Beemsterboer en Noa Farinum in Vechtmeisje (2018).
Marwan Kenzari in Wolf (2013). Beeld
Marwan Kenzari in Wolf (2013).
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden