Magie tijdens genoodzaakt solo-optreden Don McLean

Eigenlijk zou Don McLean in het Amsterdamse Carré optreden met zijn begeleidingsband van vier muzikanten. Zij zouden enkele dagen later naar Europa vliegen dan de 64-jarige singer/songwriter zelf, die in de aanloop naar zijn korte Europese tournee nog wat persverplichtingen had. Maar ja, toen barstte die vulkaan uit. De band kon Europa niet meer in; McLean kon er niet meer uit.

Niet getreurd, dan maar een akoestische solovoorstelling, zoals hij dat vroeger ook altijd deed en zoals hij ook te horen valt op het album dat misschien wel het meest recht doet aan de artiest die hij is: Solo, de live-registratie uit 1976.

Rood beklede zetel, twee schemerlampen, een paar gezellige kamerplanten, bijzettafeltje met Nederlandse kranten: Don McLean bij hem thuis. ‘Welkom bij de Volcano Tour,’ grapte hij, ‘we gaan het vanavond even anders doen.’

Hoe het met band zou zijn uitgepakt? Je weet het niet, maar Amsterdam zal de Guðnasteinn dankbaar zijn voor zijn hoestbui: wat een onvergetelijk leuke avond. Dat was toch wel verrassend.

Voortreffelijk bij stem

Niet alleen toonde McLean zich een innemend en vooral spontaan gastheer (dat laatste had hij alvast voor op bijvoorbeeld James Taylor), hij bleek ook nog eens voortreffelijk bij stem. De hoge en harde noten (zoals in zijn beroemde versie van Roy Orbisons Crying, McLeans enige Nederlandse nummer één-hit) haalde hij met opvallend gemak, terwijl je in de lagere registers hoorde dat zich hier net zo’n prachtige oudemannenstem ontwikkelt als bij Johnny Cash.

Maar hoe lang blijft Don McLean nog zingen? In Engelse interviews vertelde hij over de veranderende muziekindustrie en dat de lol er wat hem betreft een beetje af is: nauwelijks nog echte studio’s enzo.

Hij leek erop te zinspelen dat Addicted To Black (2009) zijn zwanenzang is en de lopende concertreeks zijn laatste in Europa. In Carré sprak hij heel andere taal: ‘Ik doe dit nu 42 jaar,’ zei hij ergens halverwege, ‘en ik begin pas!’

Fris van de lever

Mooi. Dan is dat verhaal ook maar weer uit de wereld. Het zou ook zonde zijn als deze man op zijn 65e met pensioen gaat, want hij speelde en zong zijn liedjes in Carré fris van de lever en recht uit het hart: het ontroerende Empty Chairs (1971) en nog wat songs over de vergankelijkheid der dingen, later gaandeweg meer lichtvoetig werk, zoals het pittige Fashion Victim (1991) en strategisch geplaatste covers als Elvis’ That’s All Right en Dylans voortreffelijk gezongen, op banjo uitgevoerde Masters Of War.

Grapje hier, anecdote daar; de avond vlóóg om.

Natuurlijk voerde het allemaal naar de twee wereldhits van eigen makelij, waarmee McLean in 1971 doorbrak: slotstuk Vincent, Van Goghs Sterrennacht in de gedaante van een liedje, en even daarvoor American Pie. Een afgekloven Arbeidsvitamine? Ja, eigenlijk wel, maar McLean zong elk woord vurig en gemeend.

‘Misschien ontsla ik die band wel,’ zei hij, zelf wellicht ook verbaasd over de magie waartoe hij solo nog altijd in staat is.

Don McLean (EPA) Beeld
Don McLean (EPA)
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden