Machines en emoties

Elkaar sparen of kastijden

Twee hypergevoelige mannen probeerden elkaar te overtuigen van hun genegenheid. In de vrijwel complete briefwisseling van Hermans en Kousbroek.

Jongenspraat, dat is het. Pagina's lang bespreken deze twee briefschrijvers stereoscopische diapositieven, camera's met instelbare lenzen, stoommachines, oude schrijfmachines, antieke radio's, klokken, vuurwapens en pin-ups - onderwerpen waarmee ze bij andere literaire collega's niet moeten aankomen. Verliefd schrijven ze over de prestaties van Morgan, Lotus, Facel Vega en Amilcar - geen vrouwen, maar elegante oude auto's, waarin de schrijvers met 170 km per uur tussen hun beider woonplaatsen Groningen en Parijs op en neer scheuren.

Het lijkt wel of ze elkaar het hof maken, Kousbroek en Hermans, twee superrationalisten, twee hypergevoelige mannen, die elkaar onhandig proberen te overtuigen van hun genegenheid. Ze geven elkaar voortdurend cadeautjes, boeken, vondsten van de vlooienmarkt, rare ansichtkaarten. Ze weten precies wat de ander graag krijgt: wat henzelf interesseert.

Willem Otterspeer, de biograaf van W.F. Hermans stuitte in zijn archief op deze 'goudmijn', een intensieve briefwisseling tussen de romanschrijver en de acht jaar jongere essayist, vrijwel compleet. De brieven geven een goed beeld van hun beider ontwikkeling, wat ze lazen en waarover ze zich opwonden. Deze twee 'exacte' jongens voelen zich duidelijk thuis bij elkaar.

In de tweede helft van de jaren zestig schrijven ze vaak wekelijks. Hermans is opvallend eerlijk.

Over zijn grote held Wittgenstein schrijft hij: 'Voor mij staat niet de vraag voorop: wat heeft W. bedoeld - maar in hoeverre past het in wat ik zelf denk.'

Ook met Ethel Portnoy, Kousbroeks eerste echtgenote, kan Hermans het goed vinden. Zij schrijven elkaar afzonderlijke brieven. Die van Portnoy zijn geestig, die van Hermans ontspannen en open. Met haar kan hij het hebben over trivia: westerns, Tarzan & Jane, spoken, Las Vegas. Portnoy doet wat niemand anders durft: ze uit argeloos kritiek op zijn werk. Het eerste stuk van Drie drama's, schrijft ze, 'went very much against the grain with me', maar 'Dutch comfort' vindt ze 'fabulous'. Hermans stelt haar kritiek op prijs.

De vriendschap is op zijn minst gelijkwaardig. Het is Hermans die diep teleurgesteld is als een gezamenlijk reisje of logeerpartij niet doorgaat: 'Ik was 1 september jarig en daardoor heeft het mij extra verdriet gedaan dat jullie niet konden komen.'

Toch zijn de verhoudingen duidelijk: Hermans is de grote schrijver, Kousbroek de stukjesschrijver die hem dient te bewonderen, niet alleen als vriend, maar ook publiekelijk. In november 1967 gaat het mis. Kousbroek had voor het Algemeen Handelsblad een stuk geschreven waarin hij Hermans verdedigt tegen een aanvallend stuk van K.L. Poll. Tamelijk moedig, want Poll was een van zijn broodheren. Het stuk wordt door Poll niet geplaatst. Hermans is woedend. Kousbroek schrijft mismoedig: 'Het heeft er iets van of ik mij moet verdedigen dat ik het voor je opgenomen heb.' Nog krachtiger: 'Als ik het gevoel moet hebben dat ik voortdurend moet bewijzen dat ik mijn leven voor je veil heb, dan moet het maar zonder.' In een interview met Pieter Kottman (NRC Handelsblad, 4 april 2009) zegt Kousbroek: 'Ik durfde geen kritiek te hebben. Dat kon niet bij hem.'

Het is Kousbroek die steeds de deur openhoudt, het is Hermans die hem dichtslaat: 'Blijf mij bewonderen, maar op afstand.' In 1969 is er nog een akkefietje over een niet helemaal juist Hermans-citaat van Kousbroek, over katten die ruiken naar 'pasgestoomde dekens'. Hermans' gezeur ontlokt Kousbroek een verbitterd commentaar: dat de buitenwereld, ook vrienden, bij Hermans 'onder een voortdurende verdenking' staan, 'de verdenking 'verraad' te willen plegen. Het is of je met argusogen let op elke handeling, een register bijhoudt van ieder woord, wachtend op het kleine detail dat het vermoeden tot zekerheid zal maken, waarmee de betrokkene zic

h verraadt, zich blootgeeft, de haast onopgemerkte anomalie die bewijst dat al het andere bedrog was.' Zelden heeft iemand Hermans' houding jegens de wereld zo treffend verwoord.

In maart 1970 wordt er een ernstiger vergrijp bijgeschreven in het register: Hermans verneemt dat Kousbroek over Weinreb heeft geschreven, 'in gunstige zin'. Friedrich Weinreb was de Joodse 'verzetsman' die volgens Renate Rubinstein en Aad Nuis vele Joden het leven zou hebben gered. Volgens Hermans was hij een oplichter die met de Duitsers collaboreerde - in 1976 zou een onderzoekscommissie Hermans in het gelijk stellen.

Kousbroek distantieerde zich van de figuur Weinreb, maar verdedigde diens visie op de bezettingsjaren. Voor Hermans was dat niet te scheiden. Bovendien was het onverteerbaar, dat Kousbroek hem in een artikel van 'bluf' beticht. Kousbroek op zijn beurt is gewond door Hermans' aantijging dat hij, in het jappenkamp, met plezier zou hebben toegekeken hoe zijn vader werd afgeranseld. De vriendschap is voorbij.

Eigenlijk zat de rot er al van meet af aan in. Het contact tussen Hermans en Kousbroek begon in 1955 met Kousbroeks bestelling van een exemplaar van Hermans' Mandarijnen op zwavelzuur II. In zijn eerste mandarijnenpamflet had Hermans gehakt gemaakt van de criminoloog J.B. Charles; waarop Kousbroek in Maatstaf weer kritiek had gehad. Hermans riep hem ter verantwoording, maar de kwestie werd nooit opgehelderd.

Het is een wonder dat deze vriendschap vijftien jaar standhield, en zo hartelijk was. Otterspeer interviewde Kousbroek voor deze bundel. Over de teloorgang van de vriendschap zegt Kousbroek: 'Je was eigenlijk altijd bang iets verkeerds te zeggen. Aan de andere kant had dat ook te maken met de wens hem te sparen, geen verdriet te doen.' Hij geeft ruiterlijk toe dat Hermans gelijk had in de Weinreb-affaire. Zijn dilemma was dat hij Renate Rubinstein, die in de oorlog haar vader had verloren, wilde ontzien. 'Tegelijk wist ik dat dit Wim niet was uit te leggen.'

Een man die iedereen wilde sparen en een man die iedereen, inclusief zichzelf, moest kastijden, dat kon op den duur niet goed gaan. Hermans zou, met zijn gelijk op zak, naar Parijs vertrekken en Kousbroek zou hem daar nooit opzoeken. Dankzij deze schitterende briefwisseling begrijpen we waarom.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden