Loeihard stompen in het middenrif

A'dam Roots Festival..

amsterdam Het tiende Amsterdam Roots Festival trok dit jaar een recordaantal bezoekers, in totaal 65 duizend. Verheugend voor de organisatie, maar wat het slotweekend betreft kun je je afvragen of er niet wat veel acts waren geprogrammeerd die uit waren op makkelijk scoren.

Eigentijds gemaakte Balkan-muziek is in, en de regio werd in de Melkweg vertegenwoordigd door twee groepen die het niet zo nauw nemen met de traditie. De Mahala Raï Banda vermengt de stadse en plattelandse roma-muziek van Roemenië met blazers uit Moldavië en Bulgarije. Bovendien was de hand van producer en DJ Shantel te horen in de montage-aanpak, met vaak een abrupte ‘knip’ naar een totaal ander stuk. De overtreffende trap van de hoekige maatwisselingen waarin de band toch al gepokt en gemazeld was – puur effectbejag maar o zo opwindend.

Ook het Hongaarse Besh O Drom bestreek de hele Balkan, en zag er ook geen been in de West-Afrikaanse djembé in te zetten als voornaamste slagwerk. Opnieuw hecht en swingend ensemblespel, schatplichtig aan het Bulgaarse bruiloftsorkest van Ivo Papasov, maar behaagziek en met een bij vlagen vals zingende zangeres.

De Turkse avond op zaterdag begon teleurstellend met de ‘psychedelic folk’ van Gevende. Voor Westerse oren verliet de groep veel te weinig het geijkte rockidioom; als alleen het paspoort van de muzikanten de noemer ‘wereldmuziek’ rechtvaardigt, is dat toch echt te mager. Gelukkig werd dit ruimschoots gecompenseerd door de Koerdisch-Turkse Aynur, met een fraaie contrastwerking tussen haar snijdende stem en de opzwepende percussie.

Vrijdagavond overheerste in de Melkweg het Latijns-Amerikaanse vuur met wat Afrikaanse brandstof, maar helaas ook een euvel dat het festival wel vaker kenmerkt: loeihard en beschamend slecht geluid. Vooral in The Max, de grootste zaal van het complex, zat kennelijk iemand achter de knoppen die alleen kaas had gegeten van popconcerten. Met name Manolito y su Trabuco had hier onder te lijden. De zestienkoppige Cubaanse band koppelt het instrumentarium van de son met dat van de charanga, dwarsfluit en strijkers dus, maar de violist en cellist hadden net zo goed thuis kunnen blijven. Ze waren niet te horen boven het beukende slagwerk en de bas die stompen uitdeelde in het middenrif.

Manolito’s ensemble kwam weliswaar om de boel plat te spelen, maar de arrangementen zitten vol nuances die nu volledig werden weggevaagd. Overdonderen is ook de tactiek van Yerba Buena, latino’s uit New York die klassieke salsa oversturen met funk en hiphop. De zaalversterking was iets beter in balans, maar nog altijd op een overdreven volume.

Dat het anders kan, bleek zaterdagavond. De muziek was intiemer, de technici hadden nu wel oren aan hun hoofd, en het eerste hoogtepunt kon worden opgetekend. De Ivoriaanse zangeres Dobet Gnahoré bracht haar hartverwarmende songs, in talen en stijlen uit het hele continent, met zijdezachte zangharmonieën rond haar bronzen alt, en ragfijn gitaarspel van haar echtgenoot Colin Laroche de Féline.

In de kleine Theaterzaal staan meestal de minder grote namen, wat vaak leuke ontdekkingen oplevert. Netsayi uit Zimbabwe bleek daar echter zonder de orkestraties van haar debuut-cd een performer die nog lang niet de klasse heeft van Gnahoré: sterke stem, zwakke intonatie, en vooral wisselvallige composities, soms aangrijpend, vaak nogal spanningloos.

De afsluiter, Manu Dibango uit Kameroen, deed waar hij al decennia sterk in is: je alle ergernissen en bedenkingen van de afgelopen dagen doen vergeten met ongecompliceerde maar zonnige, funky en nooit vervelende afro-beat.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden