Makelaars in de delta van Simon Stevin

Sinds de Eerste Wereldoorlog heeft de Nederlandse wetenschap aan glans ingeboet. Daarvóór was het niveau dan ook uitzonderlijk hoog. Een terugblik met wetenschapshistoricus Klaas van Berkel op een millennium met twee Gouden Eeuwen....

'EEN terugblik op duizend jaar wetenschapsbeoefening in Nederland? Dan moet ik u teleurstellen. Zó lang is er nog geen sprake van wetenschap in dit land', zegt de wetenschapshistoricus prof. dr. Klaas van Berkel, hoogleraar in de geschiedenis na de Middeleeuwen aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Volgens Van Berkel moeten we het begin van de wetenschapsbeoefening in Nederland, of beter gezegd de Nederlanden, ergens in de vijftiende, zestiende eeuw zoeken, toen ook hier begon door te dringen dat er zoiets als de Klassieke Oudheid had bestaan, met haargrote geleerden en haar eerste aanzetten tot wetenschapsbeoefening.

'Wetenschap mag dan dé uitvinding van dit millennium zijn, het is toch eerder een herontdekking geweest dan een echt nieuwe uitvinding', aldus Van Berkel.

Afgezien van de activiteiten in het klooster Rolduc (door een historische speling van het lot nog nét tot de Nederlanden te rekenen), waar in de veertiende eeuw al iets aan optica werd gedaan, voornamelijk nog theoretisch, plaatst Van Berkel het begin van de wetenschapsbeoefening in onze contreien aan het begin van de vijftiende eeuw, in de zuidelijke Nederlanden.

'Het zuiden was er eerder mee. Daar werd in 1425 in Leuven de eerste universiteit van de Lage Landen opgericht. Wetenschappelijk talent, mannen als Agricola en Erasmus, trok uit het Noorden naar het Zuiden, of nog verder zuidwaarts, Italië bijvoorbeeld. Een eeuw later was dat omgekeerd. Toen trokken wetenschappers en geleerden van zuid naar noord.'

De wetenschap hier te lande laat Van Berkel dan ook het liefst beginnen met de komst van de 'zuiderling' Simon Stevin (1548-1620) naar Leiden, waar in 1575 de eerste universiteit van de noordelijke Nederlanden haar deuren had geopend. 'Stevin was een van de eersten die hier bijvoorbeeld de wetten van Archimedes herintroduceerden.'

De universiteit heeft in de ogen van Van Berkel altijd een grote rol gespeeld in de wetenschapsbeoefening in Nederland. Anders dan in de omringende landen, Engeland en Frankrijk voorop, waar wetenschap aan het eind van de zestiende en in de zeventiende eeuw vooral een zaak was van geleerde genootschappen. Zoals de Royal Society in London, waar de Delftse lakenhandelaar Antoni van Leeuwenhoek, uitvinder van de microscoop, prominent lid van was. Of de Franse Académie, die een Nederlandse wetenschapper als Christaan Huygens naar Parijs lokte en in zijn levensonderhoud voorzag.

'In de zeventiende eeuw lag het accent primair op het onderwijs. De overdracht van kennis vond men toen belangrijker dan het creëren van nieuwe kennis. De Nederlandse wetenschapsbeoefening was sterk receptief, gericht op het bewerken, begrijpelijk maken en toelichten van kennis die elders was verworven.

'Een mooi voorbeeld daarvan is de ontvangst van het hoofdwerk van de Engelse fysicus en mathematicus Isaac Newton, de Principia, waarin hij zijn beroemde gravitatiewetten formuleert. Zijn boek uit 1687 was een echt geleerd werk, en nadrukkelijk niet geschreven als leerboek. Begin achttiende eeuw werd het boek door Nederlandse geleerden omgewerkt, toegelicht en uitgebouwd. Pas daarna begon de Principia aan zijn opmars in Europa, ook in Engeland zelf. Een Franse geleerde als Voltaire maakte pas in de achttiende eeuw, aan de voeten van de Nederlandse natuurwetenschapper 's-Gravesande, voor het eerst kennis met de natuurkunde van Newton.'

Volgens Van Berkel hangt die rol van Nederland in de Europese wetenschapsbeoefening ook samen met zijn geografische positie: een soort clearinghouse tussen de omringende grotere landen. Die positie heeft Nederland eigenlijk altijd behouden.

Van Berkel: 'Tijdens de Eerste Wereldoorlog bijvoorbeeld, toen Duitsland en Engeland in oorlog waren, viel ook de wetenschappelijke communicatie tussen beide landen stil. Het was juist de tijd waarin de Duitser Albert Einstein zijn revolutionaire ideeën over de fysica had geformuleerd.

'Het was de Leidse astronoom De Sitter die Einsteins relativiteitstheorie bewerkte en (ook) in Engeland introduceerde. De Sitter nodigde Einstein naar Leiden uit en organiseerde dat de beroemde Engelse astronoom Arthur Eddington, bij gelegenheid van de totale zonsverduistering van 1919, de eerste test van de relativiteitstheorie op astronomische schaal uitvoerde.'

Terugkijkend op vijf eeuwen wetenschapsbeoefening in Nederland karakteriseert Van Berkel de zeventiende eeuw als de eerste Gouden Eeuw van de Nederlandse wetenschap, met geleerden als Stevin, Huygens en Van Leeuwenhoek als belangrijke exponenten.

De tweede Gouden Eeuw - de term ontleent hij aan de wetenschapshistoricus Bastiaan Willink - begon volgens Van Berkel in het laatste kwart van de negentiende eeuw, met grote natuurwetenschappers als Van 't Hoff, Lorentz, Van der Waals, Zeeman en Kamerlingh Onnes - allen behorend tot de eerste Nobelprijswinnaars in het begin van deze eeuw.

De voorbereiding op die tweede bloeiperiode was al midden negentiende eeuw begonnen, nog vóór de invoering van de Hoogere Burger School (hbs) vanaf 1863 en de nieuwe Hoger Onderwijswet van 1876. Van Berkel: 'Al vanaf 1850 had men de noodzaak gezien van nieuwe investeringen in de wetenschapsbeoefening. Er werden nieuwe laboratoria ingericht aan de universiteiten. De Leidse astronoom Kaiser bijvoorbeeld stichtte een nieuwe sterrenwacht, met de modernste kijkers.'

Het waren de pas afgestudeerde hbs'ers die de toen ontstane vacatures aan de universiteiten invulden. De hbs fungeerde als een soort kweekvijver voor nieuw wetenschappelijk talent. Het kan haast geen toeval zijn dat vier van de vijf genoemde Nobelprijswinnaars van de hbs kwamen en dat de vijfde - Van der Waals - aan een hbs had gedoceerd.

Van Berkel: 'Het is een soort ontwikkeling waar historici dol op zijn: de onbedoelde nevenwerking. De hbs was opgericht vanwege de behoeften van handel en nijverheid aan leidinggevend en hoger personeel. Maar de opleiding was zó degelijk, dat veel hbs'ers naar de universiteit wilden.'

De 'tweede Gouden Eeuw' van de Nederlandse wetenschap duurde tot het begin van de Eerste Wereldoorlog. Dan stokt deze bloeiperiode: 'De Nederlandse wetenschap heeft niet meer hetzelfde, uitzonderlijk hoge niveau bereikt als aan het begin van deze eeuw.'

- En de recente Nobelprijs voor Natuurkunde dan, de laatste van deze eeuw, die voor de Nederlandse fysici Veltman en 't Hooft was en waarmee Nederland de cirkel van 99 jaar Nobelprijzen rond maakte?

Van Berkel: 'Een Nobelprijs vind ik geen goede maatstaf voor de bloei van een tak van wetenschap. De toekenning is té toevallig, en komt altijd te laat. 't Hooft en Veltman kregen de prijs voor werk dat dertig jaar oud was. Bloei van de wetenschap in een land stel je vast aan de hand van de invloed die dat land op de wetenschapsbeoefening in het buitenland heeft. Dat valt te meten met bijvoorbeeld citatie-analyse, waarmee je trouwens een heel eind terug kunt gaan, tot diep in de negentiende eeuw.

'Daarnaast moet er sprake zijn van een maatschappelijk klimaat waarin wetenschap als zodanig, om ''zichzelfswille'', wordt gewaardeerd. Ik moet zeggen dat Nederland in beide opzichten nog steeds heel aardig kan meekomen met de rest van de westerse landen.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden