'Loopt er ineens een Sinterklaas door het decor'

Nergens wordt zoveel locatietheater gemaakt als in Nederland – volgende week weer tijdens het Zeeland Nazomerfestival. Wat is de aantrekkingskracht?...

Door Annette Embrechts

Er bestaat bijna geen locatie in Nederland of er is theater gemaakt. Van kippenhok, kerk en boerenschuur tot fabriekshal, afvalcentrale en autosloperij. Of het nu een sluis is, een vliegbasis of mosselbank, bijna overal is wel eens een theatergroep neergestreken om daar, op die ene, unieke plek, in die uitzonderlijke, karakteristieke omgeving een voorstelling te spelen. Stroomkabels en aggregaten zijn van ver aangesleept, tenten opgeslagen, tijdelijke kassa’s en toiletpotten geïnstalleerd en eeuwenoude landschappen tot nieuwe decors gemaakt.

Dit fenomeen – locatietheater – heeft zich in Nederland in een paar decennia enorm ontwikkeld. Zo sterk zelfs dat Nederland koploper is: nergens ter wereld wordt zo veel – succesvol – locatietheater gemaakt, zo concluderen de samenstellers van de tentoonstelling Ergens & Overal. Terwijl het wisselvallige klimaat – veel wind, veel regen – daartoe toch weinig aanleiding geeft.

Ook het Zeeland Nazomerfestival dat dinsdag begint, brengt traditiegetrouw veel klassiekers uit het toneelrepertoire op akkers, landgoederen, kades en pleinen. Dit jaar onder meer De Misantroop van Molière op de monumentale buitenplaats Overduin en Eindspel van Samuel Beckett in de oude Zware Plaatwerkerij op de voormalige Scheldewerf in Vlissingen. Bezoekers uit heel Nederland reizen er speciaal voor naar uithoeken in Zeeland.

Vanwaar die populariteit? Antoine Uitdehaag, die begin deze week nog in de stromende regen zijn kostbare repetitietijd voor De Misantroop in de Zeeuwse tuinen zag wegspoelen, verklaart de sterke ontwikkeling van het fenomeen onder meer door de neiging van Nederlanders pas naar toneelklassiekers te gaan als er een ‘evenement’ van is gemaakt, bij voorkeur op een spannende locatie waardoor ‘het feestje’ al begint bij de gezamenlijke bustocht naar niemandsland.

‘In Nederland behoort het toneelrepertoire niet vanzelfsprekend tot de opvoeding, zoals in Duitsland’, zegt hij. Daar gaan mensen traditiegetrouw naar de schouwburg om jaarlijks een paar Shakespeares, Tsjechovs of Ibsens te zien of een Schiller of Von Kleist van achter naar voren te horen spelen. Hier moet je mensen met extra’s verleiden, bijvoorbeeld door Molières Misantroop over luxe en opportunisme in hoge kringen te spelen op het bordes van een exorbitante villa.’

Dramaturg Paul Slangen, jarenlang rechterhand van regisseurs die het locatietheater naar een hoog plan brachten – zoals Johan Simons en Paul Koek van Theatergroep Hollandia en later van respectievelijk NTGent en Veenfabriek – bemerkt vaak bij Duitse collega’s een ‘leuk soort jaloezie’ op het Nederlandse gemak om ‘ergens en overal’ het theateravontuur te zoeken. ‘Ze vragen vaak of het niet enorm afzien is, zonder theatertechniek in turf, modder en mest. Maar het zit in de mentaliteit van ‘gewoon doen’. Gewoon verkassen naar een hangar of een brug als je vermoedt dat een stuk daar een extra laag krijgt.’

Hoewel het theater van oorsprong een buitenkunst is – van de Grieken tot aan Shakespeare werd overdag gespeeld met de zon als lichtspot – heeft het zich in de 17de eeuw teruggetrokken in de schouwburg. Begin jaren zestig van de vorige eeuw begint het theater zich in Nederland echter weer los te worstelen van de illusie binnen de theatermuren. Groepen als Proloog en Het Werktheater brengen het toneel uit sociaal-politiek engagement naar klaslokalen, bejaardentehuizen, fabriekskantines en gevangenissen. Maar het eerste echte, zogenoemde, locatietheater – waarin de omgeving van beslissende invloed is op de voorstelling – manifesteert zich in Nederland eind jaren zestig met het architecturale bewegingstheater van BEWTH, in 17de-eeuwse kerken en ontmantelde pompstations.

Het fenomeen blijft vooralsnog marginaal. In de jaren tachtig krijgt het echter een fikse impuls wanneer theater- en beleidsmakers potentieel publiek dat nooit naar een schouwburg komt in zijn eigen omgeving gaan opzoeken. Acteurs willen stukken over vissers, boeren en fabrieksarbeiders spelen voor vissers, boeren en fabrieksarbeiders. En dan liefst in gebouwen en op plekken die een emotionele en maatschappelijke rol spelen in het leven van deze mensen. Die ontwikkeling past bij de democratiseringsgolf die het Nederlands theater in de aderen zit, niet in de laatste plaats door Actie Tomaat. De afstand tussen acteur en toeschouwer wordt geslecht; toneelspelers laten zien zich bewust te zijn van het publiek onder het motto: ‘wij maken deze voorstelling samen.’

Theatergroep Hollandia is zo’n club die snel furore maakte met drama’s in boerderijen, verffabrieken en autokerkhoven. Talloze gezelschappen volgden, met ieder zijn eigen accent: Dogtroep met zijn beeldende spektakels, Vis à Vis met visuele comedy, PeerGrouP met landschapstheater, Boukje Schweigman met verstild bewegingstheater en Lotte van den Berg met ervaringstheater.

De nabijheid van toeschouwer en acteur op locatie – hoe uitgestrekt ook – brengt intimiteit met zich mee. Acteurs en publiek delen dezelfde ruimte – heel anders dan in het theater waar de toeschouwers standaard in het donker zitten en de acteurs in het licht. Op locatie spelen de acteurs in dezelfde kou, miezerige regen of verzengende hitte, als waarin de toeschouwers zitten te kijken en hun weg hebben afgelegd naar deze ‘nieuw uitgevonden’ bestaande plek.

‘Een acteur kan in zijn spel niet doen alsof hij dat vliegtuig niet hoort of niet in de zon kijkt’, zegt dramaturg Slangen. ‘Dat zou hem ongeloofwaardig maken. Hij moet juist het hier en nu benadrukken en spannende oplossingen bedenken om zich verstaanbaar te maken. Dat maakt het scherp en levend.’

En het cadeau van het vallen van de avond, van het unieke licht van de schemering, werkt bijna altijd: het langzaam donker worden creëert een betoverende spanning.

Dus, zou je denken, zoek de omgeving uit een toneelstuk in de werkelijkheid en succes verzekerd. Uitdehaag: ‘Dit realisme kan goed werken. Bij onze Misantroop versterkt de villa de emotionaliteit van het stuk. De eenzaamheid van iemand die alleen op een bordes staat te roepen naar iemand in de siertuin wordt door de afstand verhevigd. De hoofdpersoon keert zich in zijn mensenhaat fel tegen de schone schijn in het sociale leven. De kapitale villa symboliseert dit menselijk opportunisme.’

Slangen vindt dit echter een te gemakkelijke opvatting van locatietheater. ‘De anekdotische relatie tussen stuk en locatie is niet echt interessant. Neem Ella van Herbert Achternbusch, over het kapotte leven van een vrouw die zich met haar zoon heeft teruggetrokken in een kippenhok. Bij Hollandia dachten wij in 1986 hoe geweldig het zou zijn dit toneelstuk op te voeren in een hoenderstal. Publiek in de ren, acteurs zeg maar bijna op stok. Toeschouwers vonden het een belevenis, wij een vergissing. Wanneer namelijk uit de tekst blijkt dat een stuk zich afspeelt in een kippenhok, ziet het publiek toch wel een kippenhok voor zich. Misschien wel een veel interessanter kippenhok, dan de feitelijke ren waarin wij speelden. Veel spannender is het een locatie te zoeken die verder weg staat van het verhaal, maar wel thematisch relevant is. Daardoor prikkel je de verbeelding.’

Slangen doelt op de Griekse tragedies die Hollandia speelde in een voormalige blauwselfabriek, toen in gebruik als autosloperij. Toeschouwers zaten op gestapelde autowrakken. Acteurs speelden onder lekkende daken. ‘Tragedies gaan bijna altijd over de overmoed van de mens en de wijze waarop hij daarvoor gruwelijk wordt gestraft. Het symbool van de menselijke vooruitgang, de auto, lag in gruzelementen aan de voeten van het publiek. Dat zat letterlijk op de vuilnisbelt van de beschaving. En door resten blauwsel van de verffabriek had de ruimte toch iets koninklijks. De locatie gaf dus zwijgzaam zwartgallig commentaar op de inhoud van het stuk. Dat zette mensen aan het denken.’

De praktijk kan wel weerbarstig uitpakken. Hoe betekenisvol ook om een drama over een puissant rijke staalbaron onder een stalen brug in hartje Antwerpen te spelen – Varkensstal van Pier Paolo Passolini in 1996 onder de IJzeren Brug over de Schelde – het razende verkeer over het keiharde staal maakte het spel bijna fysiek onmogelijk en onverstaanbaar. Zie daarin nog maar eens een symbool van barons stukgelopen gezinsleven.

De jonge regisseur Thibaud Delpeut, succesvol in de grote zaal bij Toneelgroep Amsterdam, trok dit jaar de aandacht op Oerol met Nacht, een inhoudelijk heftig stuk over een burgeroorlog maar dan gesitueerd in een verraderlijk rustig weiland. Delpeut ontdekte de kracht van de verbeelding, door mét windkracht 7 een tribunaal te suggereren met een stuk zwart plastic op het gras, de toeschouwers koptelefoons op te zetten met galmende acteursstemmen en de oorlogsdreiging te zoeken in het vallen van de nacht. ‘Ik merkte dat het mij lukte om mensen op een wei te laten geloven in een tribunaalsetting. Nu ik heb ervaren dat mijn abstracte beelden zo suggestief zijn, durf ik ook in het theater abstracter te gaan werken.’

Theatermaker Walter Bart, lid van het succesvolle collectief Wunderbaum dat al van dak tot kelder heeft gespeeld, scout locaties op hun sociale dynamiek. De groep speelde een stuk over de opkomst van de PVV in Venlo, de geboorteplaats van Wilders, en een dialoog over brallerige voetbalsupporters in bars, waarbij de acteurs op de toog klommen en de bierlucht in de nek van de toeschouwers bliezen. Die kregen op hun beurt een wodkaatje. Op dit moment maakt Wunderbaum een stuk over de crisis, in een sloopflat in Pendrecht. Bart: ‘Daar is volgens ons de crisis het scherpst voelbaar. Werken op locatie dwingt ons tot een heldere dialoog met mensen die niet gewend zijn aan theater. Bewoners vragen wat we komen doen. Ik moet aan de juffrouw van het toilet, waar wij gebruik van mogen maken, ook kunnen uitleggen wat we maken. Dat versterkt de dialoog en dwingt ons heldere keuzes te maken.’

Volgens Bart, Delpeut en Slangen gaat het op locatie om de zoektocht naar de juiste verhouding tussen realiteit en theatraliteit. Wat laat je toe uit de werkelijkheid, wat zet je daar aan theatrale codes tegenover? Zet de weifelende zusjes uit Tsjechovs Drie Zusters bij een dorpse bushalte en er hoeft maar een bus voorbij te komen die ze niet nemen en je voelt: die bereiken nooit de stad van hun dromen. Een tableau vivant tegen een horizon kan het overweldigende uitzicht vermenselijken. Hoe ruig de entourage ook, een theatermaker moet ingrepen doen, hij moet laten zien dat hij sterker is.

Bart: ‘Op locatie moet je je ook kunnen afsluiten voor de realiteit. In een buurthuis was naast ons een feest aan de gang. Liep er plotseling een Sinterklaas door ons decor. Dat lijkt een cadeautje, maar ook een bijna onmogelijke opdracht om op in te spelen.’ Slangen: ‘Je moet niet te veel leunen op een prachtige omgeving. Dan krijg je juist lui theater. De branding, een zonnetje, een meeuw, dat roept altijd wel een oh of ah op. Je moet zelf actief een ingreep in de ruimte aanbrengen, zodat de toeschouwer deze weer opnieuw ervaart.’

Delpeut, die deze zoektocht een ‘duivels gevecht’ vond, weet zeker dat hij de komende jaren ‘periodiek’ zal terugkeren naar een locatie: ‘Met intervallen van een seizoen of drie. Het helpt mij in het aanscherpen van mijn geest en mijn ambacht. Alles op locatie wordt zwaar bevochten. De ruimte dwingt je tot visueel nadenken. De grenzeloze willekeur van de realiteit tot ingrepen. Iedere keuze die je maakt als regisseur weeg je op locatie negen keer vaker dan in het theater. Je laat niet even een container naar Terschelling verschepen om de inhoud vervolgens toch maar niet te gebruiken.’

De ontwikkeling van het locatietheater heeft het bewustzijn sterk vergroot van de invloed van de ruimte, de werkelijkheid en de toeschouwers op een voorstelling, onderstrepen alle theatermakers. En die mentaliteit nemen ze mee ‘het seizoen in’, wanneer ze weer creaties maken voor theaterzalen.

‘Deze ontwikkeling verplicht ons nu dus ook tot het bewust kiezen van de ruimte bij de thematiek van een voorstelling’, stelt Slangen. ‘Dat kan ook een schouwburg zijn. Maar dan niet als neutrale, vanzelfsprekende ruimte met zwarte muren die zo min mogelijk willen opvallen. Maar als specifieke plek die je benadrukten naar je hand zet. Bijvoorbeeld door de toegangsdeuren mee te nemen in een enscenering, de ramen open te zetten, de coulissen weg te halen of door een acteur een versterkt telefoongesprek te laten voeren in de gangen rondom de stoelopstelling. De toeschouwers krijgen zo het gevoel dat het allemaal om hen heen gebeurt. Dat versterkt het samenzijn in het hier en nu. Daar gaat het om.’

Het mag dan inmiddels gemeengoed zijn geworden, dat gezelschappen ‘door’ de schouwburglijst heen de zaal in spelen – vaak op een catwalk – en dat tribunes op de toneelvloer verschijnen, het ruimtelijk bewustzijn in theaters zou nog veel verder moeten gaan, vindt Slangen.

Want, zo benadrukt Slangen, schouwburgen zijn nog steeds ‘ontzettend belangrijke locaties’ voor theater. ‘Daar sta je in het centrum van de stad en dus in het centrum van het maatschappelijke en economische debat. Je plaatst je letterlijk in de schijnwerpers en wordt daar streng op beoordeeld. Het publiek komt niet voor de schilderachtige entourage en het glaasje rosé maar voor jou. Dat moet je zien waar te maken.’

Zeeland Nazomerfestival: 24 aug t/m 4 sept op diverse locaties in Vlissingen, Oostkapelle, Brouwershaven en Middelburg. De Misantroop van Molière: première 24 aug op buitenplaats Overduin, t/m 4 sept. nazomerfestival.nl. De tentoonstelling Ergens & Overal Abdijplein, Middelburg. ergensenoveral.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden