Macht is pervers en onbestendig

De Romeinse dichter Ovidius (43 v. Chr. - 17 na Chr.) raakte door zijn meesterwerk Metamorfosen uit de gratie bij keizer Augustus....

Alles verandert, niets is bestendig. Dat is een platitude van de eerste orde, ten eerste omdat een kind kan zien dat het waar is, ten tweede omdat er geen mens is die het niet bij tijd en wijle betreurt.

Toch is de uitspraak in zoverre onwaar dat er ook iets bestendigs moet zijn om de verandering aan af te lezen. We gaan ervan uit dat er een min of meer onveranderlijk, of ten minste zeer traag veranderend, decor bestaat, ten opzichte waarvan zich gebeurtenissen afspelen. De natuurwetten, het landschap, de taal, het onderscheid tussen dode en levende materie, de identiteit van een mens worden in het dagelijks leven meestal als stabiel beschouwd, in tegenstelling tot meteorologische verschijnselen, emoties en fundamentele gebeurtenissen als geboren worden en sterven.

De afgelopen eeuw zijn helaas alle zekerheden op de helling gegaan. Het heelal is geen ding maar een proces, diersoorten evolueren, klimaten raken op drift, het subject berust op een illusie en nationale identiteit blijkt problematisch. Daar komt bij dat we in staat zijn gebleken in te grijpen in de natuur, niet meer alleen door dijken te bouwen en penicilline uit te vinden, maar ook door mannen om te bouwen tot vrouwen, door genetische codes te kraken, levende wezens te klonen en denkwerk uit te besteden aan machines.

Dat niets bestendig is roept daarom behalve melancholie ook angst op, en fascinatie. Zijn we goden geworden die aan de schepping kunnen sleutelen, onszelf incluis? Of zijn we tovenaarsleerlingen die de consequenties van onze trucs niet overzien?

Het is niet verwonderlijk dat het vijftien boeken tellende gedicht Metamorfosen van Ovidius dezer dagen veel gelezen wordt. De briljante dichter schreef het omstreeks het begin van onze jaartelling, in een periode waarin het Romeinse Rijk onder leiding van keizer Augustus een enorme facelift onderging. De eerste eeuw voor Christus werd gekenmerkt door burgeroorlogen, slavenopstanden, economische chaos en ideologische conflicten. De elite was Grieks gaan lezen en begon uitheemse kunst te verzamelen, filosofen tornden aan traditionele levensbeschouwingen, provincies werden geromaniseerd, vrouwen trachtten zich aan het patriarchaal keurslijf te ontworstelen, de exotische vorstin Cleopatra palmde eerst Caesar en daarna Marcus Antonius in.

Toen Augustus in 30 v. Chr. definitief zijn militaire dictatuur vestigde, stelde hij energiek orde op zaken, niet alleen door alle belangrijke benoemingen naar zich toe te trekken en het openbaar bestuur te professionaliseren, maar ook door kinderbijslag in te voeren en wetten tegen overspel uit te vaardigen. De augusteïsche ideologie werd ondersteund door het herstel van religieuze gebouwen en instituties, een ruimhartig mecenaat van kunst en literatuur en de stichting van een openbare bibliotheek. Daar staat tegenover dat ook de eerste boekverbranding in deze periode plaatsvond.

In de eerste jaren van zijn dichterschap legt Ovidius zich toe op het schrijven van frivole, hoogst amorele erotische poëzie. De bundel Amores is gewijd aan een luchtige liaison met een wispelturige courtisane, de Ars amatoria is een handboek voor de minnaar, en als zodanig een geestige parodie op het genre van het leerdicht, en in de Heroïdes richten mythische vrouwen als Penelope en Ariadne zich tot hun onbetrouwbare geliefden. Weliswaar gaat de teneur van deze boeken in tegen het moreel reveil van Augustus, de toon ervan is te vrolijk om weerstand op te roepen. Er wordt vaak van uitgegaan dat Ovidius zijn verbanning in 8 n. Chr. aan de Ars amatoria te danken heeft, maar vermoedelijk had de keizer voldoende gevoel voor humor om zich niet op te winden over literaire grapjes.

Pas met de Metamorfosen, Ovidius’ magnum opus, wordt de ideologie van het nieuwe bewind ondermijnd. De dichter laat zien dat niets is wat het lijkt en dat alle macht pervers én vergankelijk is, ook al doen machthebbers hun uiterste best alles wat beweeglijk en ongrijpbaar is te fixeren en te beheersen. Daarover gaan de ruwweg tweehonderdvijftig verhaaltjes waaruit het werk bestaat. Wat bestendig zou moeten zijn, verandert van gedaante, wat beweeglijk is, verstart. Ovidius is een cynisch en subversief dichter.

Het gedicht begint met een wonderlijke Genesis: ‘Voordat er zee of land was en een lucht die alles toedekt,/ bestond er slechts één aanschijn der natuur in dit heelal./ Men sprak van Chaos, een primaire ongevormde massa,/ niet anders dan een bonk gewicht, een samenraapsel van/ slordige kiemen van niet goed gecombineerde dingen.’

Men sprak – wie zijn die sprekers? Geleerden die aan de wieg van een krankzinnig experiment staan? De laatst geciteerde regel luidt in het Latijn: ‘non bene iunctarum discordia semina rerum’: conflicterende zaden van niet goed samengevoegde zaken. De maakbare chaos vraagt om een kundig ingenieur, en het woord ‘discordia’ roept bij Romeinse lezers zonder twijfel de burgeroorlogen in herinnering. Wanneer in het vervolg de god die de kosmos vormt in staatkundige bewoordingen beschreven wordt, komt het vermoeden op dat de Metamorfosen, rijk en meerduidig als het werk is, zeker óók als politieke allegorie gelezen kunnen worden.

De goden die vooral in de eerste helft van het gedicht alle actie bepalen, zijn meedogenloze verkrachters, jaloerse echtelieden of gefrustreerde maagden. Zij maken hun slachtoffers monddood door hen te transformeren tot dieren, bomen, rotsen of bronnen. Actaeon vangt per ongeluk een glimp op van de naakte Diana, verandert in een hert en wordt door zijn eigen jachthonden verscheurd. De vrijgevochten dochters van Propoetis geloven niet in Venus, worden door de lichtgeraakte godin veroordeeld tot een kil bestaan in de prostitutie en verharden geleidelijk tot steen. Jupiter bedankt Philemon en Baucis voor hun gastvrijheid door hen in bomen te veranderen.

Ovidius vertelt het allemaal in een hoog tempo, alsof hij geen zin heeft bij de implicaties van al die gruwelen stil te staan, maar de olijke virtuositeit zou weleens een bittere boodschap kunnen verbloemen. De wereld is een onherbergzaam oord, zij die het voor het zeggen hebben kennen geen scrupules, schoonheid en orde vormen een fraaie façade voor chaos, repressie en verrotting.

In het elfde boek wordt Orpheus, die de dichtkunst symboliseert, door razende Bacchanten verscheurd. Zijn hoofd spoelt aan op het eiland Lesbos, maar zwijgt niet. De poëzie is onuitroeibaar. Ook nu. Piet Gerbrandy

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden