Boekrecensie Machines like me

Machines like me bevat fascinerende thematiek met robot Adam in de hoofdrol ★★★★☆

De Britse schrijver Ian McEwan zwerft met verve van genre naar genre. Zijn nieuwste roman is een knipoog naar de sciencefiction. Wat onderscheidt robot Adam van de mens?

Omslag van Machines Like Me van Ian McEwan.

Ian McEwan: Machines Like Me

Jonathan Cape; import Van Ditmar; 308 pagina; € 18,95.

In mei verschijnt Machines zoals ik, vertaald door Rien Verhoef

De Harmonie; 416 pagina’s; € 24,90.

Er zijn in het bijna 45 jaar oude schrijverschap van Ian McEwan verschillende fasen te onderscheiden. Daarbij is zijn werk gaandeweg steeds meer dimensies gaan krijgen. In zijn vroege boeken betoonde hij zich vooral gefascineerd door het exploreren van de extremiteiten en absurditeiten van het bestaan.

Die fascinatie is nooit verdwenen, maar kreeg vanaf The Child in Time (1987) een diepere resonantie, doordat ze veel meer dan in het vroege werk vergezeld ging van een oprechte empathie met de menselijke kwetsbaarheid. Onderzoek naar de vraag hoe de mens omgaat met de gruwelijkheden die hem overkomen, werd daarbij belangrijker dan die gruwelijkheden zelf. Hoewel altijd voorzien van een doordachte plot, werden McEwans romans vooral bespiegelingen over morele vraagstukken.

Hoogtepunt daarin was Atonement (2001), waarin de jeugdige vertelster Briony, gedreven door een giftige combinatie van moedwil en misverstand, het leven van de enkele jaren oudere Robbie verwoest. En daar de rest van haar leven mee in het reine probeert te komen.

In de boeken die volgden, is McEwan die belangstelling voor het grondig uitdiepen van morele kwesties gaan combineren met actuele maatschappelijke thema’s. Zo speelde in Saturday (2005) de vraag of Groot-Brittannië moest deelnemen aan de Golfoorlog een rol van betekenis, en stond in Solar (2010) de klimaatproblematiek centraal.

Straatrumoer was overigens al een geregeld terugkerend element in McEwans romans: van de Koude Oorlog in The Innocent (1991) en Black Dogs (1992) tot de pre-thatcheriaanse crisisjaren zeventig in Sweet Tooth (2014).

McEwans nieuwe roman Machines Like Me past logisch in de ontwikkeling van zijn schrijverschap. Het boek handelt over de uitdagingen die gepaard gaan met de opkomst van kunstmatige intelligentie. Machines Like Me is gesitueerd in de vroege jaren tachtig, maar het wordt de lezer al snel duidelijk dat dit de jaren tachtig van een soort parallel universum moeten zijn.

In 1982 zijn de Beatles na twaalf jaar eindelijk weer bij elkaar. De Britse Task Force heeft bij de Falkland Eilanden een vernietigende nederlaag geleden. Zelfrijdende auto’s zijn de gewoonste zaak van de wereld. De man die de vernederde Margaret Thatcher als premier heeft opgevolgd, Tony Benn, meent dat het Verenigd Koninkrijk hoognodig de EU moet verlaten. Een referendum daarover vindt hij echter een slecht idee. ‘Alleen in het Derde Rijk en andere tirannieën werden politieke beslissingen genomen op basis van volksstemmingen en over het algemeen leidden ze tot weinig goeds.’

Ian McEwan Beeld Leonie Bos

Deze eigenzinnige versie van de recente geschiedenis komt tot ons via verteller Charlie Friend, die als 32-jarige nog altijd niet zijn draai in het leven heeft gevonden. Hij woont in een schurftig flatje in Zuid-Londen en schraapt een karig inkomen bijeen via valutahandel op internet.

Als hij na het overlijden van zijn moeder een erfenis ontvangt, besluit hij die aan te wenden voor de aanschaf van de nieuwste verworvenheid op het gebied van kunstmatige intelligentie: een zeer geavanceerde, nauwelijks van mensen te onderscheiden robot. Er zijn er 25 op de markt gebracht: 13 vrouwelijke modellen die ‘Eva’ heten en 12 mannelijke genaamd ‘Adam’. Charlie vist achter het net wat de Eva’s betreft, maar wordt voor 86 duizend pond de gelukkige eigenaar van een Adam. De ontwikkeling van de Adams en Eva’s is mede mogelijk geworden dankzij de geweldige bijdragen aan kunstmatige intelligentie van Alan Turing (1912-1954), inmiddels een gerespecteerde éminence grise (en gek op Hollandse jenever).

Het is de taak van de nieuwe eigenaars hun robot zelf van input te voorzien en zo diens eigenschappen te bepalen. Charlie en Miranda, die al snel een relatie krijgen, nemen deze taak gezamenlijk ter hand. In wat aanvankelijk niet meer dan een terloopse subplot lijkt, krijgen de twee bovendien steeds meer de zorg over het getroebleerde 4-jarige jongetje Mark.

Net als Yuval Noah Hariri in Homo Deus stelt McEwan in deze roman de vraag of er onderscheid kan worden gemaakt tussen menselijke en kunstmatige intelligentie, en zo ja, waar dit dan uit bestaat. Het thema komt op hilarische wijze aan de orde wanneer blijkt dat Miranda ‘vreemd’ is gegaan met Adam en Charlie ‘de geur van warme elektronica’ in haar lakens ruikt. Vertwijfeld constateert Charlie dat hij de eerste mens moet zijn die is belazerd door een machine. Adam verdedigt zich met het argument dat hij ‘nu eenmaal is gemaakt om van Miranda te houden’. Deze al te menselijke uitspraak dient letterlijk te worden opgevat: als onderdeel van haar input heeft Miranda de robot geïnstrueerd tot ruimhartige genegenheid. Hij gaat zelfs haiku’s voor haar schrijven.

Zijn ‘gevoelens’ weerhouden Adam er overigens niet van Charlie te waarschuwen voor een duistere gebeurtenis uit Miranda’s verleden waarover zij niet de waarheid spreekt. Wanneer Charlie haar hiermee confronteert, komt Miranda met een getrapte reeks onthullingen. De wijze waarop Charlie en Miranda enerzijds en Adam anderzijds met de onthulde feiten omgaan, leiden uiteindelijk tot de confrontatie die de kern van deze roman vormt.

De aard van deze confrontatie wordt door McEwan zorgvuldig voorbereid. Het motto, ontleend aan Kiplings gedicht ‘The Secret of Machines’, stelt: ‘Wij zijn niet gemaakt om een leugen te begrijpen’. Het concept van de onwaarheid als sociaal smeermiddel, de leugen om bestwil die gezichten redt en voorkomt dat zaken nodeloos uit de hand lopen, het idee, kortom, dat de waarheid niet altijd in alle omstandigheden het hoogste goed is, vooronderstelt een denkwijze die kennelijk typisch en exclusief menselijk is, zelf in het futuristische jaar 1982.

Het parallelle 1982 uit Machines Like Me is overigens geen gratuite gimmick. Het is een dramatisering van het feit dat het menselijk denken en handelen niet altijd langs de banen der logica loopt. Dat toeval, willekeur, inconsistentie en andere storende elementen hun plaats opeisen. ‘Het heden is het fragielste van alle mogelijke constructies’, beseft Charlie.

Ian McEwan behoort niet tot de schrijvers die telkens hetzelfde boek schrijven. Van thriller (The Innocent) tot liefdesdrama (On Chesil Beach), van zwarte komedie (Amsterdam, Nutshell) tot literair-experimentele roman (Atonement, Sweet Tooth): hij zwerft met verve van genre naar genre, van onderwerp naar onderwerp. Met Machines Like Me voegt hij daar een knipoog naar de sciencefictionroman aan toe.

Terugkerend element in zijn beste werk is altijd weer dat borende onderzoek naar een ethische kwestie. Misschien is het geen toeval dat deze roman vol verwijzingen naar McEwans andere boeken lijkt te zitten. Dat opnieuw de kwetsbaarheid van kinderen – sinds The Child in Time een vertrouwd motief – een kernrol speelt. Dat de Task Force in deze roman langs het onheilszwangere Chesil Beach vaart, dat Miranda net als Briony (Atonement) uit wraak valse informatie de wereld in stuurt en dat net als in The Children Act een juridische kwestie centraal staat waarin ratio en emotie keihard conflicteren.

Dat Machines Like Me, ondanks zijn fascinerende thematiek en onmiskenbare verbeeldingskracht niet het niveau van McEwans allerbeste werk haalt, zit hem in de karakterisering. Charlie en Miranda zijn vooral nuttige pionnen in McEwans literaire schaakspel, geen complexe, fascinerende personages als Fiona Maye en Adam Henry (The Children Act), Edward en Florence (On Chesil Beach) en natuurlijk topcreatie Briony.

Eigenlijk is robot Adam het interessantste personage in deze roman. Dat weet McEwan zelf ook, en je hoort hem er tussen de regels door om grinniken. Maar jammer is het wel.

Ian McEwan: Machines zoals ik

Lees meer

Op allerlei manieren over boeken schrijven, daar is de boekenredactie van de Volkskrant de hele dag mee bezig. Maar hoe kiezen zij welke boeken uit het enorme aanbod worden behandeld, en hoe bepaal je wat goed en slecht is? Boekenchef Wilma de Rek: ‘Een roman is goed als je erin wilt blijven wonen.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.