LOUIS DAVIDS Geboren in en voor de kleinkunst

LOUIS DAVIDS Geboren: 19 december 1883 in Rotterdam, als Simon David. Broer van: Rebecca/Rika, Hartog/Hakkie en Henriëtte/Heintje Davids. Echtgenoot van: Betsy Kokernoot....

NEDERLANDS allereerste popster was hij. Iedereen kende zijn liedjes. Tallozen kennen ze nog. Zandvoort aan de Zee, De olieman heeft een Fordje opgedaan, Weekend in Scheveningen, Naar de bollen, Mammie heeft een rijbewijs, De Voetbalmatch. Je zou ze evergreens mogen noemen als ze niet zo muurvast zaten aan de man die ze toen zong. Voor een ander, hoe goed ook, was er geen eer meer aan te behalen. Er werd ogenblikkelijk vergeleken. De uitkomst stond vast.

Waarom was Louis Davids zo'n fenomeen? Hij was immers een onderdeurtje en een middelmatig toneelspeler. Voor een zangpedagoog was het polijsten van die stem-als-een-vijl vrijwel onbegonnen werk. En de meest befaamde liedjes? Louis deed alsof ze van hemzelf waren, maar een ander schreef ze.

Toch was deze Louis Davids geboren voor de kleinkunst. Sterker: hij is er ín geboren. Zijn moeder trad nog tot kort voor de bevalling op in de kermisrevue van vader Levie. Baby Loutje werd achter de coulissen te slapen gelegd, en toen hij eens huilend wakker schoot van het opklaterende applaus zou, aldus de overlevering, een oude Engelse clown tegen hem hebben gezegd: 'Cheer up, darling, after the show you are going to bed'

Het was een familiegezelschap dat in obscure achterzaaltjes het volk vermaakte. Loutje dartelde als vijfjarige met hoge hoed en spillebeentjes over de bühne als 'miniatuur-humorist'. Hij was zeventien toen het tot een breuk kwam met pa-directeur. Lou kreeg een groeiende weerzin tegen het 'mansen'. Niet de mannelijke komieken moesten met het bakje rond, maar juist de damesartiesten, zo bloot als het kon. Het rauwe publiek had grijpgrage handen en zou dan meer willen betalen, was de filosofie daarachter.

De 'verrader van de troep' (aldus pa Levie) reisde als goochelaarshulpje naar Engeland. Dat avontuur duurde enkele maanden, tot er in Rotterdam een telegram arriveerde: 'Vader, kom me halen, want ik heb zo'n honger.' Zijn adres had hij vergeten door te geven, maar Louis vermoedde terecht dat Levie met de Rotterdamse vrachtboot zou komen, en hij stond al 24 uur te kleumen aan de kade.

Weer thuis vormde hij een duo met zus Rika en, toen die trouwde, geheel tegen zijn zin met de lelijke Heintje ('even breed als hoog'). Van de kermis stapte het duo over naar de tingeltangelkroegen in de Nes, Amsterdams rosse buurt. Maar toen Louis de kans kreeg naar de 'grote' revue door te breken (Carré!), werden hem zijn optredens voor het schuim van de Nes zwaar aangerekend. Directeur Frits van Haarlem, de Joop van den Ende van die dagen, wilde hem aanvankelijk niet.

Van de kermislol zou hij via de revue terechtkomen bij het cabaret, en in die laatste categorie werd hij, zeker na de dood van Pisuisse, een onnavolgbare meester.

Kleinkunstkenner Alex de Haas heeft ooit geprobeerd uit te leggen waarom Louis Davids in één sprong de cabarettop bereikte: 'Na de Eerste Wereldoorlog waren veel Amerikanen in Europa blijven hangen. Het gescandeerde jazz-lied van daarginds begon hier ingang te vinden. Vooral de jongeren (danslustigen uiteraard) voelden zich sterk daartoe aangetrokken. Davids begreep meteen welke omwenteling er op til was in de vastgeroeste vormen der continentale vermaaksmuziek. Ritme, dat zou de nieuwe leuze worden. En terwijl anderen voortgingen met hun coupletten op verbruikte Speenhoff-wijsjes of op Berlijnse straatdeunen te dichten, ging Davids uit van de deining, of de tot actieve deelneming dwingende syncopen der Amerikaanse dansmuziek.' De Haas geeft Naar de bollen als voorbeeld.

Vitaal voor Davids' ontwikkeling was de Engelse pianiste/componiste Margie Morris. Van 1910 tot 1922 duurde hun verhouding, zowel artistiek als persoonlijk. He, She and the Piano is nog altijd een van de betere combinaties uit het vaderlandse cabaret. Uit die tijd dateren De Bokswedstrijd en de meezingers Zandvoort aan de Zee, Nou tabé dan en Als de tros wordt losgesmeten.

De eerste jaren na Margie Morris waren zakelijk succcesvol voor Davids, maar artistiek veel minder. In 1927 deed hij voor een kleine revue ('Van eigen bodem') een beroep op andere tekstschrijvers: Dirk Witte, Koos Speenhoff en Jacques van Tol. De laatste werd Davids' alter ego. Van Tol deed (voor een extra bonus) graag afstand van zijn auteursrechten. Daarom kreeg het grote publiek pas ver na de oorlog te horen dat de beroemdste Davids-liedjes van een ander waren. Pikant is ook dat Van Tol al ver voor de oorlog NSB'er was en dat de jood Davids daarvan op de hoogte was. Het deerde hem blijkbaar niet.

Vrij zeker is Van Tol ook de auteur van Davids' allerberoemdste lied De kleine man - 'Zo'n doodgewone man met een confectiepakkie an. Zo'n man die niks verdragen kan, blijft altijd onder Jan, Zo'n hongerlijer, zenuwlijer van een kleine man'. Het was een van oorsprong Engels liedje, dat Davids al jaren in z'n la had liggen. Het heette ofwel Big City Man of The Man in the Street.

Toen het voor de eerste keer werd uitgevoerd, midden in de crisistijd, werd het doodstil in de zaal. Deze kleine man, die herkenden de toeschouwers op slag. Ze waren het zelf, kleine middenstanders, ambtenaartjes, bungelend tussen hongerloon en werkloosheid. Het lied sloeg in als een bom. Davids moest twee encores geven.

Er was een hemelsbreed verschil tussen de Davids op het toneel en de privé-persoon, die een krenterige burgerman was en een bijna psychopatisch rokkenjager. Sylvain Poons zou hem jaren later karakteriseren: 'Hij was een ongelooflijk egocentrisch mens. Hij was niet prettig in de omgang. Hij had ook haast geen vrienden.' Wél vriendinnen. Poons: 'Toen Louis stierf heeft er nog nooit zo'n groot aantal weduwen aan een graf gestaan.'

Zijn vroege huwelijk met een Rotterdams meisje werd nooit ontbonden, ook niet toen deze Betsy Kokernoot met Louis' dochter Kitty allang naar Zuid-Afrika was geëmigreerd. In artiestencafés vertoonde hij zich zelden, aan de nazit van een voorstelling deed hij nooit mee, want er was altijd wel een voor zijn faam gevallen dame aan wie hij elders attenties moest geven.

Drinken verafschuwde hij, maar hij rookte als een diesel. Louis Davids had zwaar astma en moest in zijn laatste jaren herhaaldelijk worden opgenomen. In een theaterkassa - hij wilde altijd zelf kijken hoe de kaartverkoop liep - ving hij eens het gerucht op dat hij overleden zou zijn en deelde blijmoedig mee 'dat de teraardebestelling nog even zou worden uitgesteld'.

Het leek zo gemakkelijk wat hij deed. Wim Kan bewonderde zijn fabelachtige techniek en schreef bij Davids' dood in 1939: 'Wiskundig berekende hij het effect van een korte pauze, een opvoering van het tempo of bijvoorbeeld het plotseling tussen aanhalingstekens zetten van een komisch woord. En de geroutineerde kunstenaar, die bijna vijftig jaar op de planken had gestaan, was voor de première van een liedje, dat hem dierbaar was, nog nét zo nerveus, alsof het zijn debuut betrof.'

Henk Strabbing

Dit is de 25ste aflevering van een serie over honderd belangrijke Nederlanders van deze eeuw. De volgorde is chronologisch (op basis van geboortedatum). Onder het kopje Gepasseerd staan de namen van tijdgenoten die de tophonderd niet hebben bereikt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden