'Madame Ham wordt niet mevrouw Jambon'

Als Nijmeegse scholiere vergaapte ze zich aan het vertaalfenomeen Pé Hawinkels, en wist: zoiets wil ik. Volgende week ontvangt vertaalster Mirjam de Veth de Elly Jaffé Prijs....

Baalzak. Nooit eerder gebruikt, omdat het woord haar onbekend was. Toen Mirjam de Veth (1953) een paar jaar geleden begon aan de vertaling van Les Saisons, de roman uit 1965 van Maurice Pons (1927) die in Frankrijk als geheimtip geldt, was het op de eerste pagina raak. ‘Die allegorische roman gaat over een naïeve jonge schrijver die Siméon heet’, licht de vertaalster toe, ‘en die in een boerengemeenschap komt, in de hoop daar rustig te kunnen schrijven. Komt weinig van terecht. Het is permanent rotweer, de bevolking die alleen linzen eet is hem vijandig, en als er al een wending komt in het verhaal, dan is het er een ten kwade.

‘Die baalzak kwam mij goed van pas. Daar gooit een vrouw op de openingspagina de linzenplanten in. Een groflinnen of jute zak. Precies wat ik nodig had: een ongewoon, passend woord. In het Frans stond er ‘bourras’, en dat is ook geen normaal woord. Het werkwoord bourrer betekent volproppen. Een baalzak is een vormeloze zak, die je vol kunt proppen. Vertalen maakt je ook bewust van de rijkdom van je moedertaal.’

Het gitzwarte en hilarische boek stond al op haar verlanglijst, toen uitgever George Coppens haar om een vertaling vroeg, en ze subsidie kreeg van het Fonds voor de Letteren – onontbeerlijk, zo lang het standaardhonorarium per vertaald woord minder dan zeven cent bedraagt. Toen kon Mirjam de Veth aan de slag. Met excellent resultaat: donderdag aanstaande ontvangt ze de tweejaarlijkse Elly Jaffé Prijs (40 duizend euro), voor haar hele uit het Frans vertaalde oeuvre van zo’n veertig titels, maar naar aanleiding van De seizoenen.

De uitreiking vindt plaats in het Maison Descartes te Amsterdam. ‘Op hoge hakken zal ik er niet staan’, zegt de vertaalster, die al weken op tweehoog binnenshuis moet blijven omdat ze haar rechtervoet heeft gebroken. ‘Het is nog even afwachten hoe mijn conditie is. En die van het Maison Descartes, daar vlak naast die ingezakte wevershuisjes. Het wordt met houtjes bij elkaar gehouden.’

De prijs is vernoemd naar de in 2003 overleden vertalersmecenas Elly Jaffé-Freem, die lerares Frans was op het Vossius Gymnasium en medewerkster van De Groene Amsterdammer. En vermogend. De Veth: ‘Kennelijk. Ik merk dat veel mensen geld belangrijk vinden. Wanneer ik het bedrag noem dat aan de prijs is verbonden, reageren ze met: ‘Nou, dat vertalen is toch wel een beroep!’ Goed dus dat die prijs er is. Daardoor wordt zichtbaar dat het vak bestaat, vertalen, en dat niet iedereen het kan.’

Schilderen en een beetje lesgeven, had ze gedacht na haar studie Frans, alleen bleek lesgeven een wansucces. Dáár weer voor, als middelbare scholiere in Nijmegen, was haar droom: schilderen en iets met literatuur. In het café trof ze haar vrienden op zaterdagmiddag. En daar zag ze uit haar ooghoeken de legendarische Pé Hawinkels, die op zijn 34ste zou sterven: vertaler van Thomas Mann tot de Bijbel, dichter, songtekstschrijver. ‘Wat die man uitstraalde, daar wilde ik bij horen. Hij had een grote zwarte hoed op, en een cape om. Ik hoorde zijn woordenstroom ademloos aan. Mij zag hij niet staan, ik was 15. Maar wel kreeg ik les van Matthieu Kockelkoren, een vriend van Hawinkels. En die gaf Frans, en die vertaalde ook, Paul Léautaud. Vertalen hoort bij literatuur, leerde ik toen.

‘Tekenen doe ik nog wel, en ik heb rijen met getekende dagboeken, maar dat hou ik voor mezelf. Mij is wel eens gevraagd of ik zelf niet wil schrijven. Misschien ooit, maar dat zou een mozaïek worden: iets afmaken, een stuwende plot scheppen, gaat mij niet makkelijk af. In die zin is vertalen een uitkomst, want de plot is al bedacht – hoef ik niet meer te doen.’

Halverwege de jaren tachtig begon het. Na een sociologisch boek waar we het maar niet over moeten hebben, werd Mirjam de Veths hulp ingeroepen door vertaalster Truus Boot (1946-2008), bij een klus waar die zich op had verkeken: de biografie van Jean-Paul Sartre door Annie Cohen-Solal, die een bestseller werd. De Veth: ‘Meteen was ik bekend bij uitgevers, en verdiende er veel geld mee.’ Toen wist ze dat het kon lukken, te leven van het vertalen. Een hele rits schrijvers zou volgen: kopstukken als Marguérite Duras, André Gide of Marie Darrieussecq. Soms obscure maar interessante auteurs: Albert Cossery, Iegor Gran, Jean de la Ville de Mirmont. Of Louis Guilloux. ‘Van hem heb ik de grote roman Het zwarte bloed uit 1935 vertaald, 600 pagina’s. Prachtig boek, geen enkele grote uitgever durfde het aan dat te laten vertalen omdat het niets oplevert. Voor de mooie kleine uitgeverij Coppens & Frenks mocht het gelukkig.’

Pons mocht ook. ‘Hij woont sinds 1957 in het Normandische Moulin d’Andé, bij een watermolen, in een tweekamerhuisje met een laag plafond, en met een prachtig uitzicht op de Seine. Georges Perec heeft daar in de jaren zestig zitten werken aan La Disparition, zijn e-loze roman die kort geleden in het Nederlands is verschenen: ’t Manco. Op verzoek van Perec heeft Pons toen, bij wijze van gezelschapsspel, enkele pagina’s uit een roman van eigen hand omgezet als e-loos verhaal, Rosa, die nog in La Disparition terecht zijn gekomen.’ De Veth heeft de schrijver opgezocht. Ze spraken over vertaalkwesties. ‘Hij wilde weinig veranderingen. Een van de plaatsjes in het boek heet Vioque. Dat doet aan vieux denken, dus ik dacht: zal ik daar Ouddorp van maken? Wilde hij niet.

‘Als hij schrijft dat de quasi-dokter Croll de arme hoofdpersoon Siméon op diens ‘deltoïdes’ klopt, bedoelt hij niet gewoon ‘schouders’. Dat zijn ‘deltaspieren’ geworden. Ook toen merkte ik weer: vertalen gaat niet om de inhoud, maar bijna altijd om de stijl. Pons wijkt bewust af van het standaard-Frans, in dit verhaal vol buitensporig vieze mensen die als plaatselijke sport hebben dat ze in het naar braaksel stinkende hotel-café Ham bij elkaar meeëters uitdrukken– sommige scènes heb ik kokhalzend zitten vertalen. Je wordt in een absurd universum ondergedompeld. Dat probeer je als vertaler net zo voelbaar te maken als het voor een Franse lezer is.

‘Tegelijk is dat het mooie ervan! Daarom vertaal ik literatuur, en geen gebruiksaanwijzingen of juridische geschriften.

‘Zoveel magie voor niets’, zegt het motto. Eigenlijk gaat De seizoenen daar over: schrijven, kunst in het algemeen, wat heb je d’r aan? Zie het gruwelijke lot van Siméon. Maar intussen is het niet voor niets! Literaire magie is niet voor niets, want die woorden bieden een venster op een andere wereld. Dat is de kracht van fictie. Dat zie ik als overeenkomst met veel van mijn andere vertalingen. In Tom is dood (2007) vindt Marie Darrieussecq woorden voor het ergste wat een ouder kan overkomen. Een geweldige schrijfster. Ook haar heb ik leren kennen. Dat kan helpen, dat je een schrijver thuis opzoekt.

‘Bij Pons staat ergens het zinnetje ‘ezelsworst, waar de Polen zo dol op zijn’. Speelt het boek soms in Polen, vroeg ik hem. ‘Welnee,’zei hij, ‘maar ik heb zitten denken aan het landschap waar mijn vader vandaan kwam. Het ijzige Alpendorp Névache, dat maar twee maanden per jaar bewoonbaar was. In de zomer gingen wij daar naar toe. De buren waren Polen. Bij hen heb ik voor het eerst van mijn leven ezelsworst gegeten.’ Voor hem sprak het daarom vanzelf, dat ‘de Polen’ dol zijn op ezelsworst. Fantastisch, om dat uit de mond van de schrijver te horen!

‘De namen van zijn personages zijn knoestig, en dat moest zo blijven: Dogde, Brigde, Croll, Raurque, Steppe, en de aan elefantiasis lijdende herbergierster heet in het Frans madame Ham, en niet madame Jambon. Dat is in de vertaling madame Ham gebleven, en niet ‘mevrouw Ham’ geworden, laat staan Jambon. Madame Ham klinkt niet alleen beter, maar het is ook meteen gek. Zo hoort het.’

Mirjam de Veth heeft genoeg plannen. Ze is bezig met Albert Cossery (1913-2008), werkt aan een vertaling van Hotel du Nord van Eugène Dabit (1898-1936), die deel uitmaakte van het reisgezelschap van André Gide toen die naar de Sovjet-Unie ging. ‘En daar niet van terugkwam. Misschien gestorven aan een ziekte, misschien vermoord.’

Zeker, het zou mooi zijn als De seizoenen in Nederland aanslaat, zodat ze verder kan met de vrolijke opvolger, waarvan ze de intrigerende titel alvast heeft vertaald: Rosa. De getrouwe kroniek van de gebeurlijkheden zoals die zich in de vorige eeuw hebben voorgedaan in het vorstendom Wasquelham, bevattende de onthullingen over de vreemde macht van een zekere Rosa, die zonder het te weten de ongelukkigste mannen de grootste zaligheid schonk.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden