Marjolijn van Heemstra schreef een verhaal over haar 'bommenneef': de reacties stroomden binnen

'Ik heb een moeder, onderduikers en vluchtende nazi's over het hoofd gezien'

De reacties op haar spraakmakende roman 'En we noemen hem' blijven binnenstromen bij Marjolijn van Heemstra. Het verhaal gaat over een verre oom die na de oorlog een verzetsdaad zou hebben gepleegd. De auteur vreesde even dat ze het verkeerde verhaal had geschreven.

Beeld Olivier Heiligers

Ik heb je boek gelezen en het klopt niet, schrijft ene meneer van Es een week na de verschijning van En we noemen hem. Onder die mededeling staat zijn telefoonnummer en het verzoek contact op te nemen. Ik bel niet.

Het verhaal is af, zeg ik tegen mezelf. Maar de werkelijke reden dat ik niet bel, is de vage angst dat meneer van Es gelijk heeft. Dat het niet af is, of erger nog: dat ik het verkeerde verhaal heb geschreven.

In mijn boek onderzoek ik de familielegende van een verre oom, een verzetsheld, die op Sinterklaasavond 1946 een bom verpakt als surprise zou hebben afgeleverd bij een voormalig NSB'er. Deze Frans Julius Johan, in de familie ook wel 'bommenneef' genoemd, stierf kinderloos en liet zijn ring achter voor een toekomstige naamgenoot. Door een samenloop van omstandigheden belandde die ring zo'n twintig jaar geleden aan mijn vinger. Als ik ooit een zoon zou krijgen, zou ik hem naar onze held vernoemen en was de cirkel rond.

Overzichtelijk. Totdat ik aan de losse eindjes van de legende begon te trekken en een spiegelgladde familiemythe veranderde in een chaos van duistere flarden, vermoedens, gefluister, verzwegen slachtoffers en vergeten verdriet. Ik beet me erin vast en voor ik het wist stond een hele zwangerschap in het teken van die bomaanslag in 1946.

Beeld nvt

Van alles wat ik vond en hoorde knoopte ik een nieuw verhaal en op de boekpresentatie verklaarde ik opgetogen dat het anders was gegaan dan ik me ooit had voorgenomen - vernoemen werd benoemen - maar dat de cirkel nu toch echt wel rond was.

Ik wist wat er te weten viel en de rest had ik er bij verzonnen.

Soms stonden gewetensbezwaren dat verzinnen in de weg, maar dan suste ik mezelf. In fictie mag alles. Bovendien vielen vorm en inhoud hier samen, want onder mijn vermenging van feiten en fictie ligt de vraag hoeveel we eigenlijk mogen verzwijgen en verzinnen als het onze helden betreft.

Interview

Marjolijn van Heemstra en Jan Cremer worden geïnterviewd door Arjan Peters voor de Volkskrant op Zondag: 4 maart, Compagnietheater Amsterdam, aanvang 16 uur.

En ik geef in het boek mijn leugens eerlijk toe. Tenminste, sommige. In fictie mag alles. Maar in fictie gebaseerd op feiten? Ik weet het eigenlijk niet.

Meneer van Es weet het wel: het mag niet. Met de doden moet je dubbel zo voorzichtig zijn, zegt hij, die kunnen zich niet verdedigen. Een week na zijn bericht bel ik hem alsnog. De publiciteit rond mijn roman bracht een stroom van nieuwe informatie teweeg die ik nu niet meer kan negeren.

Meneer van Es is vooral boos over mijn conclusie dat Frans waarschijnlijk stierf zonder spijt van zijn daden. Hij heeft hem vlak voor zijn dood ontmoet in de hete Spaanse kustplaats waar hij zijn laatste jaren doorbracht. We dronken een fles wijn leeg, zegt van Es, en ik verzeker je, dat was een man met spijt. Letterlijke woorden herinnert hij zich niet, maar wel een 'duidelijke sfeer van verdriet om het leven dat hij had geleefd'.

De cirkel ligt weer open.

Een hobbyhistoricus schrijft me over een naoorlogse couppoging waar bommenneef volgens hem bij betrokken is geweest. 'Als het aan jouw oom en zijn vrienden lag was Nederland een legerstaat geworden. Hij was gevaarlijker dan jij hem schetst in je boek.'

De hobbyhistoricus heeft geen harde bewijzen maar 'hij was waar het broeide'. Doodzonde, vindt hij, dat ik die lijn heb laten liggen.

Iemand schrijft dat Frans als lid van de staf van prins Bernhard na de oorlog nazi's hielp ontsnappen naar Zuid-Amerika. Iemand belt om te zeggen dat Frans tijdens de bezetting met auto's vol onderduikers naar Zwitserland reed. 'Waarom schrijft u alleen over de levens die hij wegnam en niet over de levens die hij heeft gered?' Het zijn tweedehands herinneringen, losgewrikt uit een context die niet meer bestaat.

Misschien is het zo dat verhalen als gesteentelagen in de mensheid liggen opgeslagen. Je kunt ze los drillen, maar je krijgt ze nooit heelhuids aan de oppervlakte.

Een vrouw mailt mij dat ze Frans in haar baby-album vond. Toen ze in 1943 werd geboren, zat haar vader in het verzet in Spanje. Bommenneef nam in de kraamkliniek de honneurs waar om haar moeder schande te besparen.

Ik schrijf in mijn boek dat Frans kinderloos was, maar bij momenten is hij wel degelijk vader geweest. Voor die baby in '43 en later voor Jan uit Vlissingen die op een zomerse maandagavond over de telefoon zijn herinneringen met mij deelt. Frans, goede vriend van zijn ouders, behandelde hem als een zoon. Jan vertelt over geweldige autoritten van en naar school, over Frans' woonboot waar hij eindeloos mocht logeren, over zijn stem, die klonk alsof - Jan denkt er lang over na - alsof hij altijd dorst had.

Hij doet het na, een laag en droog geluid: Jantje. Jantje.

Hij vertelt me ook dat Frans Afghaanse windhonden had.

Ik ben even van mijn stuk gebracht. Windhonden? Ik geloof in de theorie dat honden op hun bazen lijken en de Frans de ik op mijn zoektocht leerde kennen, zou een teckel hebben gehad, of een terriër. Een aardhond. Eenkennig, vasthoudend; het soort dat zich in holen wringt om er konijnen uit te slepen. Maar Frans had dus windhonden, een vriendelijk, gevoelig soort.

Behalve honden, surrogaatkinderen, onderduikers en vluchtende nazi's heb ik ook nog een moeder over het hoofd gezien.

De zachtaardige vrouw die Frans als een zoon onder haar hoede nam en zo de moeder verving die hij vroeg verloren had. Toen hij eind jaren veertig in Leeuwarden gevangen zat, reisde ze met pannen soep vanuit Amsterdam naar hem toe. In die tijd een wereldreis. Het is haar kleinzoon die me dit vertelt. In het familie-album heeft hij foto's van Frans in zijn laatste, Spaanse jaren. Het zijn de eerste kleurenfoto's die ik van hem zie. In zwart-wit leek hij een figuur uit het verleden, de kleuren brengen hem onverwacht dichtbij. Geen historisch figuur meer maar een tijdgenoot. Een man die leefde terwijl ik leefde, ook al was dat maar enkele jaren. Hij is groot en kaal, een roze blouse, om zijn pols een gouden horloge. Geen spoortje spijt op zijn gezicht. Naast hem glanst een goudbruine windhond.

Kleurrijk

Auteur en theatermaker Marjolijn van Heemstra (1981) won in januari de BNG Bank Literatuurprijs voor En we noemen hem (Das Mag, euro 19,95), volgens het juryrapport 'een kleurrijke kluwen van feiten en herinneringen'.

De roman staat ook op de longlist van de Libris Literatuurprijs, waarvan de shortlist op 5 maart wordt bekendgemaakt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.