BeschouwingDeskundigen aan de macht

Luisteren we in de coronacrisis niet naar een te klein groepje deskundigen?

Beeld Claudie de Cleen

Wat experts zeggen is voor de regering leidend. Fijn, vond Volkskrant-journalist Kustaw Bessems, tot hij hun redeneringen niet meer kon volgen, en zelfs onenigheid zag. Hij wil graag méér stemmen horen. 

Dat ik het nog eens geruststellend zou vinden dat de regering een app verkent die in de gaten gaat houden of ik anderen besmet met een virus. Of zij mij. Tot voor kort had ik op mijn achterste benen gestaan, verontwaardigd over de opdringerige staat. Nu vind ik het hoopgevend.

Niet omdat ik per se alle heil verwacht van de app. De bezwaren zijn bekend: hij werkt alleen in combinatie met grootschalig testen en de tests zijn vooralsnog niet zo betrouwbaar als je zou willen. En gaat het wel lukken om een app te bouwen die onze privacy voldoende eerbiedigt? De opluchting zit hem erin dat het kabinet met zo’n grotesk plan erkent in welke extreme en tot nu toe behoorlijk uitzichtloze situatie we zitten. En dat bij het denken over oplossingen alles is geoorloofd.

Het kabinet lijkt hiermee ook meer een eigen koers te gaan varen. Het RIVM was, evenals leden van het daaraan gekoppelde Outbreak Management Team, tot voor kort nog zeer sceptisch over het beleid van testen en traceren met een app. En onze politieke bestuurders leken de laatste tijd wel erg verworden tot woordvoerders van ‘de deskundigen’.

Wilt u dit artikel liever beluisteren? Hieronder staat de door Blendle voorgelezen versie

Werd er de afgelopen maanden niet een beetje te veel naar deskundigen geluisterd? Dat wilde ik niet denken. Dat durfde ik niet goed te denken. Maar de vrees bekroop me wel, terwijl ik maniakaal het nieuws volgde. Een gewoonte die vroeger gold als journalistentrekje, maar die ik nu met de rest van de wereld deelde.

Het is goed om te zeggen dat ik doorgaans groot vertrouwen heb in de wetenschap. Voeding, het klimaat, vaccineren: de laatste stand van de wetenschap beschouw ik als de geldende waarheid tot er nieuwe, betere inzichten zijn. Een alternatief zie ik niet. Wat me in het geval van de corona-uitbraak aanvankelijk alleen nog maar meer innam voor de wetenschap, is dat ik graag wilde geloven dat het met de uitbraak van het coronavirus wel los zou lopen. En voor die ontspannen houding was de munitie bij deskundigen lange tijd met bakken tegelijk op te halen.

Eind februari vergeleek het RIVM corona nog met de gewone griep. Een kleine week voordat de eerste Nederlandse patiënt werd geregistreerd, hield het hoofd van het Centrum Landelijke Coördinatie Infectieziektebestrijding bij dat RIVM, Aura Timen, in een wat lacherige sfeer een toespraak voor de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. Daarin relativeerde zij op de vraag ‘Loopt Nederland gevaar?’ de risico’s van het virus (‘laag risico voor Europa’) en waarschuwde voor iets anders: ‘We lopen het gevaar dat we achter elkaar aan lopen en de maatregelen steeds een stapje hoger opstapelen.’ Een dag voor die toespraak had zij op een vraag van deze krant geantwoord dat zij ‘natuurlijk’ nog handen schudde. ‘Als we maar gewoon de handen blijven wassen. En vertrouwen hebben in de medemens.’

Dat premier Rutte vanaf het begin zei dat hij bij de aanpak van corona ‘op de deskundigen’ voer, klonk dan ook als de redelijkste, verstandigste benadering. Tot zover geen vuiltje aan de lucht.

Maar stilletjes aan begon er iets te knagen. Steeds indringender werden de getuigenissen, beelden en waarschuwingen van artsen en wetenschappers uit eerst China en vervolgens Italië, waar het virus om zich heen greep. In de pers en op sociale media. Want het mag bon ton zijn om te doen alsof sociale media alleen maar vol staan met nepnieuws, scheldpartijen, ongefundeerde meningen en andere drek (en die zijn er in overvloed te vinden), Twitter biedt supersnel toegang tot een schat aan vaak verifieerbare informatie van ooggetuigen en specialisten over elk denkbaar onderwerp.

Dat wordt nog versterkt doordat onderzoekers in de hele wereld hun resultaten steeds vaker onmiddellijk online delen en met elkaar bespreken. Zo kun je als buitenstaander beter volgen hoe zij tot hun conclusies komen. Bert Wagendorp schamperde in zijn column dat de tweet van ‘ene Amrish Baidjoe’ de krant had gehaald. Maar deze infectieziektenspecialist, verbonden aan het Rode Kruis en de London School of Hygiene & Tropical Medicine, geldt als frontsoldaat bij uitbraken in ontwikkelingslanden. Met die nuttige bagage is hij een van velen die het beleid steeds kritisch en inhoudelijk van commentaar voorzien.

Duidelijk werd al vroeg wat gemeengoed zou worden: dat veruit de meeste mensen niet heel ziek werden van corona, laat staan dodelijk ziek, maar een deel van de patiënten wel. En dat het virus zo besmettelijk was dat de ziekenhuizen overbelast raakten waardoor zowel de coronapatiënten als andere zieken niet meer de zorg konden krijgen die ze nodig hadden. Het drong door dat China en Italië hun drastische maatregelen niet troffen om individuen tegen de ziekte te beschermen, maar in het belang van de samenleving als geheel.

Waar leidde dit toe in Nederland? Eind februari, met carnaval net achter de rug, nog niet tot veel. Ja, het advies om je handen te wassen, in je elleboog te hoesten en papieren zakdoekjes te gebruiken. Het voelde niet helemaal in verhouding. En zoals wel meer mensen werd ik onrustig.

Maar ik censureerde mijn gedachten. Wie was ik om iets te vinden van een virus? Je praat toch moeilijker mee over epidemiologie, als je er niet voor hebt doorgeleerd, dan over – noem eens wat – rechten of geschiedenis.

En ergens speelden denk ik toch ook wel clichébeelden mee over China en Italië. Dat ze in China onhygiënisch zijn en rare dieren eten. En dat Italië niets kan organiseren. Dus daar had de overheid in reactie op de besmettingen vast prutswerk geleverd. Nuchtere, kundige Nederlandse experts zouden wel zorgen dat wij beter waren voorbereid.

Beeld Claudie de Cleen

Maar het werd maart en het aantal geregistreerde patiënten in Nederland kwam boven de driehonderd en beperkte zich niet tot de provincie Noord-Brabant. En ik kreeg een soort kortsluiting in mijn hoofd. We wisten nu toch echt een paar dingen zeker: dit virus was nieuw, de werking onbekend én het was verschrikkelijk besmettelijk én het werd ook verspreid door mensen met lichte symptomen én het was elders volledig uit de hand gelopen. In Brabant werden maatregelen genomen: geen grote evenementen meer, thuiswerken als het kon en thuisblijven als je verkoudheidsklachten had. Maar die regels werden niet nodig geacht in de rest van Nederland.

Hoe voldeed dit nog aan de wetten van de logica? Waarom zou een virus dat van Wuhan naar Tilburg was gereisd zich veel aantrekken van Nederlandse provinciegrenzen? Sterker, in Coevorden en Diemen bewezen patiënten inmiddels het tegendeel.

Als schrijvend journalist moet ik soms even vergaderen. En ik vind het nuttig en gezellig om collega’s om me heen te hebben. Maar steeds meer begon ik onze redactiezaal te zien als een potentiële besmettingshaard. Onverantwoord. Ik voelde me dom als ik er een stuk zat te tikken. Maar geneerde me ook om dat ter sprake te brengen.

Op 11 maart hield ik het niet meer en mailde ik mijn chef dat ik thuis ging werken en eigenlijk vond dat iedereen dat moest doen. Het was een bericht vol excuserende termen. ‘In alle bescheidenheid natuurlijk, hè’, schreef ik, ‘Ik ben geen viroloog.’ En: ‘Ik voel me een internetgekkie.’

Dezelfde dag was in het nieuws dat ook uit Brabants onderzoek bleek wat vanuit het buitenland al was gerapporteerd: het virus verspreidde zich ‘onder de radar’, via mensen die zich niet of nauwelijks ziek voelden.

Gevraagd naar het verschil tussen de Brabantse en de landelijke maatregelen zei RIVM-directeur Van Dissel in de Volkskrant: ‘Als je alles op slot gooit, stopt de BV Nederland.’ Ik begreep het punt: je wilt de samenleving zo min mogelijk ontwrichten en de economie geen nodeloze schade toebrengen. Alleen, ‘thuiswerken als het kan’? ‘Thuisblijven bij milde klachten’? Dat was toch helemaal niet zo ontwrichtend of schadelijk? In het licht van wat er dreigde? En als dat kennelijk zinvol was voor Brabant, dan leek het toch een kwestie van gezond verstand om op z’n minst deze milde voorschriften landelijk door te zetten?

De middag nadat het interview was verschenen gingen de maatregelen alsnog landelijk gelden. Rutte en Van Dissel beriepen zich op nieuwe informatie die in het geheel niet nieuw klonk.

Nog had ik schroom om te vinden wat ik inmiddels wel aan een van mijn vele eveneens bezorgde vrienden appte: ‘Dit beleid is achterlijk.’ Want daarachteraan schreef ik ook weer: ‘Ik hoop eigenlijk dat Van Dissel gelijk heeft en dat wij onszelf later belachelijk kunnen maken over hoe we ons zaten op te winden.’

Niet alleen ben ik een onbenul op het gebied van virussen, ik weet ook niet hoe het is om zo’n crisis te managen. Als journalist heb ik bestuurders dat weleens van een afstandje zien doen. Na een ontploffing in een vuurwerkfabriek of een cafébrand, na een politieke moord, in de nasleep van een terroristische aanslag of bij de bankencrisis. Maar je weet niet écht onder welke onmenselijke druk ze staan, je weet niet over welke informatie ze beschikken en je weet niet om welke goede redenen zij dingen doen of laten die jij als buitenstaander niet kunt plaatsen. Ik was gevoelig voor het argument dat je de brandweer niet moet storen bij het blussen en was me bewust van de irrelevantie van mijn meninkjes.

En toen kwam De Toespraak.

Geen misverstand: het staatsmannelijke hart dat ons onder de riem werd gestoken was ook mij heel welkom. Maar het was ook de toespraak waaruit velen meenden te begrijpen – en ik was er een van – dat Rutte nieuw beleid aankondigde: werken aan groepsimmuniteit. Daar schrokken een hoop mensen van, zeker toen werd voorgerekend door kritische deskundigen hoeveel doden dat wel niet zou kosten.

In het debat dat erop volgde, zei Rutte dat dit een misverstand was geweest: groepsimmuniteit was geen doel, het was een bijeffect omdat er nu eenmaal mensen werden besmet, maar het beleid was gericht op het maximaal controleren van het virus.

Ook Van Dissel was in een briefing stellig: ‘De groepsimmuniteit is absoluut geen doel op zich.’ Dat dat toch zo over was gekomen? ‘Daar zal ik zelf schuldig aan zijn’, erkende hij. Maar hij zei ook: ‘De framing die ik daarna in de kranten heb gelezen was te veel van: o, we proberen meteen groepsimmuniteit te hebben.’ Had Nederland niet een heel andere benadering dan andere Europese landen, die in ferme termen steeds striktere lockdowns afkondigden? Nee, ook dat lag aan journalisten: ‘In de pers wordt veel gesproken over verschillen die er zouden zijn. Ik moet u eerlijk zeggen dat ik die nauwelijks zie.’

Maar wacht, dit was toch dezelfde Van Dissel die de avond van de toespraak dat idee van groepsimmuniteit in gesprek met Nieuwsuur helemaal had uitgewerkt?

Mariëlle Tweebeeke: ‘Om groepsimmuniteit te krijgen moeten mensen het krijgen.’

Van Dissel: ‘Ja, precies.’

(...)

Tweebeeke: ‘We weten nog niet zeker voor hoelang we daarna zijn beschermd. Hoeveel mensen moeten het krijgen om die groepsimmuniteit te hebben?’

Van Dissel: ‘Uiteindelijk op grond van de karakteristieken van de overdracht van het virus weten we dat dat tegen de 60 procent moet zijn, 50, 60 procent.’

(...)

Tweebeeke: ‘Het is eigenlijk beter als meer mensen het krijgen, alleen moeten we zorgen dat niet de meest kwetsbare mensen het krijgen.’

Van Dissel: ‘Dat is eigenlijk de gedachte achter dit beleid. We willen het virus laten rondgaan onder mensen die er eigenlijk weinig last van hebben. Waar we ook van verwachten dat er weinig ziekenhuisopnamen en zeker weinig problemen zijn. Tegelijkertijd probeer je de kwetsbare groep, waar ook de grootste risico’s liggen, zo goed mogelijk af te schermen. Als de groep die het virus heeft gehad groot genoeg is, dan gaat die groep de personen beschermen tegen het virus.’

(...)

‘Wat we met gecontroleerd rond laten gaan bedoelen is dat we eigenlijk willen kijken of we een zekere mate van infecties kunnen toelaten.’

(...)

Tweebeeke: ‘Dus dat was de boodschap van Rutte vanavond. We moeten hierdoorheen. Heel veel mensen moeten dit gaan krijgen om ons hiertegen te weren.’

Van Dissel, knikkend: ‘Ja, ja.’

En hoe zat het met die andere landen?  Van Dissel: ‘Het punt met de Europese aanpak, die is inderdaad verschillend. Wij zien overigens heel veel overeenkomsten met bijvoorbeeld het Verenigd Koninkrijk, dat ook zo’n aanpak lijkt te kiezen.’

En het Verenigd Koninkrijk, dat was nu juist het land dat expliciet de strategie van groepsimmuniteit had aangekondigd. Maar daar verscheen precies op de avond van Ruttes toespraak en Van Dissels interview een wetenschappelijk rapport over die aanpak, dat honderdduizenden mogelijke doden in het vooruitzicht stelde. Tegen de tijd dat de premier en de RIVM-baas met de Tweede Kamer spraken, had de Britse regering een ommezwaai gemaakt.

Dus óf dit was een misverstand (Rutte) en dan was het een communicatieblunder die zijn weerga niet kende, óf groepsimmuniteit was wel degelijk het doel geweest maar ze zagen er toch maar van af, óf groepsimmuniteit was nog steeds het doel maar ze zeiden het niet meer hardop tegen ons, omdat wij dan te veel in paniek raakten. Iets korter gezegd: ik wist niet meer wat ik moest geloven.

Rutte had het in zijn toespraak ook weer over de deskundigen gehad. ‘In de wereld van vandaag zijn nieuws en informatie sneller dan het licht en is een mening ook snel gegeven’, sprak hij. ‘Ik begrijp dat. Maar het antwoord op alle vragen die leven, begint bij de kennis en ervaring van deskundigen. Laat ons daaraan vasthouden. Aan deskundigen als Jaap van Dissel en zijn collega’s binnen en buiten het RIVM. Virologen, intensivecareartsen en andere specialisten.’

Beeld Claudie de Cleen

Dat klinkt goed. Dat klinkt als iets waar je niet fatsoenlijk op tegen kunt zijn. Ware het niet dat Rutte hiermee een knoeperd van een schijntegenstelling opriep. Als burger stond je helemaal niet voor de keuze om je iets aan te trekken van enerzijds deskundigen en de overheid of anderzijds van zomaar wat meningen. Er zijn voortdurend meningsverschillen tússen deskundigen. Verschillen tussen buitenlandse en Nederlandse deskundigen. Tussen deskundigen bínnen Nederland. Soms tussen vakgenoten en soms tussen kenners van verschillende relevante vakgebieden.

Twee dagen voor Ruttes toespraak had de Federatie Medisch Specialisten nog in het openbaar opgeroepen om de scholen te sluiten, terwijl het kabinet nu juist op advies van het Outbreak Management Team had besloten dat níét te doen. Waren de medisch specialisten niet ook belangrijke deskundigen? Zouden die zo’n dramatische stap zomaar zetten? Dat Ruttes topadviseurs de specialisten niet hadden weten te overtuigen, kon niet anders dan argwaan wekken bij de leek.

Vervolgens gingen de scholen toch dicht, ook al was daar wetenschappelijk volgens Rutte en het RIVM nog steeds geen reden toe, maar er kwam wel een onderzoek naar besmetting via kinderen, waarop het nu nog wachten is. Was die eerste inschatting dan toch niet zo hard als gesteld? Is dit onderzoek er alleen maar voor de bühne? Geen van beide maakt het makkelijker om netjes in het spoor van de deskundigen te blijven denken.

Of wat te denken van Alex Friedrich, een arts-microbioloog in het UMCG in Groningen die een keer had mogen aanzitten bij het OMT. Hij verklaarde in een publieke breuk met het landelijk beleid dat zorgverleners in de noordelijke provincies wél op grote schaal werden getest. Het kwam hem op een standje te staan van minister De Jonge van Volksgezondheid. Dezelfde minister die iets later aankondigde dat hij toch overal het aantal tests voor zorgverleners zou opschroeven, precies wat Friedrich wilde. Was die eerst niet deskundig en later toch wel?

Ruttes eigen verhouding tot die deskundigen was ook bijzonder. In een Kamerdebat riep hij: ‘Ik zou ook het liefst al die scholen sluiten morgen. Natuurlijk, daar zijn we het allemaal over eens. Geen discussie.’ Maar op aandringen van de deskundigen zag hij er toch van af. Formeel heeft het Outbreak Management Team alleen een adviserende rol, maar hier leek de geadviseerde premier tot zegsman gereduceerd. Rutte zat nog in zijn vertrouwde rol van procesbegeleider, waarmee wel erg veel bestuurlijke verantwoordelijkheid kwam te liggen bij deskundigen, en dan ook nog uit een paar heel specifieke disciplines.

Eefje Rammeloo, China-correspondent voor Trouw en Elsevier, schrijft in een van frustratie druipende terugblik op haar verslaggeving over de corona-uitbraak: ‘Hoe kan het dat de horrorverhalen uit China niemand leken te alarmeren? Nederland lijkt te hebben gedacht dat het coronavirus een Chinese curiositeit is, iets dat nooit ofte nimmer in Nederland kon gebeuren. Was het niet duidelijk dat Wuhan geen armoedig provinciestadje is, maar een van China’s megasteden? Dat de gezondheidszorg er tot de beste van het land behoort?’

Eerder, 11 maart, zette haar Volkskrant-collega Leen Vervaeke dan al een ongebruikelijke stap door op de site van de krant de alarmbellen te luiden: Nederland doet te weinig, te laat. ‘Heeft men in Europa dan niet gezien wat er in Wuhan en in Italië is gebeurd? Dat lijkt me ernstig genoeg om te zeggen: liever iets te hard ingrijpen dan te weinig.’

Beeld Claudie de Cleen

Hoe kon dat, die discrepantie tussen de feiten op de grond in getroffen landen en de betrekkelijk laconieke sfeer in Nederland? Zou het kunnen dat het drama in Italiaanse ziekenhuizen beter op tv of Facebook was te zien dan in de bewezen effecten en deugdelijke rekenmodellen van de wetenschappelijke specialisten waarop de regering afging? Iemand als Timen van het RIVM sprak met schijnbare aversie over het mediagenieke karakter van de uitbraak. Maar soms is snelle, grillige, rauwe, versnipperde praktijkinformatie meer waard dan harde data. Zoals de reportage van de oorlogsverslaggever meer kan vertellen dan een landkaart met troepenverplaatsingen.

Zoals de intensivecareartsen, praktijkmensen naar wie overigens gelukkig wel degelijk wordt geluisterd, de potentiële overbelasting van hun afdelingen eerder zagen aankomen dan de cijferaars van het RIVM.

‘We nemen niet zomaar blind alle adviezen over’, zei Rutte in de Tweede Kamer. Hij ‘challenget’ die adviezen. Maar het is de vraag of dat genoeg gebeurt. Dat is niet alleen relevant voor de evaluaties die zullen verschijnen over die stormachtige begintijd van de pandemie – hopelijk niet pas over lange tijd – maar te meer voor de fase waarin we nu zitten. Want uiteindelijk zijn we dan met horten en stoten terechtgekomen in onze ‘intelligente lockdown’, en hopelijk lukt het nu dankzij onwaarschijnlijke krachtsinspanningen van de mensen die er werken om binnen de maximaal opgerekte capaciteit van de intensive care te blijven en Italiaanse taferelen te vermijden. Maar nu is de kwestie hoe we hier ooit weer uit komen. En dat ziet er niet goed uit. De epidemiologen zeggen dat we jaren met het virus zullen moeten leven en dat maatregelen al die tijd in enige mate van kracht zullen moeten zijn. Jaren zonder reizen of grote feesten, jaren van social distancing.

Hoogleraar Jan Kluytmans van het UMC Utrecht trok in de Volkskrant de vergelijking met de bezetting. Voor mij was die vergelijking niet nieuw. Mijn moeder werd in 1940 geboren als Joods kind in Rotterdam en had de parallel met de tijd van onderduiken allang getrokken. Afgelopen week vierden we seideravond, een feest dat eigenlijk over bevrijding gaat. Mijn moeder was alleen thuis. Ze zag ons via schermpjes. We hadden zelf de kippensoep met matzeballen gemaakt die zij normaal kookt. We verrasten haar door voor de webcam te verschijnen in rare uitdossingen. Niet dat dat iets met Pesach heeft te maken, maar om lucht te brengen in een toch al absurde avond.

Zoals zovelen volg ik het nieuws over corona met een gebroken hart.

Rutte zei: ‘We zullen moeten zoeken naar het nieuwe normaal in de anderhalvemetersamenleving.’ Dat is niet alleen economisch een beklemmend perspectief. Ook de mentale last van het isolement zal steeds moeilijker te dragen zijn, vooral voor diegenen van wie in het leven toch al veel wordt gevraagd. Hoe zwaar de zorgen om het materiële én immateriële bestaan nu al op mensen drukken, lijkt soms niet helemaal door te dringen tot het groepje deskundigen dat nu de koers uitzet. In Trouw gaf viroloog Ann Vossen, werkzaam bij het Leids Universitair Medisch Centrum en lid van het Outbreak Management Team, bijvoorbeeld dit antwoord op de vraag of alle Nederlanders zich binnenkort kunnen laten testen op besmetting met het coronavirus of immuniteit: ‘Ik houd van een intelligent testbeleid. Als je test, moet je daar een consequentie aan koppelen. De motivatie moet dus niet alleen zijn: ik wil het weten.’

Maar Nederlanders willen niet zomaar voor de lol weten of ze immuun zijn. Ze willen dat weten omdat ze op bezoek willen kunnen bij hun bejaarde ouders, die het niet goed redden onder het huidige regime. Omdat ze hun café willen openen, hun personeel niet willen ontslaan en hun huis niet willen kwijtraken. Ze willen dat om duizend-en-een betere redenen dan alleen ‘ik wil het weten’. Er mogen bezwaren zijn tegen massaal testen – de capaciteit is te klein en de tests zijn niet precies genoeg – maar de behoefte van al die mensen om het wel te kunnen, de wens die achter de vraag ligt, die is eigenlijk best, ja, intelligent.

Of neem de mondkapjes. Die helpen wel tegen de verspreiding van corona in de zorg, maar niet in de bredere samenleving, is het adagium. Omdat mensen verkeerde kapjes opzetten en die verkeerd gebruiken. Zijn dit dan niet de omstandigheden waaronder je mensen zou moeten leren de juiste kapjes goed te gebruiken? Ik weet het antwoord niet, ik hoor het bevredigende antwoord op die vraag alleen óók niet van deskundigen. Ik ben in elk geval bereid mij alle finesses van welke beschermende kleding dan ook eigen te maken en desnoods een strenge praktijktoets af te leggen als dat betekent dat ik daarna mijn vrienden en familie weer een knuffel kan geven.

Wij leken stellen steeds indringender dit soort vragen. En de beleidsbepalende deskundigen, wier terrein ineens van ons allemaal is, komen steeds vaker in de rol van nee-zeggers die ons steeds vertellen wat allemaal een slecht plan is. Terwijl we één gezamenlijk doel hebben: we willen een exitstrategie.

Beeld Claudie de Cleen

Volgens NRC Handelsblad is het RIVM zo druk belast met de acute crisis, dat het geen capaciteit heeft om grondig over zo’n exitstrategie op langere termijn na te denken. Een groep van veertig externe wetenschappers die zichzelf al hadden verenigd via het chatprogramma Slack wilde meedenken, en dat heeft het instituut verwelkomd. In die groep zitten epidemiologen, psychologen, wiskundigen en modelleurs.

Prachtig initiatief, deze groep. Maar het is nog best mager. De regering zou een oproep kunnen doen aan alle knappe koppen van Nederland (en daarbuiten): bedenk hoe wij hieruit komen, en het vergaren van die kennis vervolgens heel goed kunnen organiseren.

Nee, die app is nu niet ineens zaligmakend. Waarom zou je ook op één paard wedden? We hebben veel meer en misschien nog veel wildere plannen nodig.

Grootschalige, dwingende interventies door de staat: nee, die zijn normaal gesproken niets voor ons. Maar normaal is voorbij. Alsof het wel iets voor ons is om nog jaren in deze schemerzone te verkeren.

Zo komt in het NRC-stuk over exitstrategieën ook het idee langs om in Nederland regio voor regio voorzichtig immuniteit op te bouwen. Maar daarvan wordt gezegd dat het ‘onmogelijke dilemma’s’ zou opleveren, zoals: wie mag er eerst? Dat klinkt onder de huidige omstandigheden niet onmogelijk maar overkomelijk. Als dit een van de hevigste crises is waarmee Nederland ooit buiten oorlogstijd te maken heeft gehad, zoals Rutte terecht zegt, dan mag je verwachten dat niets als vaststaand gegeven wordt beschouwd, dat niets taboe is.

Het kan goed dat we de komende jaren niet uit de ellende raken. Maar het lukt zeker niet als we bij elk begin van een gedachte alleen maar roepen waarom het wel een ramp moet worden, zoals nu door sommigen weer met die app gebeurt. En we komen hier ook niet uit als de blik te nauw blijft. Het is prettig dat het soms wat wereldvreemd opererende RIVM nu is aangevuld met psychologen, maar je kunt van veel meer verschillende disciplines profiteren.

Gevraagd naar het relatieve succes van Zuid-Korea in de strijd tegen corona, zei viroloog Marion Koopmans, die ook heeft aangezeten in het Outbreak Management Team: ‘De situatie is er compleet anders. Men hecht er minder aan privacywetgeving en heeft een enorme discipline in sociaal afstand houden. In Korea zijn de restaurants gewoon open: men zit er ruim van elkaar en als het ergens voor eenderde vol zit, gaan mensen er niet meer naar binnen.’ 

Door dat soort veelgehoorde stereotypen van Koreanen als typische groepsdieren gaan Korea-kenners bijkans door het lint. Want dat van die privacy mag kloppen, zij schetsen Koreanen juist als creatieve durfals, best individualistisch, gepolariseerd zelfs, maar wel hardwerkend en goed voorbereid. En ze waarschuwen dat het denken over de Aziaat als de Ander al sinds het begin van de crisis lessen trekken in de weg staat. Jeroen Visser, correspondent van de Volkskrant in Seoul laat weten: ‘In het ov zit je gewoon schouder aan schouder, op vrijdag- en zaterdagavond zwermen jongeren door elkaar in het uitgaansgebied en ze staan ook nog steeds in de rij voor de populaire restaurants. In het weekend zitten de parken vol.’

Het RIVM en consorten zijn belangrijk, maar niet heilig en niet genoeg. Kennis van Azië is net zo hard nodig als kennis van infectieziekten. Historici kunnen bijdragen, evenals technerds, sociologen, communicatiewetenschappers, economen, bestuurskundigen, productontwikkelaars en – ik noem maar wat – scenarioschrijvers. En vergeet niet de ervaringsdeskundigen, die de gevolgen hebben ondervonden van het virus en de maatregelen daartegen en die vertellen wat ze nodig hebben. Om ons de weg naar de uitgang te wijzen én om ons leven lichter te maken zolang we die weg nog niet hebben gevonden. Waar kunnen al deze mensen zich eigenlijk melden?

Het moet geen Poolse landdag worden, dat begrijp ik wel. Maar er zijn slimme manieren om zo veel mogelijk ideeën in zo kort mogelijke tijd te organiseren. En om op onverwachte oplossingen te komen. Vraag maar aan productontwikkelaars. Zelfs als een app hier niet het antwoord is, dan kan het app-denken helpen.

Mark Rutte staat tegenwoordig bij persmomenten voor een decortje waarop in veelvoud de zin is afgedrukt: ‘Alleen samen krijgen we corona onder controle.’ Dat is vermoedelijk bedoeld om iedereen ertoe te bewegen zich aan de afgekondigde maatregelen te houden. Maar bij zo’n crisis, die niemand eerder heeft meegemaakt, en waarbij we nu hopelijk de fase ingaan na het blussen van de ergste brand, moet dat ook gelden voor het nadenken óver die maatregelen. Misschien is er niet te veel naar deskundigen geluisterd, één specifiek groepje deskundigen wordt inmiddels wel overvraagd. Nu de dreiging de komende jaren zo groot is, moet er gemobiliseerd worden. Niet met wapens, maar met ideeën. Tijd om aan te treden. Het is nog te vroeg om ons bij jaren van bezetting neer te leggen.

Lees ook:

Nooit meer Koningsdag, carnaval, 5-meiviering of plaatselijk stadsfeest; nooit meer uzelf verliezen in een mensenmassa op een popfestival. Epidemiologen schetsen een beeld van Nederland na de lockdown

Apps die coronaverspreiding monitoren en melden, kunnen alleen slagen als zoveel mogelijk mensen meedoen. Hoe zit het met de privacy bij gebruik?

Zuid-Koreaans wil hij de laatste Nederlandse strategie niet noemen, maar Jaap van Dissel zegt wel ‘dat niet valt te ontkennen dat het testbeleid in bepaalde Aziatische landen in enig succes heeft geresulteerd’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden