Lucebert heeft ons bedwelmd - en we hadden het kunnen weten

In 1983 reisde ik naar Bergen (NH) om Lucebert voor het weekblad Vrij Nederland te interviewen. Het huis van de dichter stond te midden van bejaardenwoningen. De beschrijving van Jesserun d'Oliveira klopte dat men langs 'een hofje van doodsgerochel moest om de keizer der vijftigers te bereiken'.

Ik at een paar maal mee met zijn gezin. In de gesprekken, gehouden in zijn atelier, bleek Lucebert een aardige maar enigszins gesloten man. Wel sprak hij uitvoerig over zijn jeugd en vooral over het Jordaanoproer van 1934, dat hij intens had beleefd. Ondanks de honger en armoede weigerden steuntrekkers de uitgedeelde blikken tomatensoep, omdat zij de tomaat een verdacht exotische vrucht vonden. In zijn biografie citeert Wim Hazeu uitvoerig uit dit gedeelte van het interview.

Over zijn werdegang in de Tweede Wereldoorlog sprak Lucebert minder begeistert. Hij had onvrijwillig dienst gedaan voor de Arbeitseinsatz, maar was wegens ongeschiktheid snel naar Nederland teruggestuurd. Duizenden jonge Nederlandse mannen was dat overkomen, ik nam er niets van op in mijn stuk.

Lucebert in 1943.

Tien jaar later ging Lucebert in een radiogesprek met Henk Hofland en Tom Rooduijn uitvoeriger in op die periode. Hij deed het voorkomen alsof hij in Duitsland obstructie had gepleegd en toen was gerepatrieerd omdat hij 'ein sehr begabter Mensch war, ein junger Dichter'. Die had men aan het thuisfront kennelijk hard nodig.

Later verzette Lucebert zich ertegen dat een gedrukte versie van het gesprek bij de Bezige Bij zou verschijnen. In boekvorm kwam het - met andere gesprekken - uit bij een kleine uitgeverij.

Dankzij Wim Hazeu weten wij dat Lucebert niet de waarheid heeft gesproken. In De Morgen schreef Ilja Pfeijffer: 'Ieder mens, zelfs een dichter, heeft het recht zich te vergissen. Als je maar de moed hebt om dat in te zien en van mening te veranderen. Het werk van de volwassen Lucebert laat zien dat hij de dwaling van de jongeling achter zich heeft gelaten en dat hij ervan heeft geleerd. Dat zou je zelfs bewonderenswaardig kunnen noemen.'

Dat ieder mens het recht heeft zich te vergissen, daar kan ik het alleen maar mee eens zijn, maar om Luceberts houding van na de oorlog bewonderenswaardig te noemen, is mij een stap te ver. Je hoeft geen groot psycholoog te zijn om te vermoeden dat bij Lucebert ook opportunistische overwegingen hebben gespeeld, en misschien niet eens omdat hij de publieke opinie vreesde. Over wat het klootjesvolk dacht, deed Lucebert altijd heel stoer: dat kon hem zogenaamd niks schelen. Maar bij zijn (linkse) vrienden en collega's, die in de oorlog een andere houding hadden aangenomen, zou de waarheid hard zijn aangekomen. Ik denk dat Gerard Reve, als hij gehoord had van die Heil Hitler-brieven, stante pede naar Bergen was gereisd om zijn kunstbroeder met de volle vuist een muilpeer in het gezicht te verkopen.

Destijds was ik om redenen die ik niet doorgrondde ontevreden over het interview met Lucebert. Toen de Bezige Bij een bundel maakte van mijn interviews nam ik het niet op, ondanks aandrang van de Bij-directeur Johannes Witteman, die graag zag dat zijn auteur Lucebert aan de lijst werd toegevoegd.

Het atelier van Lucebert in Bergen.

Op de drukke presentatie van de biografie, afgelopen zondag in het Stedelijk Museum, vertelde Wim Hazeu dat Lucebert zeventig maal is geïnterviewd, maar dat geen van de journalisten heeft doorgevraagd over die oorlogsperiode. Ik stond paf. Allemaal waren ze langs geweest, van Bibeb tot Jan Brokken, maar geen van allen had het eruit gekregen. Ik ook niet.

'Maar Ischa Meijer dan?', zei ik tegen Hazeu, 'die zal er toch meteen over zijn begonnen.' 'Nee. Ischa heeft hem nooit geïnterviewd.' Voor ik verder kon vragen was Hazeu al in het gewoel verdwenen. Waarom het nooit zover is gekomen, vind je niet in de biografie. Ischa wilde vast, want hij schreef eens dat Lucebert 'de eerste dichter was die hij werkelijk las'. Bij Lucebert daarentegen laat de aarzeling zich raden.

Lucebert in 1983. Foto anp

Daarmee zijn we gekomen bij de cruciale vraag: kunnen wij Lucebert werkelijk blijven lezen? Uiteraard, is het antwoord. Hij blijft een belangrijk dichter in de geschiedenis van de Nederlandse poëzie, maar het lijkt onvermijdelijk dan wij hem voortaan anders gaan lezen. Ik in elk geval wel. Lucebert is toch al een dichter die leeft bij de uitleg van dubbele bodems en daar is er nu nog eentje bijgekomen.

Zijn beroemde gedicht School der poëzie uit Apocrief begint met: 'Ik ben geen lieflijke dichter, ik ben de schielijke oplichter der liefde.' En de tweede strofe luidt: 'lyriek is de moeder der politiek, ik ben niets dan oproer en mijn mystiek is het bedorven voer van leugen waarmee de deugd zich verziekt'.

Wij hadden het kunnen weten, maar de dichter heeft ons bedwelmd.


Een schikbarende ontdekking

Wim Hazeu dacht dat zijn biografie van de dichter Lucebert af was. Tot hij diens brieven met 'Heil Hitler' ontdekte.

'Men heeft mij wel geadviseerd: hou je mond en gooi het op een akkoord met de familie die deze brieven in bezit heeft. Ik dacht aan Lucebert, aan de diepe betekenis die zijn werk heeft. Aan wat hij allemaal voor schitterends heeft nagelaten. Ik vloekte. Godverdomme jongen, wat doe ik jou aan? Even heb ik overwogen om mijn boek helemaal niet te publiceren. Maar dan had ik als biograaf zelfmoord gepleegd. En dat kon ik niet.' (+)