Mad Scientists op het witte doek: geboefte om van te houden

Doorgedraaide wetenschappers: altijd griezelen. Voor je 't weet, knutselen ze iets in elkaar dat kan lopen.

Dr. Emmett Brown uit Back to the Future

Arrghh! Zo klinkt doorgaans de laatste kreet van een gek geworden wetenschapper, als hij - tegelijk met zijn diabolische vinding - ten onder gaat. Wat je noemt: entertainment. Weliswaar geven mad scientists de beroepsgroep een slechte naam, maar juist daarom houden we zo van ze. Vaststaat dat ze behoren tot het beste geboefte uit de filmgeschiedenis. De Middeleeuwen kenden hun alchemisten. Sinds de industriële revolutie draait het om science. Ze doken op in de griezelverhalen van Mary Shelley, H.G. Wells en Edgar Allen Poe, om er een paar te noemen, en maakten daarna moeiteloos de overstap naar het celluloid.

Zeker van een plaats in de Hall of Fame zijn:

- De briljante, maar obsessieve Dr. Victor Frankenstein (1931)

- Herr Doktor Rotwang uit Metropolis - bouwer van de Maria-robot (1927)

- De hypnotiserende Dr. Caligari uit Das Kabinett des Dr. Caligari (1920)

- Dr. Moreau op zijn The Island of..., waar hij mensen met dieren kloont (1932)

- Dr. Morbius op zijn Forbidden Planet (1956)

- Dr. Jack Griffin uit The Invisible Man (1933)

Zij zijn de klassiekers, en wij, in de Lage Landen, hadden direct na de oorlog dan weer veel te stellen met de malicieuze professor Lupardi, de slechterik uit Kapitein Rob.

Ook in de nieuwe Marvel Comics-sciencefiction-superheldenfilm Deadpool keert het archetype van de gek geworden wetenschapper terug. Dan hebben we het over de kwade genius Ajax, een sadistische scientist. Toen hij nog Francis heette, leerde deze mutant het vak bij Dr. Emrys Killebrew, specialiteit: genetica. Diens laboratorium The Workshop bestaat nog steeds. En het is daar, in die smoezelige bunker, dat hoofdpersoon Wade Wilson wordt omgebouwd tot actieheld Deadpool.

Zoals het verhaaltje wil: Wade Wilson is een geheim agent die voor meerdere overheidsorganisaties werkte, voordat hij gediagnosticeerd werd met terminale kanker. Een aanbod van The Workshop kan hij dan ook niet afslaan, zodra handlanger Recruiter hem in de film toelispelt: 'Wat als ik zeg dat wij je beter kunnen maken? Je bent een vechter. We kunnen je capaciteiten geven waar de meeste mannen alleen maar van dromen. Een superheld van je brouwen.'

Ryan Reynolds als Deadpool in de gelijknamige film.

Verknipt

Wade Wilson stemt toe, metamorfoseert tot Deadpool, maar omdat er van alles misgaat, komt hij er behoorlijk verknipt uit. Meer bewijs dat gewone stervelingen heel voorzichtig moeten zijn in de omgang met mad scientists. In de verhalen verbeelden ze allemaal de megalomane herscheppers van de biologische en natuurkundige werkelijkheid om ons heen: ze wanen zich beter dan God.

Over de culturele betekenis van de mad scientist zijn heel wat studies geschreven. Een van de aardigste is die van Christopher Frayling, tot voor kort rector aan de Royal College of Art in Londen, en een autoriteit inzake populaire cultuur: Mad, Bad and Dangerous - The scientist and the cinema. Op de cover zien we Herr Doktor Rotwang in zijn borrelende Metropolis-lab aan het werk, en zijn krankzinnige oogopslag belooft niet veel goeds. Binnenin trekt Frayling tal van wederwaardigheden uit de kast.

In cijfers uitgedrukt: in de periode 1931-1984 werden meer dan duizend griezelfilms in Groot-Brittannië uitgebracht. De boeven in die films bestonden voor 41 procent uit gek geworden wetenschappers en/of hun gedrochten van creaties. Dat zijn dus sowieso al 410 exemplaren. En het overige geboefte? Hij telde 11 procent aan 'natuurlijke dreigingen', zoals vulkaanuitbarstingen, aardbevingen en overstromingen. De rest was een amalgaam van seksueel gedreven psychoten, de meer alledaagse seriemoordenaars en, zeg, machtswellustelingen op zoek naar wereldheerschappij.

Wat ook opvallend is: mad scientists voelen de tijdgeest buitengewoon goed aan. Zo worden ze natuurlijk door hun scenaristen geschreven. Altijd vormen de mad scientistst een afspiegeling van onze eigen angsten. In de griezelfilms uit de jaren twintig gingen ze aan de slag met gifgas, een echo uit de Eerste Wereldoorlog. Eind jaren vijftig, begin jaren zestig drong de vrees voor de atoombom zich op. Denk aan Peter Sellers'creatie Dr. Strangelove. Vandaag draait het om genetische manipulatie, geknoei met virussen, alsook artificiële intelligentie: recentelijk Ex Machina.

Professor Lupardi: 'De westerse wereld kan overstromen. De westerse wereld kan veranderen in een woestijn. Als ik dat wil. Allemaal van mij! Van mij!'

Niemand is beter dan God

Sciencefiction, altijd actueel, dat is een wet. Een andere wet is dat De Schepping uiteindelijk altijd zal opstaan tegen zijn Schepper, die hybris van de wetenschapper moet een kopje kleiner worden gemaakt. Daar valt eenvoudig een van oorsprong christelijk motief in te herkennen: niemand is beter dan God. Aan die dialectiek ontleent de horrorfilm zijn suspense.

Goed, heel soms zit er ook weleens een sympathieke wetenschapper tussen. Over Dr. Emmett Brown uit Back to the Future (Robert Zemeckis, 1985) verder geen klachten. Alhoewel? Realiseren we ons wel dat hij zijn tijdmachine voedt met plutonium dat hij van Libische terroristen heeft afgetroggeld? Dat werpt een heel ander licht op de zaak: ook Dr. Brown is gestoord.

En het zit diep hoor, dat archetype. De antropologe Margaret Mead startte in 1957 een onderzoek naar het beeld onder Amerikaanse schoolkinderen van scientists, en vijfentwintig jaar later deed psycholoog David Wade Chambers het nog eens dunnetjes over. De opdracht aan de schoolkinderen luidde: 'Teken een wetenschapper' - en dit waren de clichés waarvan zij zich bedienden:

- Stofjas (wit)

- Zware hoornen bril (zwart)

- Haar danig in de war

- Baard, snor, of ongeschoren

- Omringd door reageerbuizen en branders

- Imposante boekenkast

- Spreekt in termen van 'Eureka!' en bezigt onbegrijpelijke formules

Dit had, kort gezegd, een politie-opsporingsbericht voor Albert Einstein kunnen zijn. In voorkomen een vriendelijke oom, maar ergens vermoeden we zélfs achter duivelskunstenaar Einstein een soort Jekyll/Hyde.

Dat christelijke motief van 'Niemand is beter dan God' is in onze tijd wat naar de achtergrond geduwd, het gehakketak rond het stamcelonderzoek niet te na gesproken. Alledaagse filmfans herkennen in de gek geworden wetenschapper een fijn personage om mee te griezelen: hoe gevaarlijker, hoe uitzinniger, hoe beter.

Een van de meest existentiële films binnen dit genre is The Fly. Bedoeld wordt niet de remake van griezelkoning David Cronenberg uit 1986, maar de oorspronkelijke versie uit 1958 van de Duitse Hollywood-emigré Kurt Neumann. Daar is nog wel aan te komen, op dvd.

Hoofdpersoon is André Delambre (David 'Al' Hedison), hij is in zijn geheime kelderdomein te Montreal, Canada druk met het ontwikkelen van een materietransporter. Door de atomen los te trillen in zijn helse machine (die nog het meest lijkt op een hedendaagse magnetron), kan hij objecten van A naar B verplaatsen. Een revolutionair idee met oneindige mogelijkheden - zo houdt hij zijn mooie vrouw Helène (Patricia Owens) voor. Hij toont haar hoe hij een kat (die zoek raakt), een hamster en een fles champagne kan verzenden naar de volgende kelderruimte, en vervolgens roept hij in haar afwezigheid zichzelf uit tot proefkonijn.

Dr. Emmett Brown (euforisch als zijn sportwagen in Back to the Future als tijdmachine aanslaat): 'Het werkt! Het werkt! Ik heb eindelijk iets uitgevonden dat werkt!'

Is dit vooruitgang?

Geen goed plan, dat spreekt. Tijdens het verzenden bevindt zich ook een bromvlieg in de materietransporter, en diens atomen worden al evenzeer losgetrild. De uitkomst is verschrikkelijk. De professor eindigt in de volgende ruimte met een buitenproportionele vliegenkop, zijn eigen hoofd bevindt zich in mini-vorm op de bromvlieg. Is dit vooruitgang?

Om zijn vrouw de schok te besparen loopt hij met een laken over zijn hoofd, maar zijn harige linkervliegenpoot verraadt hem evenzogoed wel. Na een paar dagen van interne worsteling besluit Delambre: dit kan hij de mensheid niet aandoen. In opperste wanhoop vernietigt hij zijn machine en verbrandt zijn formules, en vraagt zijn vrouw om assistentie bij zijn zelfmoord. Hij legt zijn vliegenkop onder de gigantische staalpers in de fabriek van zijn broer, en zij moet op de rode knop drukken. Uit pure liefde doet zij dat, hoewel het haar tot verdachte van moord zal maken.

Krak!

Aanvankelijk gelooft de politie haar verhaal niet. Dan duikt de vlieg met het hoofd van haar man in een spinnenweb op. 'Help! Help!' kun je hem horen piepen, zodra de spin verlekkerd op hem afloopt. De verbijsterde inspecteur ziet het ook gebeuren en met een kei doodt hij de spin én de bromvlieg, bij wijze van genadeschot. Echt een film uit het atoomangsttijdperk dit, we liepen allemaal de kans om mutant te worden.

Nieuw leven uit corpora scheppen, onzichtbaar worden, materietransport, tijdreizen, wraak op de mensheid as such, ze zijn er maar druk mee, die gek geworden wetenschappers. Iedere film heeft een goede bad guy nodig, maar bovenal staan ze in hun witte jas natuurlijk model voor het alfa-wantrouwen jegens die onbegrijpelijke bètawereld, verstrikt in een faustiaans pact als wetenschappers altijd weer lijken te zijn.

Dr. Frankenstein: 'Kijk! Het beweegt! Het leeft! HET LEEFT! Nu weet ik hoe het voelt om God te zijn!' (als zijn uit stoffelijke overschotten gemaakte monster tot leven komt.)

We vertrouwen ze niet

We snappen ze niet. En daarom vertrouwen we ze niet. Of is er iemand binnen de alfa-wereld die wel precies kan uitleggen hoe de Large Hadron Collider (LHC), de monumentale ondergrondse deeltjesversneller nabij Genève, precies werkt? Laat staan dat we alles begrijpen over zwaartekrachtsgolven en zwarte gaten, een moedige uitlegpoging als de film Interstellar (Christopher Nolan, 2014) daargelaten.

Zolang de werkelijkheid om ons heen steeds complexer wordt, gaat de mad scientist binnen de filmwereld een grote toekomst tegemoet. Zélfs als de meeste van hun experimenten apekool blijken: de levende dino's van geneticus Dr. Henry Wu uit Jurassic Park (Steven Spielberg, 1993) zijn vooralsnog niet in het écht gesignaleerd.

Maar juich niet te vroeg. Eén van hun experimenten lijkt te slagen: na decennia van onderdrukking en ridiculisering zijn de wiskundemeisjes en natuurkundejongens sterk in opkomst. Je komt ze tegen bij DWDD, of in het café, alwaar ze op luide toon maar doorratelen over computers, speciale effecten in speelfilms, de schoonheid van technologie, de nieuwste gadgets op het mobieltje, de intrige van de kwantummechanica, alsmede de voordelen van het hebben van een bètabrein.

Straks zijn ze in de meerderheid. Dan zie je geen gek geworden wetenschappers op het scherm meer. Dan vragen ze aan schoolkinderen: 'Teken jij nou eens zo'n typische alfa.' Vervolgens maken de geeks een speelfilm over ons. Arrghh!

Dr. Nathan Bateman in Ex Machina: 'Je bevindt je in het middelpunt van het grootste wetenschappelijke evenement in de geschiedenis van de mensheid.'

Marvel op film

Met Deadpool krijgt de volgende protagonist uit het omvangrijke Marvel Comics stripuniversum zijn eigen speelfilm. Figuren als Captain America, Spider-Man, X-Men, The Fantastic Four, The Hulk, The Avengers, Iron Man en Wolverine gingen hem voor. Het personage van Deadpool dook eerder al op in X-Men Origins: Wolverine (2009), gespeeld door dezelfde acteur Ryan Reynolds. Ook vinden we Deadpool terug als bijfiguur in de animatiefilm Hulk versus Wolverine (2011).


Ontvang elke dag de Volkskrant Avond Nieuwsbrief in uw mailbox, met het nieuws van vandaag, tv-tips voor vanavond, en alvast zes artikelen uit de krant van morgen. Schrijf u hier in.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden