MAAGDELIJK AFRIKA

Het gebouw is van een toparchitect, de verzameling van wereldniveau. Toch is er controverse over Musée Quai Branly, het dinsdag in Parijs geopende museum voor niet-westerse kunst....

Vuile vloeren, losliggende kabels, zagende werklieden en kunstwerken waarvan de uitleg met plakband is vastgemaakt – het viel niet mee om maandag tijdens de perspresentatie van het Musée du Quai Branly de historische dimensie van de gebeurtenis door de chaos van de bouwplaats heen te zien. Met nonchalance werd een project gepresenteerd, waaraan elf jaar is gewerkt.

Toch is die historische dimensie onmiskenbaar groot. Na de komst van het Centre Georges Pompidou in 1978 heeft Parijs er weer een even wonderlijk als modern museumgebouw bij. President Chirac die opdracht tot de bouw gaf, gunde architect Jean Nouvel de vrije hand. Diens ontwerp kun je waarderen of niet, indrukwekkend is het in ieder geval.

De grote, vierkante blokken, die geel, rood en bruin gekleurd uit het hoofdgebouw stulpen, trekken het eerst de aandacht. Dan valt op dat het museum deels zweeft – rode zuilen steken het zo’n tien meter in de lucht. Onder en om het gebouw is een tuin, waarvan de bomen nu nog jong zijn, maar die de indruk moeten gaan geven dat Quai Branly in een jungle ligt.

De natuur vormt de sleutel tot deze tempel van niet-westerse kunst. Neem de opgang, die de bezoeker vanuit de reusachtige, witte ontvangsthal naar de collectie brengt. Het parcours van dat brede, omhooglopende lint wekt de associatie met een meanderende rivier. Tientallen meters lang voert hij de bezoeker langs een glazen koker waarin tienduizend muziekinstrumenten staan. Dan openbaart zich een andere, donkerder wereld.

Het licht is gedempt, de kleuren bruin en donkerrood overheersen. De bezoeker raakt gedesoriënteerd, omdat zalen ontbreken. Ruimtes worden van elkaar gescheiden door metershoge, bruine bouwsels, waarin zitjes zijn om video’s en cd-roms te bekijken. Het middenschip heet rivier, de zijbeuken slangen, waarmee de natuurlijke vormen expliciet worden benoemd. De ene glazen zijkant van het gebouw is vol junglegroen, de andere biedt uitzicht op de Eiffeltoren.

Binnen is een fabuleuze collectie van 3500 voorwerpen, afkomstig uit Afrika, Azië, Oceanië en Amerika; de vier regio’s waarnaar het museum is ingedeeld. Om daarin wegwijs te worden, valt door de open architectuur niet mee. De rangschikking van de voorwerpen lijkt aan de grillen van de architect ondergeschikt te zijn gemaakt. Daar staat de hoge kwaliteit van de kunstvoorwerpen tegenover: de gehele collectie bestaat uit 300 duizend objecten, afkomstig uit twee musea (het vroegere Musée de l’Homme en het Musée des Arts de l’Afrique et de l’Océanie, die in Musée Branly zijn opgegaan), aangevuld met achtduizend aankopen. Alles staat op internet, de bezoeker krijgt een selectie die tot de wereldtop op dit gebied behoort.

Fabrice Bousteau, de hoofdredacteur van het gezaghebbende Beaux Arts Magazine, was sceptisch, toen Chirac – zelf groot liefhebber van etnografica – in 1995 bekendmaakte dat hij aan de presidentiële traditie van ‘Grands Travaux’ een museum voor niet-westerse kunst wilde voegen. ‘Maar voor een keer is hij erin geslaagd de goede beslissing te nemen. Hij heeft zich geplaatst in de traditie van presidentiële innovatie, zoals we die kennen met Centre Beaubourg en de piramide van het Louvre.’

Quai Branly komt volgens hem op niets minder dan een ‘herschrijving van de kunstgeschiedenis’ neer, omdat de topstukken uit Azië, Afrika, Amerika en Oceanië ‘door een museum van deze statuur volledig gelijk worden gesteld met de Venus van Miló of de Mona Lisa.’ Dat heeft lang geduurd, legt hij uit. De dichter Apollinaire hield al een eeuw geleden een pleidooi om ‘art nègre’, negerkunst, onder te brengen in een museum, dat op voet van gelijkheid met het Louvre moest komen. In 1947 dook dat zelfde idee op bij André Malraux, de schrijver, avonturier en minister van Cultuur van generaal De Gaulle. In zijn ‘gedroomde museum’ ruimde Malraux voor de niet-westerse kunst een gelijkwaardige plaats in. Maar het bleef bij woorden.

Vaart in de erkenning kwam er in 1990, toen kunstkenner- en handelaar Jacques Kerchache een door velen ondertekend manifest in het dagblad Libération publiceerde. Naar het voorbeeld van mensen noemde hij kunstwerken ‘vrij en gelijk’, waarmee hij vooral de emancipatie van de niet-westerse kunst op het oog had. Kerchache raakte in datzelfde jaar bevriend met Chirac. Die vertrouwde aan de kunsthandelaar de uitvoering van zijn Grote Werk toe.

Gezamenlijk weerstonden Kerchache en Chirac eind jaren negentig de kritiek van het museumestablishment. Zo verafschuwden de antropologen van het verstofte Musée de l’Homme de ‘puur esthetische’ benadering van ‘de handelaar’ Kerchache – ook omdat hun eigen museum dreigde te sneuvelen. Zonder uitleg van rituelen en gebruiken, zo beweerden de antropologen, zou het tentoon stellen van deze kunst zinledig zijn.

Ook het Louvre verzette zich tegen het voornemen van de president om een aparte afdeling voor de ‘arts premiers’ in het museum te maken bij wijze van voorproefje voor Quai Branly. Louvre-directeur Pierre Rosenberg zei er niets in te zien, omdat hij het als inferieure kunst beschouwde. Maar tegen het voornemen van Chirac viel niets uit te richten. In 2000 werd het Pavillon des Sessions in het Louvre in gebruik genomen.

Zes jaar later is er van het debat over de ‘esthetische’ versus de ‘antropologische’ benadering nauwelijks meer een spoor waar te nemen, constateert Fabrice Bousteau. ‘Het museum combineert beide benaderingen.’ Vooral in de tijdelijke exposities wordt voor de antropologische invalshoek gekozen. Bij de vaste collectie valt het accent meer op de esthetiek, maar bieden video’s en cd-rom’s antropologische context. Bousteau: ‘De directeur van Quai Branly, Stéphane Martin, is een handige, politieke strateeg. De polemiek is weggeëbd, de media zijn onverdeeld positief.’

Tegenover het enthousiasme van de gevestigde kunstorde staat de scepsis van een groep Afrikaanse kunstenaars in Parijs. ‘Mensen zonder geschiedenis?’, luidt de titel van de nieuwe tentoonstelling van het ‘musée des Arts Derniers’. Die wordt tegelijk met Quai Branly geopend. ‘Ja, het is een commentaar op het project van Chirac’, beaamt Olivier Sultan, kunstenaar en directeur van het ‘museum van de laatste kunsten’. Dat blijkt een galerie voor moderne kunst van Afrikaanse kunstenaars te zijn. Sultan, een lankmoedige veertiger die lang in Zimbabwe woonde, somt een reeks bezwaren tegen Quai Branly op.

De verbinding die Jean Nouvel met de natuur aanbrengt, plaatst Afrikaanse kunst ‘weer terug in het clichébeeld van het verloren paradijs, van het ongerepte, maagdelijke Afrika dat geen verleden heeft gekend.’ Daarin zit de pijn, want de geschiedenis is die van de kolonisatie. Aangezien 80 procent van de voorwerpen in Quai Branly in die periode zijn verworven, kun je daar niet omheen, vindt Sultan. ‘Dat is een gewelddadige geschiedenis, maar daar geeft dit museum zich geen rekenschap van. Het wordt simpelweg ontkend.’

De a-historische benadering die bij primitieve kunst tamelijk gangbaar is, wekt zijn weerzin: ‘Je vindt er Nigeriaanse Nok-beelden van voor de jaartelling naast werken van nog levende aboriginals. Alsof de tijd er voor onze continenten niet toe doet!’ Hij vermoedt een streven naar ‘vergeving’ bij Chirac. ‘Met zijn steun aan allerlei dictators in Afrika heeft hij vuile handen gemaakt. Nu, aan het einde van zijn leven, vindt hij het maagdelijke Afrika uit, toen het nog niet door Frankrijk was besmeurd’, zo psychologiseert hij. Met een twintigtal kunstenaars verzet hij zich daartegen.

Dat Afrikaanse kunst dankzij Quai Branly erkenning ten deel valt, is op zichzelf mooi, wil hij wel toegeven. Ook tegen de politieke doelstellingen, die Chirac met zijn museum voor ogen heeft, kan hij geen bezwaar maken. ‘De dialoog tussen de culturen’, zegt Chirac te willen. Ook hoopt hij dat het westerse publiek door contact met andere culturen minder geneigd is de theorie van ‘een botsing van beschavingen’ aan te hangen.

Maar die punten van overeenstemming met Chirac nemen het kernprobleem voor Sultan en de zijnen niet weg. ‘Het grootste probleem voor ons is dat wij almaar tot “Afrikaanse” kunstenaars worden bestempeld. Wij willen de volgende stap zetten en puur als kunstenaars worden erkend, ongeacht onze achtergrond. We willen niet in een nieuw getto belanden.’ Tenslotte verwijt hij Quai Branly ‘veel te weinig’ experts ter plekke te hebben geraadpleegd, waardoor het vooral een ‘blanke mannen’-project is gebleven.

‘Nu ja, het is een museum in Parijs dat door Fransen is gemaakt’, verweert Germain Viatte zich tegen die kritiek. De oud-directeur van het Centre Pompidou heeft de afgelopen zeven jaar aan de inrichting van Quai Branly gewijd en zegt ‘veel met Afrikanen te hebben gesproken. Maar de kennis over de collectie zit natuurlijk hier’. Van de verdere kritiek is hij niet onder de indruk: ‘Wij geven ons wel degelijk rekenschap van de geschiedenis, kijkt u maar goed’, zegt hij, verwijzend naar de video’s en cd-rom’s bij de collectie. Bij de inrichting heeft hij zich laten inspireren door Deense en Nederlandse musea, ‘met name het Tropenmuseum in Amsterdam en Volkenkunde in Leiden’, die volgens hem ‘goed hebben nagedacht over het postkoloniale tijdperk.’ In de ogen van Viatte is het zaak om ‘voorbij de oude confrontatie tussen kolonisator en gekoloniseerde te komen’. Niet door de geschiedenis te ontkennen, ‘maar het is niet onze taak om te zeggen wat goed en fout is. Wij moeten aangeven hoe het is geweest en ons niet door schuldgevoelens laten leiden.’

Met Chirac gelooft Viatte dat Quai Branly een maatschappelijke functie kan vervullen. Het museum gaat scholieren uit de voorsteden binnenhalen. ‘Die zijn vaak misprijzend over de cultuur waaruit hun ouders voort komen. Voor hen is het goed te zien dat er kunst van uitzonderlijke kwaliteit door hun voorouders is gemaakt. Dat kan een zekere trots teweegbrengen.’

De Nederlandse conservator van de historische collectie van Quai Branly, Nanette Snoep, is het met de visie van Viatte oneens. Zij geeft volmondig toe dat de koloniale geschiedenis wel degelijk is verduisterd. Met vage teksten als ‘achter ieder object in het museum verbergt zich een menselijk avontuur’ wordt het zicht op dat verleden ontnomen. ‘We hebben het wel geprobeerd, maar het was nu nog echt onmogelijk om daar op in te gaan. Dit is een presidentieel project, dus elk risico is vermeden. Van de kant van de museumdirectie is er van grote politieke druk sprake geweest om te voorkomen dat er iets kritisch zou worden gezegd.’

Bij de verbinding die Jean Nouvel met de natuur en met ‘onze fantasie over donker Afrika’ legt, heeft ook zij zo haar bedenkingen. Niettemin is ze enthousiast over wat er sinds 1999, toen ze bij Quai Branly kwam werken, tot stand is gebracht. ‘Het is een verrassend, labyrintisch gebouw geworden. Zelfs ik raak er nog wel eens de weg kwijt.’

Bovenal vindt zij het ‘fantastisch’ dat er voldoende geld beschikbaar was om circa 300 duizend kunstvoorwerpen niet alleen te restaureren en te catalogiseren, maar ook te digitaliseren: ‘Iedere onderzoeker in Afrika kan nu onze complete collectie bekijken.’ Wat de Franse koloniale geschiedenis betreft, hoopt zij in komende exposities daar meer aan te kunnen doen. Die ruimte komt wel, verwacht ze. ‘Over een jaar is deze directie wel weg. Die mensen gaan door naar een volgend project. Dan hoeft het toezicht niet meer zo scherp te zijn.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden